Eenzaamheidsbekwaamheid

 

Pleidooi voor eenzaamheidsbekwaamheid.

“Het is niet goed dat de mens alleen is”: dat staat de in de bijbel, Genesis 2,18 en het is God zelf, die dat daar zegt: “alleen zijn en eenzaamheid hebben met elkaar te maken: “wie zich overgeeft aan de eenzaamheid, ach!, die is snel alleen”, zingt de harpspeler in Goethes Wilhelm Meister; en wie alleen is, zal vaak eenzaam zijn, misschien wel onvermijdelijkerwijze: “Leven is eenzaam zijn. Geen  mens kent de ander, ieder is alleen”, dat schreef Herman Hesse. Ik citeer nog een keer: “Zo ben ik dus nu alleen op aarde, zonder broeder, zonder naaste, zonder vriend, overgelaten aan mijn eigen gezelschap. De gezelligste en liefdevolste sterveling is met algemene instemming van zijn medemensen uit hun maatschappij verbannen.(…) Tegen hun wil heb ik de mensen liefgehad, en alleen indien ze ophielden, mens te zijn, konden zij mijn aanhankelijkheid verstoren. Ze zijn me vreemd, onbekend, eindelijk niets geworden, omdat ze het zo wilden hebben. Maar ik, losgemaakt van hen wen van alles, wat ben ik zelf? (…) Ja, zonder twijfel heb ik, zonder het te merken, een sprong van waken naar slaap of veelmeer van leven naar dood gemaakt”: de sprong in de eenzaamheid. Zo begint Jean Jacques Rousseau’s laatste werk: de Réveries du promeneur solitaire, de “dromerijen van een eenzame wandelaar”.  Ze formuleren een van de klassieke initiaalklachten over de moderne eenzaamheidstoestand van de mens. Reeds in de titel signaleert niet alleen  het spreken over de “eenzame” wandelaar eenzaamheid, ook het woorden dromerijen” doet dat: want – volgens een gebruikelijk traditioneel onderscheidingscriterium  – alleen als wij waken, hebben wij een gemeenschappelijke wereld, als we echter dromen, heeft ieder de zijne. In die zin heeft Rousseau – die op het einde van zijn leven geïsoleerd leefde ook de in de letterlijke zin: door angsten geplaagd en op een eiland – deze tekst alleen voor zichzelf geschreven en aan publicatie niet meer gedacht; ze is postuum – voor het eerst in 1782, dus 200 jaar geleden – verschenen. In deze 200 jaren sindsdien heeft de eenzaamheidsklacht niets aan actualiteit verloren; zelfs integendeel: eenzaamheid is- zo schijnt het – in toenemende mate tot het lijden van deze tijd geworden, tot grote last en kwelling, die in toenemende mate om zich heen grijpt. Ze hoort, zo schijnt het – in de moderne wereld tot de meest representatieve levenskwalen: wij leven in het tijdperk van de eenzaamheid.

Ik wil nu – met het oog op deze in toenemende mate beklaagde kwalenbron eenzaamheid – hier in mijn overwegingen een these verdedigen, verduidelijken en trachtenderwijze plausibel maken, die deze inschatting van de eenzaamheid aanvult en daardoor modificeert, namelijk de volgende stelling: was ons modernen plaagt, kwelt en slecht behandelt, is niet alleen – en zeker niet primair – de eenzaamheid, maar voor alles het verlies van eenzaamheidstalent: de verzwakking van de kracht om alleen te zijn, het verdwijnen van het vermogen, vereenzaming te dragen, het wegkwijnen van de levenskunst, eenzaamheid positief te ervaren. Dat – zo bedoel ik – inzake eenzaamheid de eigenlijke malaise van onze tijd: niet de eenzaamheid zelf, maar het gebrek aan vermogen om eenzaamheid te dragen. Ik houd hierover 4 overwegingen die heten: 1. Moderne eenzaamheid, 2. Symptomatische tegen-gezelligheden, 3. De behoefte aan eenzaamheid en 4. De cultuur van de eenzaamheidsbekwaamheid.

