droefheid en verdriet

Een zee van droefnis ‑ een veilige kust om langs te gaan...

In een boek over Boedhisme kwam ik laatst de volgende spreuk tegen, een uit­spraak die mij persoonlijk veel troost en steun geeft, omdat ze als het ware direct aansluit bij mijn leven sinds de dood van mijn moeder. De spreuk luidt:

“Een zee van droefnis

strekt zich uit

tot in het oneindige

 

Maar keer je om

aan je voeten ligt

de veilige kust!”

Prachtig vind ik dat die nuchterheid, deze realiteitszin, midden in de duisternis,

midden in het verdriet waaraan voor je gevoel geen einde schijnt te komen. Voor je zie je enkel water, golven, tot aan de horizon. Maar je staat aan de kant, je kijkt slechts naar de zee, je bent er geen deel van: je word niet opgeslokt door de golven.

Misschien voelt veel verdriet zo, zeker in het begin, als een opgeslokt worden, een soort verdrinken, ondergaan en niet meer boven kunnen komen.

Een gruwelijk beeld vind ik dat, zeker als ik bedenk dat mijn moeder zich moedwillig verdronken heeft in het water: het was haar keuze, haar manier om gered te worden van de wanhopige en depressieve gevoelens die zij had en die haar geen mogelijk­heid meer boden om verder te leven.

Water is daarom nu voor mij ook doodsdreiging. Ik had het kunnen weten uit de verhalen uit de bijbel waar mensen in het verhaal van Noach en van Mozes onder gaan in de golven. Maar dat zijn ‘slechts’ verhalen en het is lang, lang geleden

gebeurd. De realiteit voelt altijd anders. Ook mensen uit gebieden die bv. in 1953 zijn overstroomd zullen dit anders beleven, zij hebben aan den lijve ervaren wat het is als het water als een doodsdreiging boven hun hoofd hangt.

Toch is het vreemd in ons leven dat water tegelijkertijd dood en leven kan beteke­nen: dat dubbelzinnige, dat ambivalente. Daar hebben wij mensen het misschien vaak moeilijk mee omdat wij graag duidelijkheid willen: zwart of wit, niet beiden.

Toch komen de grote en belangrijke dingen in ons leven vaak in meerdere gedaan­tes voor: positief en negatief: als geloof en twijfel, hoop en wanhoop, vreugde en verdriet. Het menselijk leven kan eenmaal niet zonder deze beide kanten, zou je zo denken. Wat is dat dan, waarom dat dubbele?

Misschien is het wel zo door God gepland opdat we het positieve leren waarderen en ontdekken onder het negatieve. Dat gaat nooit vanzelf. Meestal is dat een lange weg doorheen pijn en verdriet. Echte liefde gaat nooit verloren, maar dat zal pas echt blijken in moeilijke, in heel moeilijke omstandigheden. De “mislukking houdt de liefde bij krachten” schreef de Joodse filosoof Rosenzweig. Ik geloof dat hij alle gelijk van de wereld heeft. Het komt er alleen op aan om te lopen, lopen langs het strand, langs de kust van onze mogelijkheden. Niet alleen blijven staan en staren naar het water… laat de golven maar aanspoelen, het wordt ook weer eb na de vloed.

Liefde vindt altijd vaste grond onder haar voeten, of in ons hart. Dat houd mij en vele anderen vermoed ik op de been. Daarom veel liefde, veel durf om naar het water van de droefnis te kijken en veel moed om langs het strand te lopen met het water van verdriet aan je zijde….op weg naar betere veilige tijden.

Herinnering

Vaak moet ik door het jaar denken aan stukjes landschap waar wij in de vakantie doorheen gewandeld zijn. Opeens staan ze op je netvlies, een mooi vergezicht, een bosweg, of een straatje achteraf. Ook beelden van stukjes stad waar je gezeten hebt, of iets gegeten en gedronken komen vaak boven.

