globaal digitaal zelf

Effecten van globalisering op het zelf-verstaan van het subject (als digitaal zelf) – enkele overpeinzingen.

In het openingsartikel van het introductienummer van de  41e jaargang van het blad Spijtstof (2012), beschrijft Amarantha Groen de relatie tussen concepten van vrouwelijkheid en de in haar ogen vaak somatofobische houding van veel filosofen in de Westerse filosofie ten aanzien van het lichaam. Onder dit laatste verstaat ze “[…] hardnekkige lichaamsvergetelheid , of zelfs de minachting voor lichamelijkheid in de filosofie”.

Het globaal zelf is een digitaal zelf

Groen houdt in dit essay een pleidooi om recht te doen aan de vrouwelijke lichamelijkheid zonder dat de vrouw gereduceerd wordt tot haar lichaam. Ik stem grotendeels in met haar kritiek op de somatofobische houding van veel filosofen. Maar het geldt niet alleen voor de vrouw maar uiteindelijk ook voor de  lichamelijkheid van de man. Ik  streef ernaar om lichamelijkheid in het algemeen tot thema te maken van de filosofie. Want (ook) in mijn ogen is de lichamelijkheid van de mens als zodanig een schromelijk verwaarloosd onderwerp in het filosofisch discours. In mijn essay “Wereldbeeld en zelfbeeld. Het lichaam als auto-topie. Een zoektocht naar God in het lichaam” beargumenteer ik waarom het noodzakelijk is om een hernieuwde thematisering van de menselijke lichamelijkheid binnen de filosofie te starten. In mijn ogen is veel geweld in de menselijke geschiedenis te herleiden tot het feit dat wij de lichamelijkheid van de ander, onze medemensen minder nauw nemen dan onze eigen lichamelijkheid (en kwetsbaarheid). Het lichaam van de ander is ‘minder waard’ en kan daarom makkelijker worden afgedankt. Wat ik hier in enkele zinnen neerzet werk ik in dit essay grondig uit vanuit de grenservaringen in omgang met dood en lijden in de beide wereldoorlogen en de praktijk van het martelen. Zij leveren hiervoor het bewijs. Ik laat daarmee ook zien dat de somatofobische houding niet zonder gevolgen blijft in de geschiedenis. In dit essay verken ik de nieuwe mogelijkheden van de kijk op het menselijk lichaam vanuit de veranderende technieken. Kunstenaars die met hun eigen lichaam experimenteren en zo de grenzen verkennen van hun lichamelijkheid.

De digitale werkelijkheid waarin wij langzamerhand meer en meer verstrikt raken werpt weer een ander licht op de beleving van onze lichamelijkheid.  Een pleidooi om de lichamelijkheid van de mens vandaag de dag au sérieux te nemen moet rekening houden met deze nieuwe technieken en mogelijkheden om onze existentie als subjecten gestalte te geven. Deze technieken houden geen halt bij de grens van het lichaam en het gesitueerd zijn van het lichaam op een bepaalde plek en in een bepaalde tijd vormen geen enkele hindernis meer.