  1. Moderne eenzaamheid

Door mijn stelling wil ik niet in twijfel trekken, dat eenzaamheid werkelijk tot de meest representatieve situatie van de huidige wereld hoort: we leven – ik herhaal en onderstreep het – in het tijdperk van de eenzaamheid. Dat dit zo is, daarvoor bestaan diverse oorzaken.

Om te beginnen voert modern precies de massificatie tot vereenzaming, heel elementair: er komen steeds meer mensen op minder ruimte. Fysiek komen de mensen elkaar steeds meer dichterbij; psychisch drijven ze verder uit elkaar: het ene veroorzaakt het andere. Men kan dit op volgende wijze zichtbaar maken: Een buur is een vriend, vijf buren zijn goede bekenden, tien buren zijn een helpende gemeenschap, vijftig buren maken onrustig, honderd buren overvragen, duizend buren zijn onverdraagbaar; alleen door de noodgreep van geoefende onverschilligheid kunnen ze worden verdragen; alleen als men ze niet meer waarneemt, kan men met hen leven. Zo wordt het bestaan in de massa anoniem:Tussen ontelbare mensen valt de enkeling niet op, alleen, eenzaam. Daarom komt het – als voorbeeld – tot het veelbesproken flatsyndroom: de buurman kent men niet meer; hoe hij leeft is niet meer interessant; of hij leeft is dan om het even; zo kan gebeuren waar de kranten over schrijven, dat een gestorvene wekenlang onontdekt in zijn woning ligt. Met het stijgend aantal van medemensen zinkt de personele dichtheid en intensiteit van de communicatie: daardoor ontstaat eenzaamheid. Daarbij komt de groeiende moderne mobiliteit, die de samenhang van gezin, buren, vriendschappen ruimtelijk uiteen scheurt: de mobiliteitszwakke leden – met name de ouderen – verliezen het contact en vereenzamen. Zo gaat het met de mensen in de moderne massamaatschappij, waarin het leven in de grote stad het normale wordt, terwijl zelfs de landelijke gebieden tot quasi stad worden. Helmut Schelsky’s Lob der Grossstadt – “dat in het leven van de stedeling de arbeid steeds meer zakelijker wordt, de vrije tijd meer privé is geworden”- klopt wel: de toenemende anonimiteit van de arbeid werkt verlichtend tot hogere individualiteit van levenswereld  en de zinwereld; maar met de toegenomen mogelijkheden om deze vorm te geven groeit ook het risico van het niet vormgeven ervan, dat tot eenzaamheid leidt.

In zijn sociologische bestseller Die einsame Masse heeft meer dan dertig jaar geleden David Riesman nog een verdere centrale oorzaak voor vereenzaming benadrukt: modern – in de niet meer “traditiegebonden” wereld – vond in onze eeuw de aflossing plaats van de “van binnen geleide” door de “van buiten geleide” mens met zijn tendens zo precies mogelijk te willen zijn als de anderen. Alleen nog gelijkheid maakt nu maatschappijbekwaam, ongelijkheid leidt tot uitsluiting uit de maatschappij. Maar omdat de mensen niet altijd gelijk maar ook ongelijk zijn, wordt zo – hoe meer maatschappelijk de gelijkheid telt – iedereen tot een steeds groter deel maatschappij ongeschikt, dus eenzaam: bij de “van buiten geleide” mens hoort bij de manifest groeiende gelijkheid de latent groeiende eenzaamheid.  Man kan dat radicaliseren en deze moderne groei van de eenzaamheid begrijpen uit de verandering van de niet-eenzaamheid – de veel-zaamheid, die of meer-zaamheid of al-zaamheid ist: of een wij, waartoe niet alle mensen behoren (zoals bijvoorbeeld een gezin), of een wij, waartoe alle mensen behoren (zoals bijvoorbeeld het “systeem van behoeften” als industriële productie -, distributie – en consumptiemaatschappij) -, wat de moderne wereld vorm geeft: ze is – als het tijdperk van de universaliseringen – die wereld, die in toenemende mate meer-zaamheden door al-zaamheden aflost. In de al-zaamheden echter wordt – in onderscheid tot de meer-zaamheden, waarbij dat net niet gaat – elke mens door een ander vervangbaar: zijn uniciteit wordt betekenisloos, overbodig, uit gerangeerd. De mensen kunnen hun uniciteit alleen nog maar als eenzaamheid ervaren. Daarom produceert de moderne emancipatie uit de meer-zaamheden in de al-zaamheid dwangmatig eenzaamheid, en komt zo tot de conclusie die ik nog een keer wil onderstrepen: wij leven – modern en heden ten dage – in het tijdperk van de eenzaamheid.

