Het zelf in het lichaam (5) Denken dat pijn doet…

Denken dat pijn doet…voorbij of vooraf aan de tijd.

 

Het verschijnsel tijd blijft vragen oproepen. Joke Hermsen schrijft hierover in het boek “Stil de Tijd” (2009). Zij sluit aan bij het essay van de Franse denker J.F. Lyotard (“Of we zonder lichaam kunnen denken” gepubliceerd in Het onmenselijke, 1992). Ik citeer Joke Hermsen: “Net als Damasio stelt Lyotard allereerst dat denken of reflexiviteit altijd begint met een gevoeligheid of affectiviteit die aan de basis ligt en zelfs voorafgaat aan onze rationele en talige activiteiten. Er is met andere woorden eerst een voelen, en dat voelen, die affectiviteit, nodigt pas tot een denken uit: ‘Het denken dankt en ontleent zijn horizon en zijn oriëntatie aan de lichamelijke, zintuigelijke en emotionele ervaringen van een bijzonder ontwikkeld wezen.” (pag. 251)

Het denken is in dit licht dus ook een product van de lichamelijke constitutie van de mens die niet alleen lichaam is maar ook als empathisch wezen zijn lichaam inzet om te ervaren en om die ervaringen een plaats te geven binnen zijn bewustzijn. Dat bewustzijn is niet alleen rationeel, maar vooral ook gevoelsmatig, emotioneel. Betekenissen komen dus achteraf en zijn dus in deze context expressies van gevoel en emotie op basis van ervaring. Ratio is dus een afgeleide. Ratio beschouwen als een absolute grootheid onafhankelijk van gevoel en emotie is dus nonsens. Ratio is relatief, deel van een netwerk, vaak eindproduct van een lang proces van ervaren. Wij maken de werkelijkheid niet puur, niet sec mee vanuit onze ratio. Ons lichaam zit er al tussen, en ook onze emoties en ons gevoel als je Lyotard mag geloven en in zijn voetspoor Hermsen.

Ik kan me wel hierin vinden want ik vermoed dat de positie van een veronderstelde en als absoluut opgevatte ratio onhoudbaar is, want dan lijkt het alsof de ratio onlichamelijk is geworden.

Hermsen schrijft: “ Ons brein tast in het denken een bepaalde horizon af en legt daar vervolgens een oriëntatie- en verwachtingsveld bloot. ‘En in deze omlijsting is het al kiezende op weg naar wat het zoekt’, schrijft Lyotard, ‘dat wil zeggen door de gegevens die het nodig heeft uiteen te rafelen en te verzamelen, zonder echter te beschikken over van tevoren opgestelde criteria die al bij voorbaat bepalen wat het beste is om te kiezen, zoals sommige schaakcomputers werken.’ Er is met andere woorden een denkveld, zoals er ook een gezichtsveld of een gehoorveld of een proefveld is; de geest oriënteert er zich zoals het oog, het oor, de tong in de waarneembare wereld. We denken op dezelfde wijze als we ook onze andere zintuigen gebruiken, niet volgens bepaalde van tevoren opgelegde algemene regels en wetten, maar op een oriënterende, intuïtieve, inbeeldende en subjectieve wijze. Onze gedachten zijn volgens Lyotard niet alleen extrinsiek analoog aan onze zintuigelijke ervaringen, maar ze zijn ook intrinsiek analoog. Dat wil zeggen, dat ons denken volgt net als onze zintuigen geen vooropgestelde logische, maar een analogische weg:’ Hetgeen het denken en het lichaam onscheidbaar maakt, is dan ook niet simpelweg het feit dat het lichaam slechts de onmisbare hardware is van het denken, (…) maar dat ze beide analoog zijn aan de ander in hun relatie tot hun respectieve omgevingen, zintuiglijk en symbolisch, terwijl deze relatie zelf in beide gevallen ook analogisch van aard is.’

Teneinde de verhouding tussen lichamelijkheid en denken, gevoel en verstand, nog meer te verduidelijken stelt Lyotard vervolgens de intrigerende vraag of denken ook pijn kan doen, zoals andere delen van het lichaam pijn kunnen doen als ze gekwetst worden. Kan een gedachte pijn doen? Zou er zoiets als ‘een vervlechting tussen denken en lijden’ kunnen bestaan?” (pag. 252-253)

Joke Hermsen pakt deze vragen op aan de leidraad van Lyotard. Die op zijn beurt weer bij Nietzsche bevestiging vindt voor zijn opvattingen. Het afstropen van oude inzichten veroorzaakt bij Nietzsche pijn, zo citeert ze hem. Een ontdekking van de voorgeschiedenis van de mens, wat een herontdekking wordt genoemd, de basis voor nieuwe inzichten. Bij Nietzsche komt er dan een onderdompeling in de oergrond van hartstochten en driften bij. Of dat laatste à la Nietzsche noodzakelijk is betwijfel ik: volgens mij kun je letterlijk lijden aan je gedachten als je depressief wordt. Depressie is de uitingsvorm bij uitstek van een spel van betekenissen die doordacht en tot een einde gebracht niets overlaten van elke vorm van hoop, er is geen uitweg. Er is geen ontsnappen. De gedachten snoeren de persoon in kwestie in, als een band die knellend aangelegd is om het lichaam en die hoe langer hoe meer pijn doet. Kwellende gedachten die niet te vermijden zijn, die niet kunnen worden ‘uitgezet’ omdat er geen mechanisme is, ook niet in het denken, dat deze gedachten nog kan beheersen of sturen. Natuurlijk zijn er raakvlakken met het menselijk verlangen en de hartstochten maar hoe dat verband precies ligt is geloof ik nog niet nader onderzocht. Zouden hartstochten tot depressie kunnen lijden? Onvervulde hartstochten misschien, teleurgestelde verlangens, opgegeven hoop en ambitie? Teleurstelling eerder dan onderdompeling in het gevoel, in dromen, in openbaringen zoals Nietzsche vermoedde. Maar de scheidslijn tussen waanzin en normaliteit is haardun.