Ik gebruik het begrip verstrikking in relatie tot de digitale werkelijkheid want deze term drukt exact uit wat er aan de hand is. Het is niet de letterlijke Bijbelse strik (of als u wilt uit de Zauberflöte) van de vogelvanger maar de virtuele strik van het internet of de relaties die wij digitaal aangaan via onze computersystemen en mobiele telefoons. Verstrikking wil zeggen dat je eenmaal ingelogd niet meer terug kunt naar een fase daarvoor. Eenmaal geregistreerd ben je voorgoed ‘verkocht’ aan de organisaties die nu jouw gegevens beheren en verder exploreren. Alleen je lijfelijke dood zou een einde kunnen maken aan je digitaal voortbestaan als alle gegevens die jij tijdens je leven hebt doorgegeven gewist zouden kunnen worden. Daarbij zal dat laatste zal wel illusoir blijven omdat het niet waarschijnlijk is dat elk spoor van je digitale existentie gewist kan worden zolang het spel van de ‘nulletjes en de eentjes’ blijft voortbestaan.De thematisering van het lichaam binnen de filosofie met het oog op de digitale activiteiten van een subject mét of inclusief lichaam is een uitdaging want we staan aan het begin van een echte digitale revolutie. Onze wereld zal nooit meer hetzelfde zijn. Er zijn zelfs mensen die spreken van een ontwikkeling naar een ‘globaal brein’, een concept in transhumanistische kringen, waarin het individuele bewustzijn uiteindelijk op zal gaan. Zij schrijven het lichaam en de lichamelijke existentie wel erg snel af. Ze doen daarmee in feite hetzelfde als de filosofen die de lichamelijkheid niet serieus nemen. Zover wil ik hier niet gaan, maar de effecten van de digitale werkelijkheid en de uitwerking op het zelf-verstaan van het subject en zijn identiteits-beleven zullen groot zijn omdat er ongekende nieuwe mogelijkheden opduiken om jezelf te manifesteren. In mijn essay spreek ik over het ‘uitgesmeerde’ lichaam als metafoor om deze nieuwe ontwikkelingen te beschrijven. Hierbij wil ik nu stilstaan.

Wat betekenen deze nieuwe digitale ontwikkelingen en het ontstaan van een digitaal zelf voor het zelfbewustzijn van het subject? Wat betekent het voor de ervaring van de eigen identiteit? Wat voor de articulatie van het zelf als concept? En wat voor de inter-relationele banden met andere subjecten? Dat zijn moeilijke en omvangrijke vragen die zeker niet in dit bestek beantwoord kunnen worden maar het is wel goed om ze te stellen omdat ze de aandacht scherpen voor de nieuwe kansen en nieuwe gevaren van deze ontwikkelingen. En zoals altijd hollen wetgeving en ethiek erachteraan. Want onze burgerlijke wetgeving heeft nog zover ik weet geen nieuwe paragrafen met betrekking tot de digitale aspecten van het burgerzijn, de problemen rond privacy en veiligheid van persoonlijke gegevens. De ethische discussies begeven zich nog niet echt op het terrein van de effecten van de koppeling tussen lichaamsgegevens en digitale werkelijkheid buiten misschien de discussie over het elektronisch patientendossier. Maar dit dossier stelt nog geen koppeling voor tussen de resultaten van een bodyscan en DNA-profiel en de virtuele verwerking daarvan. Stel dat mijn lichaamsstructuur zoals die is vastgelegd in mijn DNA, gekoppeld wordt aan mijn digitale identiteit zoals die bij overheid en sociale media bekend is, bij mijn verzekeraars en mijn werkgevers, kortom een samenvoeging van mijn tot nu toe virtuele identiteiten met mijn lichamelijke identiteit, wat zijn dan de gevolgen? Is mijn lichaam een gevangenis, een nieuwe kooi, een afleesbaar geheel waaruit verzekeringen risico’s af kunnen leiden voor de hoogte van hun premies, waaruit de overheid kan besluiten dat ik een risico vorm voor de maatschappij op basis van mijn eerdere uitlatingen in blogs en media? Maakt men een psychologisch profiel over mij aan dat in diverse situaties geraadpleegd kan worden bij een sollicitatie, een hypotheekverstrekking, een classificatie ten behoeve van onderzoek of ten behoeve van mogelijke ‘ isolatie’ als ongewenste ‘vreemdeling’? Kortom een oerwoud van problemen duikt op dat in de verste verte nog niet verkend is door onze beleidsmakers en wetenschappers.

