Woestijn*

Johannes roept in de woestijn.  Maar wie hoort zijn stem? Wie is er in de woestijn om hem aan te horen? Psalm 73, die wij ten dele hebben gehoord in het openingsgebed, zou hem op de huid kunnen zijn geschreven.  Het is een aanklacht tegen de machthebbers, de onderdrukkers, de moordenaars, de lakeien van de wreedheid en het geweld. Johannes trekt ten leer tegen het adderengebroed, de hypocrisie, de machtswellust. Hij is de vurige Elia die het nu niet opneemt tegen Achab en Izebel en de baalsprofeten maar tegen de leiders van zijn tijd: de geestelijke en de wereldlijke macht. Dat kost hem de kop. Maar dat is later. En na zijn dood zal Jezus in zijn voetsporen treden. Jezus doet het iets subtieler, maar ook hij kan behoorlijk te keer gaan.  Anders hadden de tegenstanders hem niet zo hardhandig aangepakt en vermoord. Maar hierover gaat het vandaag ook niet.

Vandaag staat de vraag centraal hoe in de woestijn het woord van God tot leven kan komen. Hoe in de woestijnen die wij vandaag de dag meemaken Gods woord kan bloeien. Bijna is dat een onmogelijke paradox. Hoe kan in een woestijn iets groeien. Hoe iets tot bloei komen als het geen cactus, geen dorenstruik, geen stekelig ding is. U hoort het al: het hele Oude Testament klinkt hier in mee: de tocht door de woestijn, De brandende braamstruik, het afzien op weg naar het beloofde land.  En onze profeet Jesaja gebruikt de woestijn vele malen om zijn verhaal te vertellen. Maar wat is de woestijn in onze dagen? Hoeveel woestenij is om ons heen?  En kan daar wel wat in gaan groeien en bloeien? Arthur Schopenhauer, een Duitse filosoof die veel heeft geschreven over de menselijke conditie noemt de mens bij uitstek een wild, gemeen en wreed dier.  We kennen het meestal slechts in de toestand van het getemd zijn en dat is de beschaving. Maar als de ketens van deze beschaving door de omstandigheden worden losgemaakt schrikken we van de wildheid en de wreedheid van dit dier.

Syrië is een goed voorbeeld: geloofsgenoten slachten elkaar af omwille van de macht. En iedereen roept Allah Akbar na het schieten van zijn salvo’s uit de kalasnikov. Net zoals de christenen dat ook eeuwenlang hebben gedaan:  Gott mit uns, God met ons. De Sharia moet volgens sommigen groepen ingevoerd worden met geweld:  een kalifaat moet worden gesticht. Hoeveel offers dat ook moge kosten.  Zelfs kinderen die zichzelf moeten opblazen en dan martelaar worden genoemd. De wet gaat voor de mens. Een leven telt niet. Een moderne kruistocht in een andere jas.  Een ander voorbeeld van geestelijke woestenij is de jacht op homo’s in Rusland. Afgelopen week werd een zekere Maxim ten tonele gevoerd op TV die met vrienden jacht maakt op homo’s en dat via You Tube op het internet zet.  Ik heb nagedacht over hoe je hier een eind aan zou kunnen maken? Een collecte houden om geld in te zamelen voor een prijs op zijn hoofd? Geweld met geweld beantwoorden, gruwelijkheid met gruwelijkheid? Zoals de maffia? Ook in mij komen dergelijke gedachten op. Maar ik hoef ze natuurlijk niet uit te voeren. Hoe komt het dat mensen zo gruwelijk kunnen reageren? Volgens Schopenhauer is het aangeboren. En ook het leedvermaak, het zien van lijden van anderen en daar plezier over hebben.