  1. Symptomatische tegen-gezelligheden

Dat alles wordt ook indirect zichtbaar: door anti-eenzaamheidsactiviteiten, die de eenzaamheid, in plaats van ze te overwinnen, veelmeer bevestigen en versterken. Het gaat daarbij om symptomatische tegen-gezelligheden: om verslavende anti-eenzaamheids-communicatie. Ik wijs hier – pars pro toto – slechts op twee duidelijke fenomenen.

Het ene fenomeen is de exotisering van de medemenselijkheidvoltrekkingen: hun verplaatsing in de verte. De moderne eenzaamheid – die als communicatienood en communicatiedood van dichtbij beschreven kan worden – dwingt ertoe, als vervanging communicatie met veraf over-empatisch te activeren. Menselijk is men dan alleen nog maar tot hen die heel ver weg zijn: tijdelijk, ruimtelijk of door een andere afstand. Men houdt van – omdat men tot de mensen in de intiemste levenskring niet meer doordringt – de mensen die het verste weg zijn: de hele mensheid van de toekomst, de mensen is de verst verwijderde landen (met voorkeur voor het Verre Oosten of de Latijns Amerikaanse revolutionairen, omdat ze tegelijk als succesrijke toekomstmensen gelden) en de Übermenschen, tot welke men in grootgehouden bewonderingsafstand leeft: de idolen in de politiek, de sport, de cultuur en subcultuur. De uitval van het dichtbije wordt vervangen door het verre: ook dialogen lukken alleen nog door de telefoon; zelfs het zien wordt vervangen door de tv. Wat – bijvoorbeeld – Berlijners aan Berlijners schuldig blijven, geven ze dan aan degenen, die ver weg van Berlijn zijn: de afstandbedieningen voor gemeenschapsbeleving op tv. In plaats van de naastenliefde komt de verte-liefde: degeblokkeerde solidariteit ten aanzien van het dichtbije wordt gecompenseerd door empatische solidariteit voor het verre. Maar net daardoor echter – dat is de keerzijde en de kostprijs van dit proces – wordt men pas blind en niet ontvankelijk meer voor het naaste: dit verlies van het naaste door de vlucht in het verre versterkt dat wat men wilde ontkomen: de eenzaamheid.