Nu kan ik nog de illusie koesteren van een zekere mate van vrijheid omdat mijn lichamelijke gegevens nog niet zo gekoppeld zijn dat er geen ontsnappen mogelijk is zoals boven beschreven. Maar in feite is onze identiteit al langer ook een digitaal gegeven. Het feit dat we geregistreerd staan op vele manieren levert daarvoor het bewijs. Onze activiteiten op internet, ons gebruik van de mobiele telefoon, de smart-phone (die slim alles van ons doorgeeft wat we hebben ingesteld), onze prestaties in de vorm van publicaties, zij vormen net zovele digitale sporen van ons bestaan, net zoveel digitale bewijslast voor onze existentie buiten ons lichaam. Onze digitale identiteit is tevens een globale identiteit want er zijn in principe geen echte grenzen meer, geen afgesloten (papieren) archieven waar niet iedereen bij kan. Mijn gegevens zijn over de hele wereld opvraagbaar, ik ben traceerbaar, mijn identiteit is in die zin globaal geworden. Dat is volgens mij ook een van de pregnantste effecten van globalisering namelijk dat je jezelf niet meer kunt verstoppen. Je bestaat digitaal, dus je bent vindbaar, op te sporen, en vervolgens te beïnvloeden. Je bent deel van talloze netwerken en verbanden en je bent niet meer in staat om dit ongedaan te maken hoe graag je ook zou willen.

Michel Foucault sprak in de zestiger jaren van de vorige eeuw over het feit dat de relationele ruimte de meest belangrijke categorie geworden is in onze samenleving en daarmee bedoelde hij het ingebed zijn van het individu in ruimtelijke relaties, relaties die niet meer gebonden zijn aan een vaste plek, een grootheid aanwijsbaar in ruimte en tijd die voor eeuwig existeert zoals de hemel en de aarde vaststonden in het middeleeuws denken. Het relationele karakter van onze relaties, de verbanden die wij aangaan gedurende ons leven, de fasen die wij ruimtelijk gezien doormaken door op plaatsen te verkeren die een soort van doorgang zijn, van vorming, een ‘kneden’  van het individu, zoals school, kazerne, schip, die verbanden/netwerken kleuren nu vooral ons leven. Foucault sprak van heterotopieën om die doorgangsplekken te omschrijven.

Naar aanleiding van die term ben ik op het begrip auto-topie gekomen om de positie van het zelf in het lichaam te omschrijven: het zelf woont metaforisch in het lichaam en is er deel van. Ik behelp me met een eenvoudige omschrijving van dit zelf want het is een concept met vele haken en ogen. Ik sluit daarbij voor het gemak aan bij de omschrijvingen die Charles Taylor geeft in zijn werk “Bronnen van het zelf”. Kenmerkend voor het concept van het zelf is het feit dat het zelf bewust is van zichzelf en de wereld waarin het leeft. Het zelf is dus vooral een ‘zelfbewustzijn’. Ook het begrip bewustzijn is niet helder want wat is ‘bewustzijn’? Is het een beschrijving van een activiteit die plaatsvindt maar waarvan de termen ‘bewust’ en ’zijn’ niet goed gedefinieerd zijn, maar die wij toch maar gebruiken omdat we niets beters hebben en omdat het gemakkelijk is? Mijn standpunt is dat het zelf  als zelfbewustzijn zich bewust is van zijn lichamelijkheid, het stoelt er op, het zou waarschijnlijk niet kunnen bestaan zonder dit lichaam. Het lichaam is een auto-topie: het levert het zelf de basis om over zichzelf en de wereld te reflecteren en te existeren als een vorm van bewustzijn.

