(Religieus) fanatisme tegenover ‘doen alsof’

Ook buiten de religie en de godsdienst zijn er ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’ of ‘standvastigen die van geen uitzonderingen’ willen weten. In het gedrag van mensen die geen fouten willen maken, die kost wat kost ‘fouten maken’ willen voorkomen schuilt een zeker fanatisme. Zij mogen van zichzelf geen fouten maken en zij zijn voor zichzelf de strengste criticaster. En al behalen zij goede prestaties, is de omgeving enthousiast, voor hen is het vaak onvoldoende, zijn ze ontevreden. Maar wanneer is het dan wel goed, zou je denken. Wanneer is de toezichthouder die het ego ook kan, zijn echt tevreden? En, nog belangrijker, wat moet met deze prestaties worden gecompenseerd? Waarom zo hoog reiken als de lat ook lager kan komen te liggen?

Hier verschuilt zich volgens mij een deel van het echte vraagstuk: waarom zo hard werken? Wat wil je ermee bereiken? Welke vorm van erkenning, aandacht en sympathie?  Waarom ook zo hard voor jezelf als je van mening bent dat je de hooggestelde doelen niet dreigt te halen omdat ze gewoon te ver weg liggen?  Wat moet er worden bewezen?  Wat gebeurt er als je er wel in slaagt om je doelen te halen? Dan maar weer nieuwe doelen, nog verder weg? Nog ambitieuzer, nog meer inzet van jezelf gevraagd. Het is een heilloze en uiteindelijk ziekmakende weg. Het echte vraagstuk is dat je denkt te moeten leven volgens bepaalde normen en waarde met bepaalde ambities en doelen – dan pas kun je echt gelukkig zijn, of gelukkig worden, dan pas is je leven zoals het behoort te zijn. ‘Behoren’ staat voorop, ‘behoren’ gaat telkens aan ‘zijn’ vooraf. Het leven is als het ware veranderd in een heilig moeten.

Ik vind dat eveneens een vorm van wensen, een wens dat het paradijs als het ware al aanbreekt in je leven: alleen je moet er hard voor werken, het valt niet uit de lucht, niet zomaar in je schoot.  Je moet er een flinke prijs voor betalen. En die prijs heet inzet, werken en nog eens werken. Maar als je het volhoudt, als je naar behoren presteert wordt jouw persoonlijk paradijsje eenmaal waar.

Waar haal je in deze strijd de motivatie vandaan, waarom houd je het vol, hoe houd je het vol? Er moet een bepaalde vorm van ‘drive’ zijn waardoor je het vol kunt houden en waardoor je bezig blijft. Je moet overtuigd zijn van je gelijk en van jouw visie op je inzet en je resultaten. Alles wat anderen zeggen en zeker relativerende geluiden worden gesmoord in de eigen overtuiging van het eigen gelijk. “Klets maar, ik weet het toch beter, mijn weg is de enige juiste.” Hier openbaart zich niet alleen fanatisme, maar ook een zeker religieus fanatisme. Het is een manier van zich bewijzen die over alle grenzen heen gaat. Ook over de eigen grenzen, de waarschuwingen negerend dat je op de verkeerde weg, op een ongezonde weg aan het wandelen bent. Een klinklaar recept voor een burn-out. Alle talenten worden ingezet, het werk stapelt zich op, de relativering ontbreekt en je loopt vast in de zelf uitgezette route. Je doel wordt uiteindelijk niet gehaald en gefrustreerd en lusteloos zit je op de bank, de interesse in alles lijkt en voelt als verloren. Sim bezig zo? Ik denk van niet. Het beloofde paradijs aan de horizon is een hel geworden in je onmiddellijke  omgeving. Zo ben je ingehaald door je eigen ambities en je eigen kortzichtigheid. Je hebt je vastgelopen in de strik van de vogelvanger, de fuik van de visser, die je zelf hebt uitgezet met je ambities en je ‘moeten’ en ‘behoren’.

Anselm Grün spreekt in een tekst over positief denken over geloven en handelen als ‘doen alsof’. Doen alsof is een manier van relativerend handelen. Je doet alsof je al een bepaald doel hebt bereikt, terwijl je weet dat het niet zo is, je doet alsof je je stinkende best doet, maar je weet, dat je ook maar een mens bent, dat je ook je gebreken hebt. Maar door dit doen alsof kom je wel in beweging en zal het resultaat van je handelen je over de streep trekken. Mozes moest zelf de eerste  stap in het water zetten de van de zee bij de Uittocht uit het slavenland Egypte. Pas toen hij vertrouwen toonde in de belofte dat ze gered zouden worden ging de zee uit elkaar en konden ze er door heen. Zonder die stap geen teken, geen redding, geen bevrijding. Een stap in het blinde, het onbekende, het maar erop wagen? Welke keuze heb je anders? Als je wordt aangespoord, of als je jezelf aanspoort om een doel te halen, om woorden uit de schrift in je te laten resoneren zodat je er naar kunt leren leven en handelen is dit ‘doen alsof ’ een methode die kan helpen.