Het andere fenomeen is de conjunctuur van de groep als anti-eenzaamheidsmiddel: men vlucht – om aan de eenzaamheid te ontkomen – in het collectieve, dat nu als geneesmiddel voor alles gepropageerd wordt. Vanaf nu mag men – in naam van de overwinning op de eenzaamheid en omdat men anders “privatistich” (privé in de overtreffende trap J.H.) is – niets meer alleen doen: noch lezen noch schrijven, noch werken, noch wonen, niet denken noch slapen, niet praten noch zwijgen, niet huilen noch gelukkig zijn; zelfs alleen zijn mag men niet meer alleen zijn; alles moet samen georganiseerd worden: geen heil buiten de groep. Voor een universiteitsmens valt dit bijzonder op in de huidige massa-universiteit: de studerenden – iedereen tutoyeren ze, niemand kennen ze – vluchten voor de eenzaamheid van het universitaire massabedrijf begerig in groepen: in de vaargemeenschap, woongemeenschap, de denk – en discussiegemeenschap, de arbeidsgemeenschap, de voelgemeenschap, in de groep omwille van de groep – dus omwille van de niet-eenzaamheid-wil. Tot de meest tot de verbeelding sprekende fascinerende dingen hoort het groepswerk: dit wordt – meestal vooral onproductief – tot de heilige koe als anti-eenzaamheid-symbool, dat voor de groepsbehoefte wordt geoefend, een proces dat overigens het beste – in de Hamlet-analyse van zijn “Lehrjahre” door verwijzing naar Rosenkranz en Güldenstern – door Goethe beschreven is: “Datgene, wat deze beide mensen zijn en doen, kan niet door een worden zichtbaar gemaakt. In zulke details wordt de grootheid van Shakespeare zichtbaar. Dit stille optreden, dit vlijen en buigen, dit ja zeggen, aaien en vlijen, deze behendigheid, dit kwispelen, deze alheid en leegheid, deze echte schurkenstreek, hoe kan ze door een mens tot uitdrukking komen? Het zouden er minstens een dozijn moeten zijn, om haar te hebben; want ze zijn slechts in de maatschappij iets, zij zijn de maatschappij”: de groepsbehoeften zijn de lakeien en hun beroepsmatige opvolgers. Het groepswerk is – plaatsvervangend voor veel ander groepsenthousiasme: bijvoorbeeld dat voor de zelfhulpgroepen, die men slechts door zelfhulp overleeft – goed bedoeld, maar niet goed voor de groepszucht – de aanwijzing is de extreme bedreiging van hen, die door de groep uitgestoten worden -, zij maakt eenzaamheid, in plaats van haar te overwinnen, alleen maar erger: zij verstoort de eenzaamheidsbekwaamheid.

Het moderne tijdperk van de eenzaamheid is dus tegelijk het tijdperk van de symptomatische tegen-gezelligheden: dat van de communicatieve verweg-empathie  en de groepszucht, die beiden – doordat ze de eenzaamheidsbekwaamheid achteraf verstoren – pas echt weerloos maken tegen dat wat ze zouden moeten overwinnen, in werkelijkheid echter indirect bekrachtigen: de eenzaamheid.

  1. De behoefte aan eenzaamheid

Zo kom ik op mijn stelling terug: wat ons modernen plaagt, kwelt en slecht behandelt, is niet alleen – en zeker niet primair – de eenzaamheid, maar boven alles het verlies aan eenzaamheidsbekwaamheid: de verzwakking van de kracht tot alleen zijn, het verlies van het vermogen, alleen zijn te verdragen, het wegkwijnen van de levenskunst, om eenzaamheid positief te ervaren. Deze malaise is modern, maar ze is zeker niet vanzelfsprekend: want een positieve ervaring van eenzaamheid is mogelijk.

Dat wat – in de middeleeuwse mystiek: zoals bij Meester Eckhart – tot de uitvinding van het woord “eenzaamheid” leidde, was een positieve ervaring. Vervolgens (als ik het goed zie) was “eenzaamheid” daar überhaupt geen woord voor het solitaire en geïsoleerde, maar de Duitse vertaling van unio in de zin van unio mystica, de mythische vereniging van de mens met God: hun een-zaamheid was hun een-zijn als intensiefste vorm van hun communicatie. Had zich deze betekenis – eenzaamheid is vereniging – doorgezet en geseculariseerd, dan kon m en vandaag de dag – i.p.v. “eenzaamheid van de lange afstandloper” – van de eenzaamheid van de huwelijkspartners spreken en dat bedoelen, wat de bijbel tot uitdrukking brengt in de formulering, beiden zijn “een vlees”: de meest intensieve vorm van hun communicatie. Evenwel: deze betekenis – hoewel zij in het Pietisme van de 18e eeuw doorklonk – is verloren gegaan. ‘Eenzaamheid’ werd snel tot beschrijving van de “afgescheidenheid” van de ander, die tot de mystieke Godsbelevenis behoort. Waar later God uit het beeld raakte, was de mens alleen nog maar afgescheiden, alleen nog maar alleen met zichzelf: zoals in de huidige betekenis “eenzaam”. Maar ook en precies deze “pure” eenzaamheid kan positief worden ervaren en daarom nagestreefd worden: er bestaat een positieve behoefte aan eenzaamheid.  Ik verwijs naar drie duidelijke eenzaamheidsvormen, die voor mij belangrijk zijn door mijn eigenschap als scepticus, universele wetenschapper en levend wezen dat behoefte heeft aan eenzaamheid.