Als dit lichaam, deel gaat nemen via zijn zelf(bewustzijn) aan werkelijkheden die op het eerste gezicht geen direct verband meer houden met zijn lichamelijke existentie zoals de virtuele werkelijkheden, dan moet dat wel gevolgen hebben voor de opvattingen over het lichaam, over het bewustzijn en het zelf. Op dit moment is het zo dat het zelf nog sturend is in de virtuele activiteit van het subject. Dat zelf stuurt via zijn lichaam, er zit iemand aan de knoppen en achter het scherm. We zijn nog niet direct met onze hersenen verbonden aan een computer die bijvoorbeeld onze bevelen uitvoert op basis van gedachten en waardoor we met de hele wereld van het internet zijn verbonden. Maar komt er een tijd dat deze stap kan worden overgeslagen, dat mijn lichaam doet en handelt zonder dat het zelf als beslissende en sturende instantie hier tussen zit?

Er is al veel technisch mogelijk. Je kunt bijvoorbeeld denken aan toevoegingen aan dit lichaam die niet direct virtueel zijn maar die wel mogelijkheden scheppen om met het lichaam te handelen. Bijvoorbeeld de inplanting van chips in het lichaam (hersenstam) waardoor gedachten gestuurd kunnen worden om lichaamsdelen te bewegen die het eerst niet deden (door ziekte of een ongeval). Inplanting van chips om ook virtueel te acteren zodat op je netvlies de gewenste route, de favoriete restaurants, en noem maar op (via bijvoorbeeld augmented reality) verschijnen. Of inplanting van chips waarin ook je persoonlijke kenmerken zijn vastgelegd waardoor je overal herkenbaar bent als je door een toegangspoortje gaat of langs de scanner van een winkel. Je koppelt jezelf aan je boodschappenkarretje en alles wordt geregistreerd wat er in je kar komt en automatisch wordt het van je rekening afgeschreven. Die techniek is er al. Alleen de koppeling met jou als individu, met jou als lichaam is nog niet voltrokken. Dat zijn echter allemaal details in vergelijking met de mogelijkheden en gevaren die voor onze deur staan als de wereld zoals wij die nu nog lichamelijk ervaren echt gaat kantelen.

Als onze digitale identiteit echt een feit is waarbij lichaam en virtualiteit samenvallen, dus als mijn virtualiteit en mijn lichaam niet meer te onderscheiden zijn omdat ze onlosmakelijk zijn gekoppeld, wie en wat ben ik dan? Het begin van een robot? Of onderdeel van een nieuwe supercomputer? Gaan we de kant op van wat de transhumanisten noemen een superbrein? En als mijn digitale identiteit de belangrijkste identiteit wordt en mijn lichamelijke bestaan slechts als tweederangs wordt opgevat. Wie beschermt me als wij digitaal worden aangevallen en gemanipuleerd? Wie voorkomt dat mijn identiteit kan worden gestolen en misbruikt, iets wat nu al dagelijks plaatsvindt bij cybercriminaliteit?

Begrippen als vrijheid, autonomie, heteronomie, privacy, macht, democratie, burger, volk, identiteit krijgen in dit licht een nieuwe lading. Thema’s als gezag, wetshandhaving, rechtsorde zullen niet meer hetzelfde zijn en verliezen hun vertrouwde karakter omdat de context verandert. Wie ben ik als subject als mijn existentie zich grotendeels buiten mijzelf voltrekt omdat ik vooral virtueel actief ben. Hoe autonoom ben ik nog of zal ik ooit nog kunnen worden? Is autonomie van het subject als een zelf in dit licht sowieso niet een illusie, een werkelijkheid die eigenlijk nooit heeft bestaan? Groeien onze technische mogelijkheden ons boven het hoofd en verliezen we langzaam de controle? Of hebben we haar al verloren maar weten we het alleen nog niet? Sommige kunstenaars hebben hier over nagedacht en formuleren een inktzwart toekomstscenario. Een aantal science fiction films speculeert op een vernietiging van de aarde en de mens in de nabije toekomst. Lars von Trier laat bijvoorbeeld in zijn film Melancholia een blauwe planeet opduiken die zich in de aarde boort: einde oefening, einde experiment mensheid, einde humaniteit of wat daar voor door moest gaan.

