taal*

De oude Egyptenaren (3000 -500 v. Christus) maakten afbeeldingen van voorwerpen en dieren ter vervanging van de echte objecten. Deze afbeeldingen sierden de muren van de grafkelders waar ook de essentieel geachte teksten stonden voor de overgang van het leven naar het rijk van de doden en daarna. De afbeeldingen verbeelden niet alleen de nieuwe werkelijkheid waarin de dode zou overgaan, zij bewerkstelligden haar ook. Deze vorm van magisch denken schijnt heel lang te hebben geduurd in de geschiedenis van Egypte.  Het hiëroglyfen schrift is een geabstraheerde versie van de objecten waarmee werd gecommuniceerd. Schrijven was een taak voorbehouden aan een speciale kaste van schrijvers en kunstenaars, waarschijnlijk ook nauw verbonden met de priesterkaste. Schrijven en magie, schrijven en religie hingen dus nauw samen. Misschien is het wel aan deze eerste vroege periode van de menselijke beschaving en het ontstaan van de taal te danken dat wij nog steeds in abstracte begrippen communiceren zonder dat we deze begrippen hebben gedefinieerd. Het moet ergens vandaan komen dat wij dat met een zekere vanzelfsprekendheid en zonder kritische reflectie dagelijks doen. Als bijvoorbeeld ook in het Chinees of Japans bepaalde tekens staan voor mens of voor boom, berg, huis, en die tekens worden in woorden en zinsverbanden opgenomen, dan is dat een vorm van abstractie. Bij het ontstaan van het alfabet verdwijnt dit tekenkarakter achter de verzameling van klinkers en medeklinkers die in het schrift worden gebruikt om een woord uit te drukken. Maar de abstractie is daarmee niet verdwenen.

In een orale cultuur zonder schrift (heeft die wel bestaan?) staat het gesproken en gehoorde woord via verhalen en overleveringen  centraal. Via het geheugen worden verhalen bewaard en krijgen hun neerslag in het denken en spreken. Maar al gauw zijn er ook beelden, worden dieren en onderdelen van mensen uitgebeeld tijdens de jacht of tijdens andere rituelen. Grottekeningen getuigen daarvan. Zij versterken het woord maar vervangen het niet. Beeldtaal is geboren.

In de loop van de menselijke geschiedenis gaan beelden een eigen leven leiden maar vervangen zij niet de gesproken en geschreven taal. Het alfabet maakt het mogelijk om te communiceren met weinig tekens of letters. Het aantal combinaties is bijna eindeloos. Elk beeld gevat in woorden roept weerwoord op want het verslaan van een beeld in woordtaal is een keuze, gebeurt vanuit een perspectief met een bepaalde betekenis. En precies op het vlak van de betekenis gaat er van alles schuiven. Betekenissen liggen niet vast, hebben meerdere lagen, zijn in andere contexten weer anders. Beelden spreken niet zomaar uit zichzelf. We gebruiken taal om beelden uit te leggen hoe krachtig ze ook zijn en welke indruk ze ook achterlaten. Om erover te communiceren grijpen we vaak naar woorden. Ze zijn ook meestal te complex om een beeld met een ander beeld te beantwoorden. In plaats van met woorden met beelden op elkaar reageren. Vermoedelijk levert dat veel misverstand op want het is niet helder wat het beeld in eerste instantie en sowieso meestal wil zeggen of waarom de zender het beeld gebruikt. De boodschap blijft onduidelijk omdat we gewend zijn nu eenmaal met gesproken en geschreven taal te communiceren.

Maar ook deze gesproken en geschreven taal laat veel ruimte voor interpretatie. En tussen de woorden en zinnen, de lege ruimtes, heerst niet alleen de stilte. Misschien is dat wel bij uitstek de plaats voor de ruis tussen de woorden en de betekenissen. Als ik het woord mens gebruik, of boom, of huis wat zeg ik dan? Met andere woorden ook de abstracties spelen ons nog steeds parten als we gedifferentieerd een bepaalde boodschap willen uitdrukken zonder ruis en zonder betekenisverwarring. Zou de nieuwe taal, de digitaal daar een einde aan maken?

Alles onze werkelijkheid van communiceren (wat is werkelijkheid in deze) plaats gaat vinden in een nieuwe taal, als digitaal, alles omgezet in 0 of 1, en dat bijna eindeloos, is er dan meer begrip? Kunnen betekenissen beter worden vastgelegd? Ik vermoed van niet want wij blijven binnen het oude stramien waarnemen, denken en spreken. Alleen het communicatiemiddel verandert, de communicatie tot nu toe nog niet echt. Ook niet in de toekomst? Want als alles gedigitaliseerd kan worden en zal worden veranderen waarschijnlijk ook onze ervaring van tijd en ruimte. Nu zijn deze nog gekoppeld aan de reëel ervaarbare tijd en ruimte, dan zullen zij virtueel worden, irrealis.

Dat vindt nu al plaats door het spelen van games op de computer op internet. Ruimte en tijd zijn virtueel, de eigen identiteit een avatar, een zelf geschapen identiteit. Een vastgelegde identiteit gekoppeld aan een zelfbewustzijn en een concreet lichaam zal veranderen. Wie zal ik worden in deze nieuwe ruimte? Welke taal zal gaan overheersen? Misschien is dan de beeldtaal wel zo overweldigend dat ze het gesproken woord zal gaan vervangen. Wie weet.

Maar als we nog een stap verder gaan en denken aan de quantum-computer waarin niet de digitaal maar de trigitaal werkt: 0 of 1 niet meer  exclusief elkaar uitsluitend  maar een van beide afhankelijk van de positie, inclusief. 0 kan zowel 1 zijn en 1 zowel 0 – mede afhankelijk van de positie van de waarnemer. Misschien is er nog een verdere variant denkbaar in de vorm van 0 of 1 of 0+1 of geen van beiden. Dat zijn dan al 4 mogelijkheden. We hebben waarschijnlijk nog geen echt idee hoe taal en communicatie eruit zal gaan zien op het menselijke vlak als dergelijke mogelijkheden via computer en anders werkelijk zullen worden.

Als onze opvatting van autonomie en subjectiviteit gekleurd wordt door het gebruik van onze talen dan zullen ook deze veranderen. Nu al zijn  we niet zo autonoom als we misschien zouden willen, en bepalen heteronome verbanden grotendeels ons leven. De periode van de Verlichting heeft wel een stempel gezet op onze opvattingen over subjectiviteit en intersubjectiviteit maar ik vermoed dat het autonome individu als ideologie zijn langste tijd heeft gehad. Deel van een netwerk, onderdeel van meerdere netwerken wil zeggen dat niet meer het autonome individu de regels bepaalt maar dat het zelf een doorgeefluik is geworden, een zelfknoop, een autonodus in een netwerk omringd door andere knooppunten van zelven, heteronodussen. En voor de ander ben je dan ook meteen een heteronodus. Auto en hetero zijn binnen de context van een netwerk nieuwe entiteiten die een eigen invulling zullen krijgen als de taal verandert waarmee we onszelf aanduiden en beschouwen.

Als de mens en de menselijke subjectiviteit een vorm van articulatie is, een product ook van taal dan zullen ook zij in nieuwe articulaties gaan veranderen. Digitaal is al een nieuwe vorm van articuleren. Het is nu wachten op de effecten ervan.

John Hacking

vrijdag 31 mei 2013