Eenzaamheid zoeken – en willen graag  – de sceptici. Representatief is ongeveer – hij leefde vroeg modern: te zeggen tussen Pyrrhon en mezelf – Montaigne, die zich (na openbare werkzaamheid) terugtrok in de solitude, de eenzaamheid. Om te lezen, te schrijven en te ervaren, zonder afsluitende antwoorden, trok hij zich terug in “de derde etage van een toren”: de sceptici – anders als de generaals van het absolute weten en handelen – staan niet “speculatief” op de toren, maar zitten in de toren, mogelijkerwijs – sindsdien er meer rijtjeshuizen zijn dan torens – in een arbeidsruimte in de kelder. Bedachtzaam nemen zij plaats tussen de stoelen van de heersende leerstelsels. Want scepsis is het gevoel voor de deling van de machten: voor de deling zelf van elke macht, die de overtuigingen vormen. De scepticus waardeert en moedigt de twist tussen de heersende leerstelsels aan. Als deze ruzie maken, is hij blij: want precies door – delen en denk! – wordt hij vrij van hen en hun geweldige oogkleppen. Hij sluit zich niet aan, dus sluti hij zich uit en wordt zo – eenzaam – een eenling. Deze eenzaamheid is voor de scepticus de kans, op eigen rekening – met eigen narrenkap – op te merken en te denken: ze dekt – aan deze zijde van alle zelfbevestigingsgezelligheden – de sceptische eenzaamheidsbehoefte.

Eenzaamheid zoeken – en hebben nodig – de wetenschappers: zonder eenzaamheid is wetenschap niet mogelijk, ook als dat vandaag de dag onoorbaar is. Door eenzaamheid wordt uit de wetenschap geen puur privé sinecure, maar dat, wat de wetenschap institutioneel zijn moet: het geïsoleerde station voor het kennismatige brisante. Wetenschap is: alles denken willen. Men moet zonder acht te slaan op de gevolgen denken durven, anders kan men niet alles denken. Daarvoor is een plaats nodig, waar de gevolgen van het denken goed afgevoerd worden. De wetenschapper moet als het ware zandzakken plaatsen tussen zichzelf en de rest van de wereld: voor het geval dat zijn denken explodeert, opdat niemand dan geraakt wordt. Daarvoor is eenzaamheid nodig, een ivoren toren, waarvan het ivoor is: de barstbescherming voor gedachten. Daarom verlangt Wilhelm von Humboldt voor de wetenschap aan de universiteit “eenzaamheid en vrijheid”: denkvrijheid, die door eenzaamheid ontlast wordt. Waar men vandaag – in de groepenuniversiteit – wetenschapsvrijheid zonder eenzaamheid wil, doet deze behoefte aan eenzaamheid zich toch gelden. Niet toevallig zijn sindsdien de profesoren tot een gilde van reizenden geworden: ze reizen zonder ophouden naar verre congresoorden. Maar belangrijk bij hun reizen is niet de aankomst – noch aan het congresoord noch aan het beroepsoord -, maar het weg zijn van beiden: de reis ertussen, die in de regel een eenzame reis is, waarbij men nog denken kan. Zo redt – waar de universiteit haar niet meer dekt – het huidige wetenschapstourisme – aan deze zijde van de wetenschapsbestuurgezelligheid – de wetenschappelijke eenzaamheidsbehoefte.

