We zijn slechts een episode

Duurzaamheid in perspectief

 

John Hacking

 

 

De samenleving is maakbaar, tot op zekere hoogte. De technische mogelijkheden nemen elke dag toe. Wetenschap en techniek veranderen onze leefomgeving op ingrijpende wijze, zeker als wij deze vergelijken met oudere periodes uit de menselijke geschiedenis. We leven globaal en minder lokaal, de mogelijkheden lijken bijna eindeloos om onze leefwereld reëel en virtueel te verkennen. Maar de samenleving is minder maakbaar dan we tot nu toe dachten. Niet alles is beheersbaar én er zijn veel neveneffecten van menselijk ingrijpen. Op het terrein van het leefmilieu en milieubeheer wordt dit schrijnend zichtbaar. Niet alleen afvalbergen, verwoesting van het natuurlijke leefmilieu van talloze dieren en planten en uiteindelijk ook mensen, de waarschijnlijke opwarming van de aarde, de verspreiding van virussen, de vervuiling veroorzaakt door wapengeweld in olierijke landen leggen hiervan getuigenis af. Ook ons persoonlijk en sociaal leefmilieu draagt meer en meer de sporen van een onbeheersbare situatie. De financiële crisis die ook een Europese politieke crisis is, het geweld veroorzaakt door terroristische groeperingen en de onzekerheid hieromtrent, de beheersbaarheid en onbeheersbaarheid van kennis verspreid via internet, bijvoorbeeld op het terrein van wachtwoorden, privacy, cyberwar, de productie van virussen, etc., maken duidelijk dat wij een wereld in overgang zijn, een overgang naar een toekomst die anders dan voorafgaande eeuwen waarschijnlijk radicaal zal gaan breken met al het vanzelfsprekende wat we tot nu toe aan vertrouwds kenden. Vertrouwd waren bijvoorbeeld de plek waar je opgroeide, woonde en vaak een groot  deel van je leven doorbracht. Vertrouwd was het feit dat je een zekere levensverwachting had binnen bepaalde biologische grenzen. Vertrouwd waren ook de sociale relaties die niet virtueel werden onderhouden in contacten. De ontdekkingen in wetenschap en techniek rommelen
aan die grenzen: wonen kan overal zelfs buiten de aarde, en als je de visionaire geluiden van sommigen serieus wilt nemen is ook het lichaam zelf zeer relatief. Lichamen gekoppeld aan machines, aan computers, aan netwerken van kennis zullen in de nabije toekomst mogelijk zijn. Misschien wordt het lichaam zelfs wel overbodig. Maar zover is het nu nog niet. Het is nog “science fiction”.

 

Nu is het nog een feit dat wij sterven. De dood maakt een einde aan ons gedrag, ten kwade en ten goede. Onze menselijke existentie wordt nog door de dood ingeperkt. Onze ambities stranden op dit doodsstrand. Nu zijn we (slechts nog) een episode in een groter geheel, van voorbijgaande aard. Dat kleurt waarschijnlijk ook ons perspectief op een begrip als duurzaamheid en duurzame ontwikkeling. Waarom je inzetten voor duurzaamheid als je leven zo beperkt is, je levenstijd zo kort? Meteen maken deze twee vragen duidelijk dat niet alleen ons ethisch denken maar ook ons praktisch handelen in het geding is. Wie zijn wij, wat en wie willen wij zijn, voor onszelf, voor elkaar, voor hen die na ons komen? Omdat we al zo weinig bestand zijn tegen alle bedreigingen, moeten we ons dan extra druk maken over een tijd na onze dood? “Na ons de zondvloed?” Misschien is dat wel één van de redenen dat wij soms niet verder kijken dan onze neus lang is, dat we nog niet de negatieve effecten van ons handelen doorbereken in de kost- prijs van producten zoals vliegreizen, gebruiksartikelen en noem maar op. Als je gaat beseffen dat de winning van zeldzame metalen die nodig zijn voor onze computers en telefoons een ontwrichtend effect kan hebben op talloze regio’s in Afrika ga je misschien toch nadenken over de vraag waartoe onze consumptiepa- tronen leiden, welk gevolg ons koopgedrag heeft en wat ervoor nodig is om een maatschappij als de onze in stand te houden en voortdurend te laten groeien.