Grün zelf zegt hierover, ik citeer: “Bij deze methode hoort het geloof als ‘doen alsof’ het waagstuk om ook te handelen naar het woord. De handeling is het experiment, dat de juistheid van de geloofshypothese bewijst. Wij willen de bewijzen vaak voor het experiment van ons handelen in handen hebben. Wij willen in onszelf voelen dat we genezen zijn, dat de Heer met ons is, dat we een nieuwe schepping zijn. Wij willen de Geest van God in ons ervaren en pas na die ervaring handelen. Maar met deze instelling belemmeren wij voor onszelf de genezing. We houden angstig vast aan onszelf. Wij willen ons door het Woord van God zelf verlossen en zelf genezen en pas als we gezond zijn, als mensen zonder tekortkomingen, bij de anderen op de voorgrond treden. Maar dat is uiteindelijk ongeloof. Wij geloven alleen wat we voelen, wat we ervaren. En op die manier blokkeren wij voor onszelf nieuwe ervaringen, op die manier blokkeren we voor onszelf de eigenlijke godservaring. De ervaring van het geloof heb je pas als je springt voordat je het hebt ervaren, als je doet alsof het klopt voordat je dit met zekerheid weet. Geloof heeft ervaringen nodig. Anders zal het in ons verbleken. Maar de ervaring krijg je pas bij het experiment van het doen.”

Maar hoe nu zo te doen dat het doen niet alle aandacht opeist en dat daarin geen relativering meer is? Hoe te voorkomen dat je afbrandt door maar te doen? Hoe te voorkomen dat je gefixeerd raakt op het doen en niet meer in de gaten hebt dat het doen ergens toe moet leiden? Kortom hoe voorkom je dat de doelen te hoog worden gesteld waardoor je je eigen beperkingen uit het oog verliest en denkt dat je ze wel ‘even’ kunt gaan halen? Hybris: “ik kan dat, kijk eens hoe goed ik ben, heb eerbied voor mijn prestaties, vervul mij met jullie achting voor mij,” dat kan niet de bedoeling zijn. Fanatisme, religieus fanatisme dat zelfgekozen of opgelegde doelen hoger stelt dan persoonlijk welzijn en het welzijn van anderen, dat denkt pas gelukkig te kunnen zijn als… en als… en als… heeft het ‘doen alsof’ als daad van geloof en van vertrouwen niet begrepen. Doen alsof wil zeggen, handelen in de geest van het woord, dat je oproept, dat je opwekt, dat je over je grenzen van je eigenwaan, je eigen onmacht en je eigen beperktheden heen wil tillen. ‘In de geest van’ wil ook zeggen, niet exact hetzelfde, het hoeft geen precieze kopie te zijn, niet een al te letterlijke invulling. Ook hier schuilt zich een adder onder het gras: denken dat het proces volgens bepaalde patronen en vastgelegde banen moet verlopen. Doelen kunnen op vele manieren worden bereikt en vaak is de snelste weg de omweg naar het doel. Soms moet je heel iets anders ondernemen om te ontdekken dat je oorspronkelijke intuïtie en inspiratie toch de juiste en de meest adequate waren in je leven. In Australië ontdekken dat je hart ligt in Nederland in die kleine plaats waar je bent opgegroeid bijvoorbeeld.

Grün stelt dat inbeeldingen een grote rol spelen in ons leven. Negatief werkt dat zo als we denken het paradijs hier en nu te moeten bewerkstelligen. Als het niet lukt zitten we in zak en as. Grün zegt, ik citeer: “Wij leven dus voortdurend van inbeeldingen. De vraag is of wij willen leven volgens inbeeldingen die de werkelijkheid voor ons veranderen of volgens inbeeldingen die de werkelijkheid voor ons duiden zoals ze is.

De inbeelding van het geloof omsluit de realiteit voor ons zoals zij werkelijk is, zoals zij gezien vanuit God is. Wanneer wij leven volgens de inbeeldingen van het geloof, dan leven we in overeenstemming met de realiteit en zodoende gezond. Je kunt je daarom ook niet zomaar alles inbeelden. Uit de realiteit blijkt of een inbeelding klopt of niet. De werkelijkheid is echter nooit volledig ondubbelzinnig. Ze heeft altijd meerdere kanten. Door de afkeurende gedachte ga je de werkelijkheid zien door een negatieve bril. Wat je ziet, is werkelijk.