Zo is het misschien ook met beelden van iemand, een persoon waar je veel van gehouden hebt, waar je veel mee gedeeld hebt, maar die nu er niet meer is omdat hij of zij is overleden. Opeens overvalt je een stukje herinnering, hoe hij of zij je kon aankijken, of daar zat en iets zei. Ook de indruk die een lach of een verdrietig ge­zicht op je maakte kun je uit het niets opeens voor je zien.

Mensen die in de eerste fase van een rouwproces terecht komen vertellen vaak dat zij het gevoel hebben alsof degene die overleden is af en toe in de kamer staat. Je kunt soms tegen hem of haar praten en je weet dat er geluisterd wordt. Ook als je je plotseling omdraait heb je wel eens het gevoel alsof je niet alleen in de kamer bent.

Wat is dat? Zijn dat alleen maar  waanbeelden, indrukken die onverwacht weer boven komen? Ik geloof van niet. Ik geloof dat er meer aan de hand is. Als je iets intensief hebt beleefd, als je lang met elkaar bent opgetrokken en veel hebt gedeeld, dan is er iets bijzonders ontstaan in je leven.

Indrukken en ervaringen zijn als het ware neergeslagen in het centrum van jezelf, van waaruit je naar de wereld kijkt en reageert op de dingen die je overkomen. Net als bij een plaat of een bandje zijn die ervaringen misschien ingegroefd. En als toevallig een stil moment aanbreekt, waarin je niet meegetrokken wordt met je aandacht, dan komt er ruimte, dan valt de naald in die groef en komt het beeld boven waar we boven over spraken.

Het zijn denk ik beelden, ervaringen die wij een leven lang met ons meedragen. Daarom zijn ze kostbaar omdat ze ons iets zichtbaars in handen geven wat we anders zouden zijn vergeten. Misschien werkt ook zo de liefde van God. Via beel den, via opeens opwellende gevoelens en emoties. Want volgens veel mystieke schrijvers woont God in ons allerdiepste wezen. En wij kunnen alleen maar door‑ dringen tot die God in ons als we leeg worden, leeg van alle dingen die ons dagelijks bepalen. En als er dan ruimte komt in ons zelf, komt er ook ruimte voor God. Als een bron kan zijn liefde dan in je opwellen.

Misschien is het ook wel een blijk van zijn liefde dat die dierbare mens, zo af en toe voor je zichtbaar wordt. Dat het niet alleen maar herinnering is, maar ook bijna tastbare aanwezigheid. Misschien wordt ons mensen zo wel gezegd: “wees maar niet bang, ik ben bij je. Ook al zie je me niet, vertrouw er maar op dat ik in goede handen ben en dat ik een oogje op je hou.”

Wie weet hoeveel troost dergelijke woorden, dergelijke beelden ons kunnen ver­schaffen.  Daarom voor allen die treuren, die verdriet hebben en lijden, veel sterkte, en veel fijne herinneringen.

“Een mens gaat dood en buiten viert de aarde lente.” (Ernest Claes)

De wereld is een draaitol. Zonder eind, zonder begin. En elke ochtend, elke avond draait zij rond. Misschien is de draaiende wereld wel bij uitstek het symbool van de tijd: zij duurt maar voort, telkens opnieuw, een eeuwige kringloop.

De zomer volgt de lente op, de winter de herfst, en alles begint weer opnieuw. Alleen wij, wij worden ouder. Wij groeien mee, uur na uur, dag na dag, jaar na jaar. En ons lichaam is getekend, de tijd laat zijn sporen achter. Van klein naar groot, van zwak naar sterk, van groot naar klein, van sterk naar zwak. De cirkel is weer rond.

Behalve, als die ene keer, de dood reeds eerder komt. Als midden in de jeugd, midden in het leven, zijn harde hand genadeloos uithaalt, en wij, achterblijven, sprakeloos, verbijsterd, gevangen in onmacht en onbegrip.

Jorg Zink schreef over onze dood:

Spoedig zullen wij allen sterven

elke gedachtenis

zal dan van de aarde verdwenen zijn,

en wij zelf zullen een kort ogenblik

worden geliefd en daarna vergeten.

Maar de liefde zal genoeg geweest zijn!

 

Er is een land van de levenden

en een land van de doden,

en de brug tussen hen is de liefde –

het enig blijvende, de enige zin.

