Niet-mens niet-God

Op Goede Vrijdag wordt Jezus van Nazareth aan het kruis genageld. De personen die hem veroordelen, die zijn pretenties bestrijden en die voorgoed met hem willen afrekenen beschouwen hem als niet-God. Daarom behandelen ze hem als niet-mens. Ontdaan van al zijn menselijkheid wordt hij naar het schavot gebracht om daar zijn laatste adem uit te blazen. Schavot zegt het al, letterlijk was dat er niet want dat is een latere uitvinding toen de galg populair werd, het betreft een openbare executie.

Ecce homo, zegt de gouverneur van de Romeinse provincie, als hij Jezus toont aan het volk, als je de overlevering mag geloven. Deze Pilatus wast zijn handen in onschuld omdat hij in de sfeer van het verhaal slechts uitvoert wat de hogepriesters van hem verlangen, alsof hij speelbal is van de Joodse kerkelijke overheid uit die tijd. Hij schuift Jezus weg, naar koning Herodes, laat die maar verantwoordelijk zijn voor de straf van Jezus. Jezus wordt als speelbal heen en weer gegooid tussen de machtshebbers, van het ene naar het andere paleis gesleept. Ecce homo? Welke mens? Hier wordt niet een mens getoond, maar een niet-mens.

Ook het opschrift boven aan het kruis: INRI, waarin “koning van de Joden”, is een gotspe. Het is een soort van theologisch spel dat hier gespeeld wordt in de tekst. Dubbele bodems met een “Messiasanspruch” erin verstopt. Door de tegenstanders niet erkend, weggevaagd met zoveel mogelijk geweld, door de aanhangers betwijfeld want zo hadden ze zich de Messias toch anders voorgesteld.

Was, is Jezus God, is God Jezus in menselijke gestalte? Het verhaal doet het niet vermoeden, wat er ook over engelen wordt beweerd die ingeroepen zouden kunnen worden om te helpen. Jezus zegt dat hij dit bewust nalaat. In de tuin voor de arrestatie zweet Jezus bloed, zweet en tranen. Hij is zich bewust van de verzoeking, de druk die op hem rust, het lot dat hem wacht, de beker die hij moet leegdrinken. Zo wordt het ons overgeleverd.

Eeuwen later wordt dit hele gebeuren een iconisch feit: Het kruis in de midden met Jezus, vaak sereen, vaak verheven, want Gods’zoon hangt hier. Pas bij Grunewald, weer eeuwen later komt vooral de gruwelijke dood aan het licht, werpt de schilder alles in de strijd om de dood en het sterven uit te beelden op de meest weerzinwekkende wijze.

In onze tijd is het kruis een amulet, een versiersel, een kleinood, een vanzelfsprekendheid die de associatie met de dood en het gruwelijke sterven slechts lichtjes in stand houdt. De niet-mens die hier smachtend en krampachtig stikte is verdwenen achter de associaties met de Zoon van God. De niet-God staat voor velen niet ter discussie en daarom is elke verbeelding van deze dood door kunstenaars al snel blasfemisch als de iconografie niet beantwoordt aan de voorgestelde en bekende kaders. Een gekruisigde vrouw, een duidelijke niet-Jezus, bijvoorbeeld. Hoe het ook zij, de niet-mens kan niet echt tot ons bewustzijn doordringen zolang wij vroom voorstellingen daarvoor plaatsen, als we ons (teveel en te snel) laten leiden door onze ideeën in plaats van door wat er zich werkelijk zou hebben kunnen afgespeeld.

Wat roept de lijdende aan het kruis, de creperende niet-mens, niet-God, op? Wat maakt hij in ons wakker, aan welke emoties raakt hij, welke krachten worden in ons ontketend? Blijven we star, emotieloos, toeschouwer op afstand? Zoals het volk dat toekijkt en wacht of deze would-be-Messias misschien nog een wonderbaarlijke truc zal uithalen?

Gisteren maakte ik het passiespel “De lastpost” mee op de trappen van het Erasmusgebouw van de Radboud Universiteit te Nijmegen. Tijdens de gezeling van Jezus stonden koorleden tussen het publiek en telkens als een klap viel, als geteld werd hoeveel slagen Jezus kreeg, ze werden een voor een opgesomd, klapten de koorleden mee. Zo leek het alsof de slagen op rug, buik en benen echt plaatsvonden. Deze animatie die vooral de oren betrof had effect. Je werd als het ware even verplaatst naar de scene van het gebeuren.

Maar duidelijk werd ook hoe ver wij zijn afgeraakt van de echte ervaring van de kruisdood. We blijven, alle goede bedoelingen ten spijt, toeschouwers op afstand of we dat nu willen of niet. Niet alleen de tijd maar ook de gruwelijkheid ervan zet ons op afstand. In onze dagen komt de kracht van dit gebeuren op veel andere manieren aan het licht: bij het getuige zijn van aanslagen waar tal van onschuldigen worden vermoord. Bij rampen door mensen veroorzaakt, moedwillig. Bij nabeschouwing van de industriële vernietiging van de slachtoffers in de concentratiekampen, tijdens de 2e Wereldoorlog, in de Goelags, in de Chinese, Noord-Koreaanse kampen, telkens als er in naam van een revolutie miljoenen moeten worden geofferd.

Jezus is een soort van “sacré du printemps”, een lenteoffer. Pesach, Pasen valt in de lente, de winter en de dood zijn voorbij. Deze niet-mens wordt geofferd opdat een nieuwe lente mogelijk wordt. Deze nieuwe Adam ontneemt de dood zijn angel, zo luidt de theologie. Dit offerritueel klinkt hoe dan ook door in de Theologie en men heeft er zelfs een goddelijk offer van gemaakt. Deze niet-God offert zichzelf als God. Daardoor zijn onze zonden vergeven, komt er ruimte vrij om opnieuw te beginnen in dit leven, onze misstappen achter ons laten. Ook dit is weer theologie, interpretatie waar velen het niet mee eens zijn. Want offer en offertheologie hebben gevaarlijke aspecten: hoezo voor onze zonden geofferd? Kunnen we dan niets meer verkeerd doen? Kunnen we rustig door blijven gaan want we worden toch verzoend? Kortom een waar wespennest van vragen en terechte kritiek.

Zou deze niet-mens, niet-God zichzelf hebben gezien als offer? Zou hij zich hebben willen offeren, opofferen? Voor welk doel? Met het oog waarop? Zou het Rijk Gods zo dichterbij komen? De dood voorgoed ontkrachten? Ik dacht het niet. De dood is er nog steeds, het Rijk Gods groeit, maar langzaam. Zeer, zeer langzaam. Dus wat was dan de zin van zijn dood?

Maar waarom kon hij, kon zijn dood uitgroeien tot een bestaan van miljoenen die hem wilden volgen en nog steeds willen volgen? Dat is het echte grote wonder. Wat heeft zijn dood losgemaakt in velen, in ons, dat wij ons leerlingen noemen en die weg willen begaan?

Dat is een mysterie waarop zelfs zijn dood en zijn opstanding geen antwoord op geeft. De kracht van de verhalen reikt ver, maar of ze zover reikt dat het Christendom eruit verklaard kan worden? Ik weet het niet. Ik weet alleen dat deze niet-mens, deze niet-God volslagen ontmenselijkt stierf, de geest gaf op die middag aan het kruis.

John Hacking

3 april 2015