Maar het is slechts een fragment, een negatieve selectie. Wanneer je de werkelijkheid ziet door de bril van het geloof, dan zie je haar in haar volle rijkdom. Je ziet haar vanuit God en daarom goed.”

Grün stelt echter ook dat het niet allemaal rozengeur en maneschijn is wat het geloof betreft. Hij zegt: “Je kunt je echter ook in het geloof iets aanpraten wat niet klopt of wat je niet dichter bij God brengt. Er bestaan ook fanatieke bemoedigende gedachten die gebruik maken van bijbelwoorden. Paulus geeft een criterium aan waarmee je kunt zien of het een zelfbedacht positief woord is of een positief woord vanuit het geloof: het is het criterium van vreugde en liefde, van geduld en  zachtmoedigheid, van vrede, goedheid, vriendelijkheid en geloof (vgl. Gal. 5:22v.). En voor monniken is het hoofdkenmerk van echt geloof dat je niet oordeelt, maar gelooft dat ieder mens een goede kern heeft. Wanneer je door je bevestigende innerlijke zinnen fanatiek en bekrompen wordt, op anderen scheldt en anderen veroordeelt, dan is dat altijd een teken dat jij je niet hebt opengesteld voor het Woord van God, maar dat je met je woorden de werkelijkheid naar jouw hand wilt zetten, zelfs wanneer je woorden uit de Bijbel gebruikt.”

Zo kun je ook naar jezelf kijken en ontdekken wat je streven en handelen, wat je ‘moeten en behoren’ je uiteindelijk echt opleveren. Word je er blijer van, sta je elke ochtend met plezier op en krijg je er energie van, of ben je al moe voordat de dag goed en wel begonnen is omdat je zoveel van jezelf moet. Als dat laatste het geval is weet je zeker dat je op de verkeerde weg bezig bent, en dat de route geen gezonde levensweg is. Geloven, vertrouwen en ernaar handelen, en door dat handelen stukje bij beetje ontdekken waar het werkelijk om draait, ervaren dat de lat niet elke dag hoog hoeft te liggen, en als hij wel hoog ligt, dat je graag de prijs wilt betalen, (dat kost ook minder energie), het is een manier van leven die ruimte biedt en ruimte geeft. Het leven is geen gevangenis van moeten en plichten meer, maar van mogen. Uitproberen, vallen en opstaan, leren van je fouten, nieuwe kansen, nieuwe energie, nieuwe wegen inslaan, en de moed erin houden, stukje bij beetje ervaren dat je op de goede weg zit, het kan allemaal. Dan liggen er ook geen depressies op de loer als het een keer flink tegenzit. ‘Doen alsof’ is dus heel wat anders dan jezelf wat wijs maken. Voortdurend de lat te hoog leggen is echt een vorm van zelfbedrog. De prijs is te hoog.

Anselm Grün benadrukt dat ook de schrift niet oproept tot onmogelijke dingen. Je fanatisme wordt niet gevraagd. Wel je inzet om de hoop die in je leeft handen en voeten te geven.

Hij schrijft en daarmee sluit ik af: “De opvatting dat het geloof een soort ‘doen alsof’ is, sluit wel degelijk aan bij de Heilige Schrift, bijvoorbeeld bij de Brief aan de Hebreeën, die het geloof definieert als ‘de grondslag voor alles waarop we hopen’ (Heb. 11:1). Je hebt het niet, je merkt het niet, maar het vormt toch je grondslag, je handelt ernaar in de hoop dat het klopt. Wanneer wij het geloof zo opvatten, dan bevrijdt het ons van de prestatiedruk, alsof wij in het geloof steeds iets moeten voelen en ervaren. Geloof moet zeker worden ervaren. Maar in onze tijd wordt soms zo over geloofservaringen gesproken dat alle mensen die daarvan niets in zichzelf bespeuren, een slecht geweten krijgen en gaan denken dat ze nu eenmaal niet op de juiste manier geloven. Er bestaat een dwang om iets te moeten ervaren, alle mensen die niets ervaren, krijgen daardoor een gevoel van minderwaardigheid.

Geloof als ‘doen alsof’ bevrijdt ons van deze druk. We hoeven niet per se iets te voelen. We kunnen toch uit ons geloof leven, we kunnen simpelweg proberen te leven alsof het klopt. Door te handelen kunnen we dan voelen dat het klopt. Maar we hoeven het niet te voelen. Het kan best zijn dat je ook bij wat je vanuit je geloof doet, niet altijd voelt wat het geloof tot uiting brengt. Je leeft dan een tijdlang ‘alsof’, in de hoop dat het leven de juistheid van je handelen bewijst en het je ook weer laat voelen.”

Geciteerd uit: Anselm Grün, Op andere gedachten. Positief leren denken, Kampen 2005 (ten Have) p. 77-89