Ook dan, na die plotselinge dood, die dood waar je niet op voorbereid was, is de liefde het enig blijvende, de enige zin. En vastgemaakt aan sporen van liefde haalt de herinnering beelden boven, momenten van geluk, van vreugde. En volgt op het weerzien in gedachten de pijn van het moment, het gemis, de leegte.

Ook dat is liefde, liefde door de leegte heen, voelbaar in je hele lichaam. Dat is de keerzijde van je liefde, als de andere kant van de munt, het kan niet anders. Had je niet van elkaar gehouden, had je niet zoveel liefde gevoeld, de pijn zou minder zijn, minder kwetsend. Maar nu je zoveel hebt bemind, nu je zoveel houdt van deze geliefde mens, kun je niet ontsnappen, kun je niet weg uit de fuik van het verdriet. Pas als je helemaal, helemaal tot het eind, durft door te zwemmen, zul je zien, zul je voelen, dat de uitgang open is, dat het verdriet helemaal omgezet in liefde wordt.

Misschien is liefde daarom blind. Omdat ze gaat zonder te weten waar ze uitkomt. Omdat ze inzet zonder te voelen of het wat oplevert. Omdat ze durft zonder zich angstig af te vragen of dat wel goed gaat. Jorg Zink schrijft:

Liefde gaat er altijd van uit,

dat het woord een oor vindt,

ook als er geen antwoord meer is.

Zij gaat er van uit,

dat de hand een hand voelt,

ook als dat nergens uit blijkt…

Zelfs onze liefde, reikhalzend, smachtend naar onze verloren geliefde, gaat het waagstuk aan: te reiken over de dood heen, verder dan het graf. Al komt de lente in het land, en gaat de zomer verder, wat we hebben gezaaid in de tuin van ons hart, vruchten, bloemen, liefdeszaden, geen winter kan hen doen sterven. Geen dood is sterk genoeg om die liefde uit te doven.

“Maak een plaatsje vrij in je hart, richt een altaar op, om te gedenken”

Hoe houd je een dierbare in je gedachten, hoe draag je de mens die gestorven is met je mee? Daarover schrijft D. Bonhoeffer, een Duitse theoloog:

“Als je van iemand houdt en je bent van hem gescheiden,

kan niets de leegte van zijn afwezigheid vullen;

je moet dat niet proberen,

je moet eenvoudig aanvaarden en volharden.

Dat klinkt erg hard, maar het is ook een grote troost;

want zolang de leegte werkelijk leeg blijft,

blijf je daardoor met elkaar verbonden.”

Misschien valt dat niet mee, misschien dringen zich teveel beelden, teveel gevoe­lens aan je op, woorden, gedachten, misschien zelfverwijt, een gevoel van misluk­king en schuld.

Of je kunt gewoon niet stil staan bij, wilt het niet, bent er bang voor, je vlucht naar voren, in je werk, in bezigheden, activiteiten, druk, druk, druk, dan hoef je niet eraan te denken, dan hoef je de pijn en je verdriet niet toe te laten.

Want je weet, je kent misschien die vreselijke pijn, die je helemaal meesleurt, die je naar adem doet snakken, als een vis op het droge. Dat wil je niet, niet meer zo, niet meer meegenomen worden in die kolkende stroom de diepte in.

Toch blijf je verbonden, heeft het verdriet je aangeraakt, ben je veranderd. Alleen, je weet het nog niet. Je beseft nog niet zo goed wie je nu bent, wie je worden zal. Je wereld staat op zijn kop, alles om je heen draait verder en jij bent veranderd, gebro­ken, diep gewond.

Is er ruimte in je hart, is er een plekje vrij voor de mens waar je veel van hield, die je nu moet missen, die een ijzige leegte in je leven achterlaat, omdat de dood je meest geliefde haalde?

Is er ook voor jou een plaats voor bezinning, in je huis, een hoekje maar, met een foto, een kaarsje, een bloem, waar die lieve mens aanwezig is, als teken, als herin­nering, als onzichtbare hand op je schouder?

