Het dubieuze zelf

 

Het dubieuze zelf

 

Heb ik mijzelf, heb ik een zelf, ben ik een zelf, ben ik zelf? Met deze vragen zitten we midden de problemen want hebben en zijn, zijn beiden werkwoorden die niet de lading dekken als het over het zelf gaat, of beter over wie ik als zelf ben of welk zelf ik heb. Het begrip ‘zelf’ is vaag en nauwelijks objectief te definiëren omdat ikzelf in het spel ben, maar de begrippen hebben en zijn, zijn net zo vaag als het om het zelf gaat. Wat ben ik als ik een zelf ben? Ben ik dan iets? Wat dan? Wat heb ik als ik mijzelf heb, of als ik een zelf heb (wat niet hetzelfde is). Kan ik wel iets hebben in de trant van een zelf en heeft hebben niet veel meer te maken met een concreet iets dat je bijvoorbeeld in je handen kunt hebben of dat overdrachtelijk gebruikt ‘onder je leden’ zit zoals een ziekte. (Trouwens ook een vreemde manier van uitdrukken als je er stil bij staat). Ik heb honger, is de uitdrukking van een lichamelijke gewaarwording gekoppeld aan een betekenis die op eten slaat, op de behoefte om te eten, om het hongergevoel te beëindigen, of om aan het verlangen naar eten te voldoen. Ik heb een zelf is een uitdrukking waar kop noch staart aanzit want ik kan het aan niemand, zelfs niet aan mezelf laten zien, horen, ruiken, voelen, ervaren. Of we moeten maar voetstoots van elkaar aannemen dat we allemaal een zelf hebben en daar niet langer bij stilstaan en dan een psychologisch bouwwerk op deze veronderstelling neerzetten.

Ik ben een zelf ligt in dezelfde grootte van het hebben van een zelf. Ik ben zelf laat eerder zien dat je bent, dan dat er een zelf is. Of er is een zelf dat zich achter het ‘ik ben’  gaat verschuilen, of dat zich als een ‘ik ben’ laat zien. Wie zal het zeggen? Beiden lijken me even onwaarschijnlijk als waarschijnlijk. Het cogito van Descartes dat gebaseerd is op de conclusie dat het ‘ik twijfel’ dus noodzakelijk verwijst naar een ik dat twijfelt en er dus moet zijn, of een ik dat denkt en dus er zo is, als denkend wezen, zegt niets over dit zelf. Maar “ik denk, (dus) ik ben” is in zeker zin ook een tautologie. Ik denk: wat is dat dan, denken? En wat is ik in deze constructie? Een zelf dat ik zegt? We kunnen het woord zelf vervangen door ‘subject’ maar daarmee is het probleem niet opgelost. Dat is dus geen uitweg. In het ‘ik ben’ is niet alleen het ik “fragwürdig” maar ook het woord ‘ben’. Wat is een ik dat is, dat “ben’t” om het maar een Heideggeriaans uit te drukken? Wat is een ‘zijnde ik’ dat zijnt, dat is? Ook Heidegger is er mijns inziens niet in geslaagd de vinger op het begrip zijn te leggen. Het zijn blijft een vreemde onachterhaalbare categorie, hoeveel moeite hij ook gedaan heeft in “Sein und Zeit” om het te ‘vangen’. Net zoals Kant niet de vinger kon leggen op het ding ‘an sich’, zo Heidegger niet op het ‘Zijn’. Daarom haalde hij het trucje uit om te spreken over ‘Dasein’ als een afgeleide, een van de vele vormen van zijn waar het de mens betreft. “Er zijn” – is het ik er? is het zelf er? heeft het ik een zelf? ben ik er? Natuurlijk ik ben er want ik schrijf, maar dan moet ik eigenlijk zeggen: omdat ik schrijf zou je kunnen concluderen dat er iets moet zijn dat schrijft en dan zitten we weer in het straatje van Descartes. Wat is schrijven? Misschien is dat iets meer zichtbaar dan denken, en is het resultaat op papier (of waarop dan ook) iets meer tastbaar, – maar de vruchten van het denken zijn ook niet uit te vlakken – en toch blijft het discutabel en weten we eigenlijk ook niet wat schrijven is. Edmond Jabès heeft o.a. zijn hele leven hieraan gewijd om achter het antwoord te komen op de vraag ‘wat schrijven is’. Hij is er niet uitgekomen. En ik kom er ook niet uit, net zo min als op de vraag wat zijn is, wat hebben is en wat denken is. Dus het zelf (wat het dan ook moge zijn) blijft dubieus. Daar moeten we het dan maar mee doen.

 

John Hacking

24 augustus 2012