Eenzaamheid zoeken – en missen – de mensen, die niet klaarkomen met het tribunaal, dat in de huidige verplichting zit tot totale gezelligheid, omdat iedereen tegelijk als verworpen geldt, die daaraan niet meedoet. Er bestaan gepassioneerde kwartaalacteurs: kwartaalsporters, kwartaalzuipers of kwartaallezers. Ik voor mijn deel hoor tot de kwartaalwandelaars, die op bevlieging door bossen en straten struinen. Verlangen naar het landschap en straatstenennostalgie – op het eerste gezicht flinke tegenstellingen – zijn veelvoudig beschreven worden: zoals bij Carl Gustav Carus als “dat gedrag dat pas eerst in onze tijd tevoorschijn kwam, zich bij tijd en wijle in een soort natuuradoratie te storten in bossen en bergen, in dalen en op rotsen”; zoals bij Siegfried Kracauer als “straatextase, die mij in Parijs altijd overvalt. Toen (…) bracht ik (…) weken alleen door in Parijs en liep elke dag meerdere uren door de kwartieren. Het was een bezetenheid, die ik niet kon weerstaan.”Mij komt het echter aan op dit rondstruinverlangen, waardoor  het onaangetaste landschap en de levende straten in de grote steden bijna uitwisselbaar worden. Beiden bieden – als ontlasting van de moderne rechtvaardigheidseisen van de totale plicht tot gezelligheid – de enkeling de kans, onvindbaar en daardoor onbelangrijk te worden: bei beiden duikt hij onder in reddende eenzaamheden. Als moderne versie van de onzichtbare mantel dekken beiden – tegen het tribunaalverlangen van moderne gezelligheden – de menselijke eenzaamheidsbehoefte.

Dit zijn slechts enkele voorbeelden, maar ze laten zien: er bestaat niet alleen de last van, er bestaat ook de lust tot eenzaamheid.

  1. De cultuur van de eenzaamheidsbekwaamheid

Bepalend is de vraag, of en hoe de eenzaamheidslast zich in eenzaamheidlust laat transformeren: dus de vraag naar een cultuur van de eenzaamheidsbekwaamheid.

Want het klopt niet, dat de mensen de eenzaamheid laten kunnen voor wat ze is. Zelfs als de hiervoor beschreven vormen van eenzaamheid te vermijden zijn: nooit zouden ze meteen te vermijden zijn; ook om hen voorlopig vol te kunnen houden, heeft men eenzaamheidsbekwaamheid nodig. En er bestaat – zonder twijfel – voor alle mensen de onvermijdelijke eenzaamheid.  Ze bestaat, omdat we sterven. Als we aftreden, laten wij onze wereld van medemensen alleen, die op haar beurt ons alleen moet laten: we sterven als alleen gelaten alleen-laters. En omdat wij – door geboorte en dood veroordeeld en dit weten – ons leven lang “ten dode” zijn, doortrekt deze elementaire eenzaamheid levenslang ons leven. Dit leven is kort: daarom hebben we nooit de tijd tot willekeurige niet-eenzaamheid; als ons sterven kan niemand ons  leven – met zijn levenskeuzes – “afnemen”: we hebben geen tijd om steeds allen of slechts velen bij het mee te laten praten. Deze stervensbepaalde eenzaamheid – tenminste zij – verlangt eenzaamheidsbekwaamheid. Van deze eenzaamheidscompetentie leeft ook onze communicatiecompetentie. Wie – eenzaamheidsonbekwaam – met al zijn levensvragen alle bereikbare medemensenvoortdurend lastigvalt, communiceert niet, maar wordt als ziekelijke zorgbehoeftige onverdraaglijk. Zeker: net deze vorm van onzelfstandigheid wordt door enkele communicatiedeskundigen het ideaal van communicatie genoemd. Ze beroepen zich op de uitspraak: mondigheid is communicatiebekwaamheid. Maar deze uitspraak geeft alleen de halve waarheid, want net zo goed geldt: mondigheid is eenzaamheidsbekwaamheid.