Misschien zijn de tranen wel meer dan alleen maar tekens van verdriet. Misschien zijn tranen wel bij uitstek de dragers van de herinnering, zijn zij de manier om ver­bonden te zijn, om verbonden te blijven, dwars door de leegte heen, dwars door pijn en eenzaamheid. Als een schreeuw in de nacht, in een kille woestijn.

Misschien zijn tranen naast de tastbare herinnering, de foto in je medaillon, de dingen die stil getuigen, het enige concrete bewijs van aanwezigheid, van verbon­denheid, en daarom een houvast. B. Aafjes schreef:

Liefhebben is groeien in verdriet

en dan, in de berusting van het zwijgen

de toppen van het leven bestijgen

tot waar men in het dal der tranen ziet,

dat zacht en blauw is en schier onbewogen

als soms droefheid is in kinderogen

Groeien in verdriet; de liefde is de onzichtbare band, waarmee men het sterkst is gebonden, verbonden, zelfs over de dood heen. De tranen zijn als een blauw berg­meer, de hemel wordt erin weerspiegeld, aarde en hemel bij elkaar, dood en leven als een vlechtwerk.

In de leegte van je eigen hart, in de leegte van het landschap, is er ruimte, veel plaats, kan de liefde groeien, gaat ze nooit verloren.

“EN DE WERELD DRAAIT GEWOON VERDER…”

Soms zijn er in een mensenleven momenten waarop je wereld instort: je verliest je kind tijdens de zwangerschap, of niet lang daarna, aan de wiegedood; je partner zakt op straat in elkaar en ook de eerste hulp van haastig toegesnelde passanten mag niet meer baten.

Of anders, maar vaak ook heel ingrijpend:

Je hoort via de radio dat je bedrijf waar je jarenlang het beste van je krachten aan gegeven hebt definitief dicht gaat, omdat het faillissement voor de deur staat en je weet dat er voor jou géén plaats zal zijn op de arbeidsmarkt omdat je te oud wordt bevonden.

Dat is rampspoed, dat is een gevoel alsof je verzwolgen wordt door donkere golven van een woeste koude zee. Niets om je aan vast te klampen, geen einder in zicht, geen horizon met een andere, betere afloop!

Bijna niemand blijft gespaard voor de rampen van het leven ‑ bijna elk mens krijgt op zijn tijd grote tegenslagen te verwerken. Maar dat is slechts een schrale troost, als je oog in oog staat met het ongeluk dat je treft. Want wat koop je voor het lot van anderen? Wat deert jou de pijn van een ander nu je zo zwaar getroffen bent? “Mijn God, mijn God, waarom heb je mij verlaten?” Kun je dat nog stamelen? Of is ook dat teveel?

En het ergste is: ‘je zou troost verwachten, helpende handen om je heen, een wereld die naar je kijkt, die je bemoedigend toespreekt, die je ondersteunt en met je mee leeft.’ Maar wat gebeurt er? De wereld draait door, ze gaat verder en het lijkt alsof er niets aan de hand is…

Dat doet misschien nog het meeste pijn, achteraf, als je terug kijkt, als je terug durft te kijken naar die vreselijke tijd, dat grote ongeluk.

Waarom ging alles gewoon door? Waarom hield ook niet de wereld stil, toen de pijn zo ondragelijk was dat je wel wilde sterven? Waarom, waarom?

Je wereld stortte in, je verloor alle grond onder je voeten, je bent gevallen, tot op de bodem van de put van het leven. Dieper kon niet, want dieper kon je niet vallen. En toen ben je weer begonnen om langzaam te klimmen, eerst aarzelend, je merkte nauwelijks verschil. Maar met het verstrijken van de dagen, de maanden, de jaren, heb je leren leven met de pijn. Is die diepe wonde nu een litteken geworden, een herinnering aan die tijd.

Eerst niet, maar pas later zag je lichtpuntjes, mensen die om je heen stonden, die ondanks de wereld die verder ging, op jou bleven wachten. Die je niet alleen lieten klimmen uit die diepe diepe put. Dat heeft je gered.