 

Duurzaamheid is geen zaak van de korte termijn; werken aan duurzaamheid verlangt een lange adem. Jan Jonker sprak bij zijn benoeming tot hoog- leraar Bedrijfskunde, in het bijzonder Duurzaam Ondernemen, aan de Faculteit der Managementwetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen, de wens uit dat duurzaamheid niet meer als een randvoorwaarde moet worden beschouwd in het economisch proces, maar als een kernwaarde, zelfs als een over- koepelende waarde. Duurzaamheid wordt daarmee zelf tot doel van menselijk handelen. Hij pleitte voor een “meervoudige waardencreatie” in het economisch proces. Dat begint met het besef dat een onderneming onderdeel is van de samenleving en daarvoor ook verantwoordelijkheid draagt. Het leidt ertoe dat niet alleen gekeken wordt naar winst en financieel rendement van een onderneming maar dat ook negatieve effecten worden tegengegaan en in de uiteindelijke kosten worden meegenomen.

 

Maar wat is duurzaamheid? Wat is duurzame ontwikkeling na deze korte exercitie? Hoe kunnen we het begrip omschrijven, afbakenen, betekenis toeken- nen? Ik vermoed dat het van eenzelfde categorie is als het begrip vrijheid. Ook dat is als abstractum vaag en onbepaald en wordt pas concreet en toepasbaar in menselijke relaties en menselijk gedrag. Is een vogel vrij? Het is een verkeerde vraag. Is een vogel duurzaam? Idem. Vrijheid en duurzaamheid zijn menselijke categorieën, zij hebben betrekking op mensen en een samenleving bevolkt door mensen. Andere levende wezens die deel uitmaken van die samenleving zoals dieren en planten dragen de gevolgen van menselijk handelen maar zijn niet het subject van vrijheid en duurzaamheid. Het subject is en blijft de mens. Dat be- tekent ook dat de menselijke maat bepalend is in dit denken en handelen gericht op duurzaamheid of op vrijheid. De menselijke maat is een basisvoorwaarde om mee te starten. Anders verliezen wij de greep op de inhoud van deze begrippen. Een populaire omschrijving dat duurzaamheid te maken heeft met “Planet, People, Profit” of met “Planet, People, Prosperity” en daarmee samenhangend met “Environment, Economy, Ethics” en andere varianten, loopt het gevaar het feit te miskennen dat de menselijke maat door de abstrahering van de begrippen onzichtbaar blijft. De planeet, de mensheid, het welzijn: het zijn te grote begrippen om te bevatten, of om concreet hiervoor een actieplan te formuleren waarbij deze grootheden positief recht wordt gedaan in de zin van de opstellers. We kunnen de planeet en de mensheid niet redden. Ze zijn te groot voor ons bevattingsvermogen. En als we het toch willen confronteren deze grootheden ons met de onmogelijkheid van ons ingrijpen en onze wil om te beheersen. Onze drang tot beheersing, aanpassing en onder controle willen houden loopt erop stuk. Velen zijn dan ook teleurgesteld afgehaakt omdat ze de lat te hoog hebben gelegd bij de bestrijding van negatieve effecten van onze economie en de ombuiging naar een duurzame aanpak.

Is duurzaamheid dan een aporie, een doodlopende weg, of een “Holzweg” zoals Martin Heidegger bepaalde wegen noemde? Geen echte weg, maar een tijdelijke weg die wel hout oplevert, maar die op een bepaald moment doodloopt in het bos? Voor de filosofie is de dood de grootste aporie.

 