Daarom herhaal ik: wat ons modern voor alles plaagt, kwelt en slecht behandelt, is niet de eenzaamheid maar het verlies aan eenzaamheidsbekwaamheid: de verzwakking van de kracht tot  alleen zijn, de verlies van het vermogen, alleen te zijn te verdragen, het wegkwijnen van de levenskunst eenzaamheid positief te ervaren.  De eigenlijke malaise van onze tijd is niet de eenzaamheid zelf, maar het gebrek aan eenzaamheidsbekwaamheid. Bepalend is daarom de cultuur van de eenzaamheidsbekwaamheid. Waarin bestaat deze? Daarop een antwoorden te geven is moeilijk. Ik verwijs hier – zonder volledig te willen zijn – naar drie momenten, die mij hiervoor belangrijk lijken; humor, vorming, religie.

Tot de cultuur van de eenzaamheidsbekwaamheid hoort – bijvoorbeeld – humor. Door deze lichtheid, die uit zwaarmoedigheid komt, kan men “ondanks” leven, namelijk in aangename distantie tot zichzelf: dus ook in distantie tot de eigen eenzaamheid, bijvoorbeeld door het vermijden van te hoog gestelde verwachtingen. Wie slechts alleen met gelukte supercommunicatie tevreden is, veroordeelt zichzelf tot eenzaamheid; wie zelfs van het standbeeld op het volgende plein verwacht, dat het hem om de hals valt, en zich eenzaam voelt, als het – zoals gebruikelijk bij standbeelden – dat niet doet, hoort tot de genieën van de vertwijfelingschepping. Hij zou voor zichzelf en zijn medemensen toegankelijker worden, als hij – met lachende distantie tot zichzelf – zijn overtrokken communicatiewensen zou reduceren. Hoe minder communicatie iemand nodig heeft, des temeer communicatie zal hem lukken; hoe eenzamer iemand kan zijn, des te minder is hij het.

Tot de cultuur van de eenzaamheidsbekwaamheid hoort – als voorbeeld – vorming: geen alles- en beter-weterij, maar de uitwijding van de actieradius van de opmerkzaamheid – en genotsbekwaamheid, daardoor, dat men niet aangewezen blijft op onmiddellijke bevrediging, maar met de middelen van het present stellen en opnieuw present stellen kan omgaan: met boeken, beelden, de opeenvolging van tonen door het verbond tussen fantasie en herinnering. Vorming is: dit toegevoegd aandacht geven, geoefend te hebben, dat eenzaamheid kan compenseren als een levenskunst, ook alleen niet alleen te zijn. Vorming – dat is een van de belangrijke definities – , vorming is zekerstellen van eenzaamheidsbekwaamheid.

Tot de cultuur van de eenzaamheidsbekwaamheid hoort – ook en misschien onvermijdelijk – religie: God is – voor de religieus betrokkene – hij, die er nog is, wanneer niemand er meer is. De niet-religieuze persoon gelooft, dat dát niet voldoende is: communicatief schijnt hem de profane mus beter in de hand als de duif op het dak ook dan, als deze duif de heilige geest symboliseert. Maar mensen – sterfelijke eenzame levende wezens – zijn van huis uit niet zo gemaakt, dat ze het zich kunnen permitteren van dergelijke troost lichtvaardig af te zien: want zonder twijfel bestaan er eenzame situaties, waarin de duif op het dak – om zo te spreken – de enige mus is, die men nog in de hand heeft.

Vertaling: J.Hacking van:

O. Marquard, Plädoyer für die Einsamkeitsfähigkeit, in: Skepsis und Zustimmung. Philosophischen Studien, Reclam, Stuttgart 1995 p. 110-122

Hier en daar zijn de Duitse zinswendingen en uitdrukkingen in Nederlandse (niet bestaande) woorden vertaald om de dynamiek van de tekst (een toespraak) meer tot haar recht te laten komen.