netwerk(en)

Foucault beschreef het al in de zestiger jaren, de heterotopie, de andere plek, een verzameling van plaatsen die van beslissende invloed kan zijn op de ontwikkeling van het individu. Het doorlopen van deze plaatsen maakt van het individu een subject met zelfreflectie. De tijd op school en tijdens de studie is een van de meest sprekende voorbeelden. Maar heterotopie duidt ook op verbondenheid in een groter geheel, een samenspel van netwerken waarin we leven en waarin we ons voortbewegen. Het subject is een resultaat van de interacties in die netwerken. Een simpel voorbeeld is het gezin. De invloed die het individu in de ontwikkeling tot subject daar heeft opgedaan is meestal van levensbelang, dwz de betekenissen blijven een leven lang een rol spelen. Mishandelde kinderen bijvoorbeeld dragen dat een leven met zich mee.

Maar niet alleen het subject, het individu, de persoonlijke psyche ondergaat invloeden van de netwerken waarin het zich bevindt. Ook organisaties zijn verbonden met andere netwerken via vaak onzichtbaar draden. Draden van macht en beïnvloeding via het geldverkeer, banken die wel of geen lening verstrekken, afnemers van producten die politieke boodschappen verbinden aan het proces, en natuurlijk, dat is nieuw, de digitale realiteit van elke dag. Deze digitale werkelijkheid kent ongekende mogelijkheden maar maakt het ook zichtbaar dat wij niet anders dan in netwerken functioneren. Het tijdperk van het structuralisme is 100% waarheid geworden en de structuren zijn vooral digitaal van karakter. Wat betekent dit? We beginnen dat pas te vermoeden als onze privacy opeens in het geding is, als we worden afgeluisterd tegen onze wil of als onze foto’s door anderen moedwillig worden gebruikt voor reclamedoeleinden waar we vooraf geen toestemming voor hebben gegeven.

Niet alleen de individuen, niet alleen organisaties en instellingen, maar ook onze wetenschappelijke studies, onze theologieën, onze filosofieën, onze hele ideeënwereld is een kluwen van verbanden door het feit dat wij taal gebruiken en die taal is nu digitaal. Iemand die een bepaald instituut zoals bijvoorbeeld de kerk of de universiteit beschouwt als een losstaande organisatie heeft er niets van begrepen. Er bestaan geen organisaties meer die autonoom zijn. Autonomie is een fictie en het volhouden van deze fictie is een hardnekkige leugen. Ook individuele autonomie is een sprookje, ons wijsgemaakt door verlichtingsfilosofen die overtuigd waren van de menselijke kwaliteiten om vrijheid te vestigen op eigen bodem, dat wil zeggen op basis van eigen rationaliteit en overwegingen.  Ook dat is een illusie. Elke gedachte is in feite geleend, geschonken en in het omhulsel van de taal gegoten. Vrijheid is een illusoir begrip dat niet in autonomie maar in handelingsvrijheid (tot op zekere hoogte) en keuzevrijheid gegoten kan worden opdat er iets van terecht kan komen. Ik spreek in de toekomende tijd want vrijheid is geen bezit maar een opdracht, performatief optreden waarin vrijheid als het ware pas gestalte krijgt. Zoals liefde ontstaat en kan groeien als iemand liefde bekent en er aan werkt. Vrijheid ligt dus altijd al in de toekomst en ontstaat als het ware onder het lopen zelf. Terugkijkend kun je dan soms concluderen dat er een zekere mate aan vrijheid was om te handelen. Maar ook dan staat de handeling niet op zichzelf, is ze niet uit de lucht komen vallen, is ze niet autark, niet autonoom, maar had ze een richting of een doel en werd ze gemotiveerd. Dat laat zien dat elke handeling als het ware ingekapseld is in een patroon van overwegingen en van mogelijkheden. De handeling maakt deel uit van een handelingsnetwerk.

Nu pas, zo vermoed ik, gaan we echt ontdekken wat het betekent deel uit te maken van netwerken, knooppunt zijn in grotere gehelen, doorgeefluik zijn van invloeden die op ons af komen. Maar de beeldspraak hapert hier. We zijn geen letterlijk knooppunt zoals de knoop in een breiwerk. Visueel is dit nog niet zo makkelijk uit te drukken. Als we allemaal in digitale taal kunnen worden beschreven zijn we niet meer dan een verzameling nullen en eentjes. De volgorde is dan bepalend, maar ook die is wisselend en soms van korte duur. We verliezen in feite ons houvast. Digitaal zijn we vogelvrij. Een digitaal hoopje in een berg van digitale data. Nu is het wachten op een nieuw houvast. Of is dat niet meer echt nodig?

John Hacking

13 juni 2013