Zo lees ik zijn film als een (fictief en filmisch) antwoord op de mensheid die in zijn ogen teveel is doorgeschoten naar het negatieve. Dat is ook wat de vrouwelijke hoofdrolspeelster letterlijk zegt in de film.   Ik kan me voorstellen dat er mensen zullen opstaan om dit visioen van vernietiging van de mensheid mogelijk te maken via techniek en manipulatie. Misschien als een nieuwe vorm van religie, een opdracht om de mensheid kost wat kost te stoppen. In feite voltrekken we al aan onszelf het begin van deze processen als we het geweld en de destructie in onze wereld laten voortbestaan (omdat ze ver van ons bed zijn, of omdat het ons goed uitkomt). In een globale samenleving zullen we met alles en met iedereen verbonden worden en dan zal alles effect hebben op het geheel en de delen. Gezond en ziek krijgen ook in dit licht een nieuwe lading: een samenleving die ziek is, die het kankergezwel van het geweld niet de baas kan bijvoorbeeld. We beginnen nu pas echt te beseffen wat het betekent virtueel gebonden, verbonden te zijn met elkaar maar we hebben nog geen idee wat dit voor gevolgen zal kunnen hebben voor ons handelen en denken. Het worden spannende tijden waar geen plaats is voor een apocalyptische eindnoot. Dat zou al te makkelijk zijn en dat lijkt teveel op een deus ex machina;  een negatief slotakkoord misschien met een Messias die de mensheid wel even zal komen leren hoe het zit. We zullen het zelf moeten doen, doordenken en ernaar handelen. Virtueel én met ons lichaam via ons lichaam. Gelukkig maar want zonder ons lichaam zou ons virtueel leven, zo vermoed ik, niet half zo leuk zijn als het nu kan zijn.

John Hacking 2012

gepubliceerd in Splijtstof 2012 rg 41,2 p. 79-84

Noten:

1 Een uitgave van de Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen

2 A. Groen, Transcendentie, immanentie en vrouwelijke lichamelijkheid. Van Merleau-Ponty naar een feministisch-fenomenologisch perspectief, in: Splijtstof Jr. 41-1 (2012), p. 9

3 J. Hacking, Wereldbeeld en zelfbeeld. Het lichaam als auto-topie. Een zoektocht naar God in het lichaam. Een onderzoek in stappen naar de betekenis van het feit dat wij de werkelijkheid lichamelijk waarnemen en duiden. Nijmegen (2011) – gepubliceerd op internet: http://wereld-zelfbeeld-lichaam.canandanann.nl

4 Zie Wikipedia 20-10-2012: http://nl.wikipedia.org/wiki/Globaal_Brein

5 “Uitgesmeerd is een mooie metafoor om de hedendaagse ontwikkelingen op het gebied van de sociale media via internet en mobiele telefoon te duiden. De mogelijkheden om aanwezig te zijn in de virtuele wereld vanaf de stoel voor de computer zijn eindeloos.” Zie de tekst: http://wereld-zelfbeeld-lichaam.canandanann.nl/wereldbeeld%20en%20zelfbeeld/04_lichaam_als_object.htm

6 Foucault, M., Die Heterotopien. Der utopischen Körper. Zwei Radiovorträge, Frankfurt am Main 2005 (Suhrkamp Verlag)

7 C. Taylor, Bronnen van het zelf. De ontstaansgeschiedenis van de moderne identiteit, Rotterdam 2007 (Lemniscaat)

8 “Toegevoegde realiteit (TR) (eng: Augmented reality) is een vakgebied dat zich hoofdzakelijk bezighoudt met het zo realistisch mogelijk toevoegen van computergemaakte beelden aan rechtstreekse, reële beelden.” uit: Wikipedia 22-10-2012 http://nl.wikipedia.org/wiki/Toegevoegde_realiteit

9 Von Trier, L (2011). Melancholia. Hvidovre. Denemarken: Zentropa