God en godheid, een lege ziel en een God als afgrond

“Denn der mensch kreist auf einem Planeten unter Myriaden von Planeten, um einen Stern unter Myriaden von Sternen, um ein Galaxienzentrum unter Myriaden von Galaxien, in einem Universum unter (vielleicht) Myriaden von Universen… und in Gedanken doch hauptsächlich um sich selbst”

Rüdier Vaas, Menschen und andere Tiere. Zwischen Denken und Dunkel, der blaue reiter. Journal für Philosophie nr. 34, 2015, pag 6

De mens is een wezen dat denkt en ondanks de omgeving die zo uitgestrekt is dat ze niet is te bevatten, hoogstens in zeldzame momenten van verwondering, wordt dit denken vooral bepaald door datgene wat de mens waarneemt in zijn dagelijks leven. En wat hij waarneemt vormt het voedsel voor zijn denken en zijn gedachten. Daarom is het toch vreemd dat de gedachte is opgekomen dat er iets of iemand moet zijn die vooral dat immense, dat wonderbaarlijke, dat mens overstijgende moet hebben veroorzaakt. De mens met die met deze vraag aan de gang ging was zich dus bewust van een zekere transcendentie, een mens en wereld overstijgend fenomeen dat we voor het gemaak maar God noemen. Maar waar spreken we dan over en wat is een God die als het ware in onze gedachten ontstaat? En is dit wel zo? Heeft God niet oudere papieren dan onze gedachten? Is God product van ons denken of is er nog iets anders aan de hand en kregen wij eens lang geleden de goddelijke hand toegestoken om over Hem en ons gedachten op papier te zetten? Als een vorm van inspiratie, goddelijke inspiratie waar profeten in de geschriften zoals bijbel en Koran zich op beroepen? Hoe het ook zij, dat start van dit proces kunnen we niet meer beoordelen vanuit een onafhankelijk standpunt want dat standpunt is er gewoon niet. Wat we hebben zijn de teksten, de verhalen, de getuigenissen. Maar wat we wel weten en kennen is het menselijk denken dat daarin een belangrijke rol vervult.

Meister Eckhart, die het denken een belangrijke plek toekent in het spreken over God onderscheidt tussen God en godheid, in het Latijn tussen deus en deitas. Gerard Visser heeft een mooi boek geschreven over dit denken bij Eckhart met de titel: Gelatenheid. Gemoed en hart bij Meister Eckhart. Beschouwd in het licht van Aristoteles’ leer van het affectieve, Amsterdam 2008 (SUN). In dit boek ontleedt Visser de teksten van Aristoteles over het gevoel als basis waarop Eckhart voortborduurt en die hij volgens Visser radicaliseert. Visser bespreekt het Aristoteliaanse begrip ‘entelecheia’, verwerkelijking, dat waar alle doelen (telos) op gericht zijn op een nieuwe wijze. Het is geen te bereiken doel, de vervulling van het streven en daarmee klaar, maar het is de horizon zelf die zich ontvouwt en die open blijft en eigenlijk nooit bereikt kan worden. Visser sluit aan bij de meer letterlijke vertaling van het begrip en die luidt: ‘zich binnen zijn einder ophouden’. Dat is een de (nieuwe) vertaling van het begrip ‘entelecheia’ door Cornelis Verhoeven. Gevoelsmatig met het doel bezig zijn levert een andere dynamiek op dan alleen maar vanuit een denken dat aangestuurd wordt door activiteit en activisme (gericht op rendement). Visser zegt: “Maar dit zelfde telos laat ons het gevoel ook van binnenuit ervaren, als we einde niet als grens verstaan waarbij een ontstaansproces ophoudt, maar als een einder of horizon van een heel eigen mogelijkheid die zich opent.” (pag. 69)

In het denken van Aristoteles is alles gericht op het bereiken van een doel, ook het affectieve streven. Bij God leidt dat uiteindelijk tot de volkomen rust, de onbewogen beweger, een beeld dat op God van toepassing is in de filosofie van Aristoteles. Dat is een God die uiteindelijk los van alles en iedereen staat. Eckhart daarentegen spreekt over God en godheid en beiden liggen ver uit elkaar. Ik citeer Eckhart zoals hij bij Visser wordt aangehaald:

‘Opnieuw wil ik hier zeggen wat ik nog nooit heb gezegd; god en godheid liggen even wijd uiteen als hemel en aarde. Ik zeg nog meer: de innerlijke en de uiterlijke mens liggen even wijd uiteen als hemel en aarde. Maar dit geldt voor God nog om duizenden mijlen meer: God wordt en ontwordt.’(pag 91)

Visser zegt hierover: “Met het ‘God wordt en ontwordt’ heeft Eckhart willen zeggen dat God ontstaat, daar waar het geschapene Hem tot uiting brengt. ‘God wordt (“God”), waar alle creaturen God uitspreken: daar “wordt” God’. Het komt er dan voor de menselijke ziel op aan dat zij door God ‘heen breekt’, zoals zoals het in dezelfde preek vervolgens heet, opdat zij ‘in de grond, in de bodem, in de stroom en in de bron van de godheid komt (…), daar ontwordt God’.

Godheid staat voor het onuitsprekelijke in God.’Al datgene wat in de godheid is, dat is één, en daarover kan men niet spreken. God werkt, de godheid werkt niet.” (pag 91) God kunnen we dus kennen (in zekere mate) door dat wat er over Hem geschreven staat in de bijbel maar de godheid valt buiten ons kenvermogen zoals wij dat dagelijks inzetten in onze waarneming en in ons denken gebaseerd op onze ervaringen.