Toen wist je dat niet, maar nu is dat duidelijk: een mens kan het níet alleen. De put is vaak te diep, om zonder ladder, zonder houvast van mensen te verlaten. Daarom weet dat wij allen ook ladder kunnen zijn, dat wij niet alleen passant in dit leven, maar ook Gods’hand kunnen zijn. Hoe zouden wij anders verder kunnen leven?

” Zwijg mij niet dood, maar praat mij tot leven” (Herwig Verleyen)

Er is nog plaats voor jou in onze woorden? Nu je weg bent gevallen uit ons leven?

 

Er is nog plaats voor jou in onze woorden,

de dagen dragen stilte voor je aan

en in de vlucht van meeuwen zit  je witte reis verpakt

steeds verder van ons weg

steeds minder vlees en bloed…

W. Verhegghe

G. Marcel schreef eens: “Iemand liefhebben, dat is zeggen: jij, jij zult niet sterven…Instemmen met iemands dood, dat is in zekere zin hem aan de dood overleve­ren”.  Dat is de macht, de kracht van onze woorden. Met onze woorden kunnen wij mensen in leven houden, moed geven, hoop en vertrouwen. Met onze woorden kunnen wij hen levend houden, levend onder ons, ook al zijn ze gestorven.

Vaak is dat het enige dat ons nog rest: de geliefde doden een stem geven, zichtbaar maken, onder ons laten voortbestaan. Dat kan op veel manieren. Door een foto, een gedicht, een goede herinnering delen.

Het kan vooral door plaats te maken in onze woorden, onze taal, voor hen die er nu niet zijn, die er nooit meer zullen zijn, die nooit meer kunnen zijn.

Door hen niet dood te zwijgen, hen niet te vergeten, niet te doen alsof zij nooit bestaan hebben, alsof zij nu geen rol van betekenis meer spelen in ons leven. Ook niet uit onmacht, ook niet als wij niet weten hoe wij met de dood moeten omgaan. Dan is doodzwijgen het allerslechtste wat je kunt doen.

Als je het niet weet, hoe over de dode te spreken, als je niet weet, onzeker bent hoe je het gesprek moet starten. Zeg dat dan, dat je onzeker bent, dat je geen woorden hebt, dat je het niet weet, niet kunt. Dat is eerlijk. Dat is oprecht en open. Daarmee stel je niet alleen kwetsbaar op, maar ook betrokken, daarmee laat je in ieder geval zien dat je meeleeft, dat de ander die verdriet heeft je ter harte gaat.

Helemaal niet reageren, doen alsof je neus bloedt, een omweg maken, het is niet alleen de ander die verdriet heeft teleurstellen, maar het is ook een vorm van zelfbe­drog. Alsof het verdriet van de ander jou niets aangaat, alsof de overledene die je misschien ook hebt gekend geen rol van betekenis meer speelt in dit leven.

“Door onzichtbare banden zijn wij het stevigst gebonden” schreef de filosoof Friede­rich Nietszche. Misschien zijn wij als mensen allemaal met elkaar verbonden met de banden van de liefde. Ook al kennen wij elkaar niet, houden we niet expliciet van elkaar, toch is er een verbond, een onzichtbare band, omdat wij allemaal uit de liefde van God zijn ontstaan.

Zelfs onze geliefde doden delen in dat verband, hangen vast aan ons door de liefde. Het verdriet negeren, de overledene doodzwijgen is het ontkennen van die liefde, is ten diepste ook het ontkennen van jezelf. Als de anderen dood voor jou zijn, word je ook zelf meer en meer aangeraakt door de dood, verkil je, verspreid je koude om je heen.

Zwijg me niet dood, praat me tot leven – doe mij herleven in je woorden. Zonder de letterlijke vervulling van deze uitspraak was het christendom nooit mogelijk geweest. Dan zouden wij als leerlingen van Jezus werkelijk niets in handen hebben, zelfs niet een getuigenis. Geen bijbel, geen geloof, geen kerken, geen mensen die Hem willen volgen op de weg van de liefde. Zo krachtig is het woord, een woord ook aan ieder van ons gegeven.

John Hacking

1999