Joke Hermsen is vooral op zoek naar een tijd voor het bewustzijn ervan: een voor-tijd, een tijd zonder opeenvolging, zonder vertaling in een materialiteit. Een tijd ook, een besef van tijd die alle andere vormen van waarneming zou kunnen dragen en die de diepere bron vormt voor het zelf. Aansluitend bij Lyotard zoekt zij in zijn opvattingen hiervoor een filosofische onderbouwing. Het lichaam zou de weg kunnen wijzen, ook voor het denken. “Zonder pijn, zonder hartstocht, zonder gevoel geen nieuwe gedachte. Maar ook zonder voorgeschiedenis geen nieuw inzicht….Nieuwe inzichten kunnen alleen verkregen worden indien men is staat is vóór de geschiedenis van de bewuste identiteit te grijpen.” (pag. 253-254)

Hermsen vraagt dan naar het soort voorgeschiedenis en waaruit deze bestaat. Zijn het jeugdherinneringen, onbewust vastgehouden ervaringen, of is het een tijd als de Bergsoniaanse tijd als duur, voortduring? Hermsen kan hierop geen antwoord geven en grijpt weer naar Lyotard: “In ieder geval houdt de tijd van de voorgeschiedenis, van onze pretalige ‘prehistorie’, verband met het denken, stelt Lyotard, en wel om verschillende redenen. Allereerst kan een creatief denkproces volgens hem pas een aanvang nemen als er een leegte geschapen wordt, die hij een ‘soort opschorting van de gebruikelijke intenties van de geest’ noemt. Deze opschorting vindt plaats als men besluit zich niet concreet op iets te richten, geen doelbewuste handeling of inzicht nastreeft, maar alleen bij het leeg worden van de geest – c.q. het ‘het afstropen van oude inzichten’ – durft te verwijlen. Deze lediging of opschorting van de geest staat als het ware haaks op de ‘identificerende praktijk van de kennisverwerving’ en gaat volgens Lyotard gepaard met lijden. Het nog niet gedachte, nog niet gegevene, doet pijn, omdat de comfortabele positie van het reeds gedachte verlaten wordt en er voor de geest even geen houvast is. De pijn van het denken is dus niet een van buitenaf komend fenomeen dat zich nestelt in de geest, maar de pijn is het denken zelf in de mate ‘waarin het besluit besluiteloos te zijn, in zoverre het juist niets wil zeggen op de plaats van dat wat betekend moet worden.’ Als de geest in staat is zich van oude inzichten te ontdoen en vervolgens alleen maar af te wachten, dan bestaat volgens Lyotard de mogelijkheid dat er een ‘open plek wordt vrijgemaakt waar de schemering van het bijna gegevene kan binnenvallen.’

Op deze open plek krijgt ‘de geest geen regels opgelegd, maar wordt hem slechts geleerd zich open te stellen’. Dit opschortende karakter van het denken doet pijn, omdat de geest lijdt aan het ontheemd zijn, aan het zich niet kunnen verschuilen in reeds verworven zekerheden.” (pag. 245-255)

Het ontbrekende doet dus volgens Hermsen in het spoor van Ernst Bloch pijn. De leegte is een pijnlijke leegte zonder houvast voor de geest. Maar wat is de geest in deze? Is het de ratio die grenspaaltjes, ankerpunten, vaste grond onder de voeten moet hebben in de vorm van oordelen, betekenissen? En als deze worden opgeschort, afgedaan, weggegooid, illusoir blijken te zijn, raakt de geest, de ratio in verwarring omdat elk houvast ontbreekt. Gaat het zo? Het uitstellen van betekenis, het opschorten ervan, het lijdzaam toekijken zonder houvast, het ondergaan van de leegte, die dan ook een innerlijke leegte is, want er is geen betekenis, geen innerlijke dialoog, is dus in dit licht een proces van lijden, van pijn ervaren. Het is tegengesteld aan wat ik boven beweerde over de macht van de gedachten in de depressie. Hier zijn de gedachten machteloos, leeg, worden ze niet gevuld. Dit duidt meer op de Boeddhistische leegte die de schijn van de illusie, de ‘maya’ achter zich heeft gelaten, of daar in ieder geval een poging toe doet.

Lichaam en geest, ratio en pijn in het ondergaan van de werkelijkheid verdient meer onderzoek dan nu op dit moment plaatsvindt. De weg die Hermsen is ingeslagen in haar boek over de tijd verdient navolging, verdieping en uitwerking.

 

John Hacking

23-8-2011