Visser stelt dat Eckhart God wil vrijwaren van alle eigenschappen die wij hem toedichten. “Godheid is God ontdaan van alle namen en begrippen, beelden en onderscheidingen, tot en met die van de Triniteit, waarin de eenheid zich immers deelt, tot en met de Schepper-god, de werkzame causa prima. Alleen het verstand kan God onder de meest algemene noemers zoals die van de goedheid en van zijn vatten, maar ook alleen het verstand kan Hem daar weer van bevrijden. Overduidelijk is hier voor Eckhart het vermogen tot abstractie maatgevend geweest. Het verstandelijk vermogen staat borg voor de eenwording van de ziel met God, omdat alleen dit God zijn eenheid kan laten.” (pag 91) Het abstracte denken heeft dus een stapje voor op de rest van het menselijk ervaren als het gaat over het (toe)kennen van God en het spreken over godheid.

Visser pleit ervoor om het begrip ‘vernünftlichkeit’ dat Eckhart toepast op God te vertalen met ‘toestand van zuiver vernemen’. Dat is God naakt nemen, zonder enig kleed, zonder enige beschrijving van een eigenschap of kwaliteit. (Vgl. pag. 92-94) Dat veronderstelt een vorm van passiviteit, van pure ontvankelijkheid die ook God kenmerkt. God ontdoen van alle activiteit gaat misschien in tegen het bijbels denken dat God schepper, maker, bewerker is van alles als een beginpunt in de geschiedenis maar het is ook een naar mijn mening terechte conclusie op basis van de menselijke ervaring dat God niet vanuit de hemel ingrijpt in deze geschiedenis. Van God geen spoor. We hebben slechts verhalen over Hem, slechts bijbelse getuigenissen die onze huidige ervaring staven in die zin dat wij ons eraan over kunnen geven: dat wil zeggen al onze verwachtingen proberen los te laten en te wachten in ontvankelijkheid. Maar waar wachten we dan op? Niet op een bewijs, niet op een teken uit de hemel, maar op de totale leegte van het totale loslaten. Kunnen we dat? Zijn we hiertoe in staat? Loslaten en overgeven, vertrouwen op iets of iemand waarvan je helemaal niets kunt verwachten omdat elke verwachting een invulling veronderstelt? Misschien treedt dit stadium pas in bij onze dood.

Volgens Eckhart kunnen we God ontdoen van alle eigenschappen en contact leggen met God die ons in onze ziel kan raken. Maar daarvoor moet de ziel leeg worden opdat ze gevuld kan worden met de aanraking (kus bij Eckhart) van God. God werkt in ons als wij op het allerdiepste niveau de godheid die hieronder werkt laten zijn. Elk beeld verstoort dit werken, elke verwachting staat daardoor in de weg, is een hindernis. Je denken helemaal leeg maken, in een staat verkeren van absolute leegte. Dat zou ideaal zijn. Volkomen leegte in de ziel!

Visser spreekt over de meest wakkere staat van de ziel die dan verkeert in een staat van puur mogelijk-zijn. N. Largier die Visser in een voetnoot aanhaalt zegt: ‘Op haar hoogste niveau is de ziel dus “ niets” en absoluut beeldloos, maar dat in de vorm van de negatie van alle negatie, dat wil zeggen in de vorm van zuivere mogelijkheid’. (pag 87) Een zuivere ziel, een lege ziel, correspondeert dus met een God zonder beeld, een lege God. Dus ook een God die zich binnen zijn einder ophoudt, binnen zijn ‘entelecheia’, die verwerkelijking in zichzelf heeft maar die voor de ziel niet afgesloten is omdat de ziel door God kan worden aangeraakt. Visser zegt hierover: “De godheid werkt niet, maar rust volledig in zich. Godheid is de voleinding waarin alle streven tot rust komt, de wijdte waarin alle einders opgaan, de afgrond die alle gronden draagt, de stilte die alle geluid omgeeft, de bron die alles laat ontspringen. Voor Eckhart is niet de activiteit het voornaamste, zoals voor Aristoteles, maar dit werk van de leegte, dat geen werken is, maar een ontvankelijkheid voor het werken, een laten werken. Gods werken vervolgens is het ‘worden’ van God, is God zoals Hij zich in zijn schepping manifesteert en in de ziel van de mens openbaart. Dit werken is op grond van het zojuist aangeduide onuitputtelijke laten gebeuren van de godheid zonder wijze. Echte liefde is zonder waarom. Op de liefde Gods staat geen maat.” (pag 103-104)

Persoonlijk vind ik de beeldspraak en deze gedachten over God en godheid van een bijzondere schoonheid. Hoewel nog erg schatplichtig aan het denken van Aristoteles (onbewogen beweger) zit er toch een dimensie aan God in het ‘ontworden’ van God die nadere verkenning behoeft omdat, hoe we het ook wenden of keren, de moderne mens een magisch denkende mens blijft. Al past niet iedereen meer zijn taal aan binnen een religieuze kader dat alles van God verwacht, in de seculiere wereld ligt wel erg veel nadruk op de verwachting van het heil dat wij via techniek kunnen bewerkstelligen. Ook dat is magie, alles van het menselijk handelen verwachten, dat is net zo goed afgodendienst. Bidden tot God om een gunst af te smeken is in mijn ogen magie, een vorm van magisch denken, werken aan uitvindingen die het paradijs moeten bevorderen idem dito. Beiden is hybris, denken dat jouw wensen en jouw gedachten leiden tot een effect dat jouw positie als ‘mier’ in deze kosmos ver en ver overstijgt.

John Hacking

11 maart 2015