Wat we tot nu toe ook bedenken, deze weg laat zich niet ontkennen, niet vermijden, niet aanpassen. Wat er ook aan filosofisch gedachtegoed is ontwikkeld in de loop der tijd, de dood vormt een natuurlijke grens waar de filosoof niet overheen kan klimmen. Dat accepteren is al een hele winst want het zet de filosoof met beide benen op de grond. Als duurzaamheid vanuit menselijke perspectief ook een aporie is omdat we als mens slechts episodisch zijn, dan betekent dat niet dat wij duurzaamheid dan maar moeten negeren. De negatie van de dood levert veel ellende op, de negatie van duurzaamheid idem. Als duurzaamheid de omgekeerde invulling van dood is, maar ook voor ons mensen onbereikbaar, onpeilbaar, onkenbaar vanuit ons huidige perspectief als levend subject, dan is er veel te winnen als wij duurzaamheid serieus nemen. Niet in het laatst voor hen die na ons komen en die deze wereld in de toekomst gaan bewonen. In het ‘Brundtlandrapport’ (de naam waaronder het rapport Our Common Future uit 1987 bekend is geworden) geschreven door de World Commission on Environment and Development (WCED) staan de behoeftes voor nu en de toekomst centraal. Milieuproblematiek wordt in dit rap- port in verband gebracht met armoede en consumptiepatronen (van de “rijke landen”). Het rapport roept op tot “duurzame ontwikkeling”. Maar hoe worden behoeftes van nu en van later gedefinieerd en wat wordt er concreet ondernomen om die omschreven behoeftes te vervullen? Wat wordt er bijvoorbeeld concreet aan het armoedevraagstuk en wat aan het consumeren gedaan, om het maar even heel erg breed te stellen? Vaak leiden deze oproepen in allerlei commissie van de Verenigde Naties tot een bepaalde vorm van handelen. De wetenschappelijke / economische ratio gaat vervolgens aan het werk om genoemde behoeftes enigermate en bij benadering te vervullen. Er komen wereldwijde programma’s zoals de “groene revolutie” in ontwikkelingslanden of een programma om de bevolkingsgroei af te remmen door geboortebeperking. Kortom, men gaat met veel enthousiasme en veel “effort” aan de slag, er verschijnen dikke rapporten en men vliegt de wereld over om de conclusies te implementeren waar dat mogelijk is. Ik schilder deze complexe processen heel zwart-wit en erg kort door de bocht. Maar dat doe ik met opzet om te laten zien dat aan een belangrijke vraag voorbij wordt gegaan, namelijk of deze inzet van middelen wel tot de gestelde doelen zal leiden. Want de doelen zijn niet helder omdat het zicht op de toekomst ontbreekt, de finaliteit van duurzaamheid is net als de finaliteit van de dood onbepaald. Wat zijn behoeftes van een toekomstige generatie? Wat zijn behoeftes in het licht van de huidige technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen? Veel blijft onopgelost. Daarom is voorzichtigheid geboden als we processen in gang zetten die onomkeerbaar zijn.

 

Er moet nog veel (denk)werk worden verricht, ook door filosofen. Veel is nog onhelder, niet afgebakend, onbekend met betrekking tot duurzaamheid. Duurzaamheid als besef van schaarste kan als nieuw paradigma gaan functioneren in ons economisch, technisch en wetenschappelijk handelen. Als onze planeet voorlopig ons enige woon- en leefgebied is moeten we anders gaan denken en handelen. Bijvoorbeeld diverse processen die nu nog lineair en onomkeerbaar zijn omvormen naar circulaire processen zodat recycling de norm wordt, de normaalste zaak van de wereld. In plaats van een “I-economy” kunnen we een stap zetten naar een “We-economy” waarin economische processen een bijdrage leveren aan relationele vormen van samenleven in plaats van nadruk te leggen op consumptie van goederen die autonomie, individualiteit, onderscheid en ik- gerichtheid bevorderen en stimuleren. Is helder welke industrieën ons leven bepalen en welk impact deze hebben op onze zingeving, onze spiritualiteit, onze inzet voor de samenleving? Deze industrieën kleuren niet alleen ons leven maar zijn ook vaak medebepalend voor onze consensus over normen en waarden, over hoe onze toekomst eruit moet gaan zien. In een wereld waar iedereen met ieder- een virtueel verbonden raakt, spelen naast fysieke verbondenheid (bijvoorbeeld een sportteam) of ideologische verbondenheid (bijvoorbeeld een nationaliteit) ook andere mechanismen een rol. Virtueel gaan nieuwe werelden voor ons open, maar het blijft niet bij virtualiteit alleen. Er is wel degelijk een impact op de fysieke, psychische en rationele wereld van het individu en de groepen waartoe dit behoort. Het doet iets met je denken, je voelen, je existentie. Het is geen vrijblijvend amusement. Er zijn belangrijke spelers in de virtuele wereld die in de communicatienetwerken van zich laten horen en die hun invloed doen gel- den. Wetgeving rond privacy op dit terrein staat nog in de kinderschoenen. Net alsof je aan een middeleeuwer uit moet gaan leggen hoe een vliegtuig bestuurd moet worden of een spaceshuttle. Elke dag neemt de complexiteit toe en de beheersbaarheid en voorspelbaarheid via wetgeving en regelgeving komt mijlen achteraan. Wat we ook aan middelen inzetten, aan censuur, aan controle, deze complexe systemen zullen waarschijnlijk nooit echt beheersbaar worden, willen we niet in een wereld terechtkomen waar “Big Brother” aan de touwtjes trekt.