Maar er is ook een andere kant.  In de mens zit ook de kracht tot medelijden, tot identificatie met de ander, liefde tot de ander. Tijdelijkheid en eeuwigheid huizen beiden in de ziel van de mens: de dood en het leven. En dat is waarop Jesaja inzet. Dat zijn woorden waarmee Matheus het optreden van Jezus schildert. Recht brengen in de wereld door het zwakke, het kwetsbare te ondersteunen. Men noemt Jesaja profeet, maar het gaat mijns inziens niet zozeer om voorspellingen,  om een toekomst die ons te wachten zou staan en die een keer moet gaan beginnen. Jesaja is in mijn ogen een dichter, hij schrijft religieuze poëzie.  Jesaja spreekt over een manier, een methode, een wijze van leven, van optreden. Net tegenover al het geweld en de wreedheid kiest hij, zo lijkt het,  een onmogelijke, een onbegaanbare weg,  een weg door de woestijn; geen gebaande paden! De knecht van God, de uitverkorene waarin God welbehagen heeft – zal niet schreeuwen. Hij maakt geen ophef, hij laat zijn stem niet horen op straat. Hij is geen populist. Hij roept niet maar wat maar weigert uiteindelijk verantwoordelijkheid te dragen  voor de complexe problemen die hij in one-liners en zwart-wit neerzet. Het gekrookte riet zal hij niet breken, de vlaspit niet doven. De hulpeloze vluchteling die aanspoelt in Lampedusa niet terug de zee opsturen, omdat we al genoeg te lijden hebben van de economische crisis. Zo brengt hij recht, hij zal niet verflauwen, niet geknakt worden. Hij is het symbool van een bloeiende woestijn. Een hoop in bange dagen. Hij is met Edmond Jabès te spreken een vorm van hopeloosheid die de hoop uitbroedt. Die zoals de adelaar in zijn berghol, gewond door de kogel van de jager,  blijft broeden op zijn rode bebloede eieren.

Dit is uiteindelijk geen taal meer uit onze alledaagse werkelijkheid.  Deze woorden moet men niet reduceren tot hun concrete betekenis – want dan worden ze verstikt. Dan verliezen ze hun opwekkende kracht. Hieraan beantwoorden meestal geen concrete daden en mensen die we kennen. Het zijn woorden, het is taal die het afwezige probeert te beschrijven:  de komst van het Rijk van God dat aanbreekt in ogenschijnlijk nietige dingen. Deze woorden van Jesaja vallen ook niet enkel samen met Jezus van Nazareth als knecht Gods. Ze zijn meer, veel meer dan dat, hun strekking gaat veel en veel verder. Al 20 jaar lang laat ik me leiden door de woorden van Edmond Jabès die veel heeft  nagedacht over de woestijn, het schrijven, de dood, het leven  en het Joodse volk als volk van het boek en de woorden.  Ik heb die woorden nodig – net als de woorden uit Psalm 73 – en uit Jesaja om me te voeden, om het vol te kunnen blijven houden, om me over de schaduw heen te tillen, de schaduwen die ons bedreigen als we alleen focussen op onze onmacht. Het is een vorm van geloven, voor mij mijn vorm van geloven, vertrouwen.

Jabès schrijft: “geloven, om te groeien”  Zonder geloof, zonder vertrouwen is er enkel dood. “De woestijn is een goddelijke spiegel onder het stof.”  “In de woestijn wordt de mens zwijgzaam en alles om hem heen gaat spreken” De woestijn is de plaats waarin God als afwezige de lege plaats inneemt. Leger dan leeg, afweziger dan afwezig. Het lijken woorden uit de mystiek. Maar toch zijn ze ook op onze huid geschreven. Want wie ben jij?  Probeer je zelf maar eens in woorden te vangen. Je loopt voortdurend achter de feiten aan. “Je bent nooit in het heden, als je over jezelf spreekt , spreek je over iemand die afwezig is” zo Jabès.  Je kunt jezelf nooit de totale werkelijkheid geven die je zou willen en  “zo zijn ook de woorden voortdurend in gevecht met de afwezigheid,  met datgene wat ze niet kunnen uitdrukken”.  “Maar het is precies deze afwezigheid die de woorden hoorbaarheid en zichtbaarheid verleent. De grote witte tussenruimte van het zwijgen tussen de woorden, de leegtes. Zonder welke de woorden onzichtbaar zouden zijn” zoals dit zwarte vlak waar geen wit in zit. Jabès heeft mij tot het inzicht gebracht dat de leegte, de afwezigheid, de woestijn bij uitstek de kans biedt om iets van het goddelijke te ervaren.  Tussen de woorden, in het wit tussen de woorden huist God. Zo dichtbij… En in Jezus is uiteindelijk de leegte van dood, de afwezigheid van het leven,  bij uitstek een nieuw begin. God laat niet varen het werk van zijn handen. Dat is de kern van ons christelijk geloof: liefde sterk als de dood, liefde die verder gaat. Korter en krachtiger kan het volgens mij niet worden uitgedrukt en daar kan ik heel goed mee leven  Daarom wens ik ons veel leegte- veel woestijnervaringen toe  waarin wij iets mogen ontdekken van die onmetelijke goddelijke kracht die  werkt in het zwakke, het kleine, het onzienbare, kortom in ons leven. Amen.

John Hacking

Een gedachte over “Woestijn*

Reacties zijn gesloten.