Vreugde

 

‘WETEN DAT MIJN VREUGDE ECHTE VREUGDE IS,

EN MIJN VERDRIET ECHT VERDRIET. DAT IS WERKELIJK GELUK’.

 

(citaat uit een film van Ingmar Bergman: Scènes uit een huwelijksleven)

 

“Jouw hele jij is in jou, ook al ga je weg van jou…” schreef de Spaanse dichter Juan Ramón Jiménez. Wij mensen zijn geen meester over leven en dood. Dat zouden we misschien wel willen, maar ons leven heeft een grens: de grens van onze dood. Wij gaan weg van onszelf, wij verlaten ons lichaam als we sterven. Ons lichaam blijft achter hier op deze aarde. Het kan niet door de deur van de dood.

Dat is niet te begrijpen met ons verstand. We kunnen ons tijdens ons leven al nauwelijks losmaken van ons lichaam – zo zijn we verbonden: “Mijn hele ik is in mij…ik zou niet anders kunnen (existeren)”. Lichaam en ziel(geest) zijn ongescheiden en zo met elkaar verweven dat er geen existentieel onderscheid mogelijk is.

 

Wij wonen in het huis van de taal. Dat wil zeggen dat wij met woorden datgene proberen te beschrijven waar we over nadenken en wat we in dit leven ervaren. Met de taal proberen we een zin hieraan te geven, proberen we al pratende en denkende, zo dicht mogelijk bij ons gevoel, woorden te vinden die ons de weg wijzen in dit doolhof van beelden en gedachten.

En als het ons lukt met woorden een stukje houvast te vinden, een stukje vaste grond waarop we kunnen staan, dat wil zeggen, betekenis geven aan ons leven en aan de dingen die ons overkomen, dan houden we hoop, zien we perspectief, dan is niet alles (hopeloos) verloren voor ons gevoel.

 

Edmond Jabès, een Franse schrijver en filosoof heeft eens geschreven: “Wat je ook doet, je hoopt jezelf te redden. Maar jezelf verlies je.” Ik vermoed dat er veel waarheid in deze uitspraak schuilt. Tijdens ons leven zwoegen we, trachten we zoveel mogelijk te bereiken waardoor we kunnen (blijven) (voort)leven: onze wetenschappelijke prestaties, onze literaire producties, onze dagelijkse inzet, onze naam, en ook onze liefde. Want ook liefde schenken, hoe vreemd dat ook klinkt, is een manier van voortleven. De bijbel is hiervoor meer dan eens onze getuige.

Maar wat je ook doet, jezelf redden kun je niet. De dood doet je onherroepelijk beseffen dat je aan het kortste eind zult trekken, dat je de strijd nooit, nooit kunt winnen. Maar hoe groot is je verlies?

 

Omdat we niet over de grens van de dood heen kunnen kijken, omdat we niet tijdens ons leven al achter de deur van de dood kunnen spieden, weten we niet wat er zijn zal ná die dood. Hoe we zijn, wat we zijn, als we onszelf hebben verloren, als we ons lichaam hebben achtergelaten en misschien daarmee ook elk gevoel van identiteit, van ik-zijn (voelen) en ik-zeggen.

In een gebonden schrift dat ik steeds bij de hand heb om gedachten en ervaringen in te schrijven heb ik op de eerste pagina als motto gezet: “Alles blijft steeds een beginnen” (E.Jabès). Misschien is dát wel hét kenmerk van het leven: steeds maar weer beginnen … zonder ophouden, steeds op andere wegen, op nieuwe manieren…ook in mij, ook als ik er niet meer ben.

Juan Ramón Jiménez schreef hierover een prachtig gedicht:

 

“De allerlaatste reis.

 

En ik zal gaan.

En de vogels zullen blijven en zingen;

en blijven zal mijn tuin, met zijn groene boom

en zijn witte bron.

 

Elke avond zal de hemel blauw en vredig zijn.

en luiden zullen, net als vanavond,

de klokken van de kerktoren.

 

Sterven zullen zij die van mij hielden;

en het dorp wordt elk jaar weer nieuw;

en in elke hoek van mijn tuin met witte bloesems

zal mijn geest dronken van heimwee ronddwalen…

 

En ik zal gaan; en ik zal alleen zijn, zonder thuis,

zonder groene boom, zonder witte bron,

zonder blauwe en vredige hemel…

en de vogels zullen blijven en zingen.”

 

Misschien is het daarom ook wel dat de liederen van Jaques Brel mij zo aanspreken omdat hij alle kracht put uit het hier en nu: uit het genieten van het heden, van dit moment, van dit ogenblik. Met tranen tussen zijn tanden bezingt hij liefde en geluk, vreugde en verdriet.

En wat hebben wij anders in handen dan op dit ogenblik voelen, weten dat mijn vreugde echte vreugde is, en mijn verdriet echt verdriet. Dat is niet alleen bewustzijn dat je leeft, dat je er bent, met je hele hebben en houden, het is ook proeven van het geluk: mens zijn die bestemd is om te leven, te doorleven, te ervaren wat het leven voor hem in petto heeft. Hoe zwaar het ook soms is, ook het verdriet en het lijden hebben hun waarde, hun werkelijkheid die mij momenten van geluk kunnen doen beseffen. De dichter Jiménez schrijft:

“Laat geen dag verstrijken zonder hem een groot of klein geheim te ontfutselen.

Je leven zij waakzaam, elke dag een ontdekking.

Voor elke kruimel hard brood, die God jou geeft, geef jij hem de zuiverste edelsteen van je ziel.”

 

“Eeuwigheid in een ogenblik” schreef de filosoof Franz Rosenzweig, dat wil zeggen in de blik van je ogen, op dit moment, exact hier en nu, openbaart zich de eeuwigheid, een heden dat zich ervan bewust is, meer dan een heden te zijn. Geluk is niet een kwestie van gisteren of morgen. Het is een beleven van het nu: je hoogtepunten en je dieptepunten. Jiménez schrijft:

 

“Mijn hart is nu zo zuiver,

dat het om het even is, of het sterft

of zingt.

 

Het kan het boek van het leven vullen of het boek van de dood.

Beiden zijn onbeschreven voor mijn hart, dat denkt en droomt.

 

Evenveel eeuwigheid zal het in beiden vinden.

Hart, het is om het even: sterf of zing.”

 

Wat valt er dan nog te wensen, wat te verlangen, wat te verwachten van het leven: je bent het zelf die leeft, je bent het zelf waarin het leven zich manifesteert als kracht van God, als mogelijkheid om het geluk te ervaren, te doorleven. En zolang het leven je schenkt waar je vol van bent, zolang de dood niet definitief aan je deur klopt met zijn diepe stilte, stroomt er licht in jou, straal je licht uit, warmte, liefde.

Daarom zing, zing van het leven, zing tegen alle wanhoop in, zing op de klippen van het lijden, zing op de branding van de nacht. zing, zing, zing, je lied zal onsterfelijk zijn, je woorden zullen nooit versterven. Zoals de golven zachtjes ruisen op het strand, zo zul je altijd weten: er is geen einde, er is géén definitieve nacht!

 

John Hacking