 

Als de grondstoffen schaarser worden en als het bezit van strategische grondstoffen macht en welvaart opleveren staan ons misschien nog oorlogen te wachten omwille van deze goederen. Hoe zit het met de relatie tussen duurzaamheid en geweld in dit licht? Geopolitieke verschuivingen op aarde vinden al lang plaats, maar nu dreigt Europa als belangrijke plek op de wereldkaart marginaler ter worden, omdat onderling nationalistisch gekrakeel een gezamenlijk optreden frustreert. De relatie tussen duurzaamheid en ruimte, tussen duurzaamheid en tijd in het algemeen, maar vooral ook in het bijzonder van de huidige ontwikkelingen is nauwelijks filosofisch onderzocht en bereflecteerd. Hier ligt een berg aan werk. Werden mensbeelden tot nu toe vooral vanuit een antropocentrisch perspectief ingekleurd, nu is het tijd om ook andere perspectieven in te nemen zoals
een biocentrisch, een technocentrisch of een cybernetisch perspectief. Wat stelt de aarde en de mens voor in de ontwikkeling van de kosmos?
Jean François Lyotard spreekt over een kosmische catastrofe als de zon ontploft. Alle vragen rond het menszijn, alle filosofie is in één klap overbodig. Maar zover is het nog niet en het perspectief is wel erg ver voorruit geplaatst. Miljarden jaren verder is er misschien helemaal geen aarde en geen mens meer om opgezogen te worden in deze ondergang.

Odo Marquard spreekt over de mens als een homo compensator. De mens is uit op het bevredigen van zijn behoeftes en wil alle gebreken en tekorten, elk tekortschieten compenseren. Als veel van ons consumptiegedrag gekleurd is door de wens om tekorten te compenseren, aan te vullen, op te heffen, hoe moeten wij dan rigoureus de koers verleggen als consumptie ook veel negatieve bijeffecten heeft zoals boven reeds aangegeven? Veel groepen in de samenleving die kritisch staan ten opzichte van onze economie die op groei is gebaseerd door consumptie dringen hier op aan. Maar wat is hier de koers, wat is verleggen, wat is rigoureus? Ook hier geldt weer dat de complexiteit en de verwevenheid van de systemen roet in het eten gooien bij veel mooie plannen. Als verspilling een soort van weeffout is in onze economie – een vorm van groei die zich niet laat inperken omdat we anders financieel armer worden, omdat we economisch gezien achteruit gaan – dan is dat niet meteen opgelost met de investering in duurzamere producten. Duurzaamheid en verspilling, duurzaamheid en consumptie, duurzaamheid en soberheid, welvaart, en de acceptatie dat minder ook goed kan zijn, het zijn net zoveel mogelijkheden als onmogelijkheden om te realiseren. De ambivalentie in het denken dat onze rationele beslissingen doorslaggevend zullen zijn tegenover het idee dat passiviteit soms beter is (de aarde zou het beste af zijn met een mensheid die uitsterft) maakt de zaak er niet makkelijker op. Veel politici geloven nog in het sprookje van de beheersbaarheid en stellen wetgeving voor om de toekomst in goede banen te leiden, maar ook zij hebben geen zicht op het tempo van de ontwikkelingen en de complexiteit ervan. Ook de politiek holt mijlen achteraan. Het is teveel, te ingewikkeld, te snel en te onoverzichtelijk om op te anticiperen. In die zin is ook duurzaamheid een echte aporie die onbeheersbaar blijft. Accepteren dat het zo ligt en roeien met de riemen die je hebt blijven dan over, ook voor de filosoof. De toekomst is ongewis. Maar dat betekent niet dat we haar visieloos of zonder principiële keuzes vooraf tegemoet moeten treden. Vrijheid ontwikkelt zich meestal gaandeweg. “Rethinking relations, rethinking freedom, rethinking sustainabilty” is een proces dat voortdurend moet plaatsvinden. Misschien ligt daar wel de echte uitdaging voor de toekomst.

 

gepubliceerd in: Splijtstof Jaargang 40, nummer 3 Jubileumnummer 2012 pag. 41-46