Mijn God is een mislukkeling

In het tijdschrift Volzin stonden laatst afbeeldingen uit een reclamecampagne om op religieus gebied politiek/religieus correct voor de dag te komen. Zo stond er een poster met de tekst: mijn God trouwt homo’s. Duidelijk gericht tegen al die christenen die dit maar niets vinden. Maar het blijft toch op de een of andere wijze onzin om zo te spreken over God en je eigen standpunt duidelijk te maken, want God trouwt niets en niemand, hij is geen ambtenaar van de burgerlijke stand van of van een kerkgenootschap.
Dat bracht mij op de uitspraak “Mijn God is een mislukkeling” om maar eens in de geest van deze reclamecampagne te blijven. Daarvoor heb ik ook nog eens misschien “extravagante” en “bijzondere” theologische argumenten. Echter niet uit christelijke hoek! In de christelijke theologie blijft bijvoorbeeld het onnoemelijke lijden van de mensen en de mensheid een onverklaarbaar feit ook al gaat Jezus in dit lijden voorop net als talloze anderen. Het exclusieve van Jezus lijden aan het kruis is vooral theologisch exclusief, niet letterlijk want het was dagelijkse praktijk om te kruisigen in dit Romeinse rijk. De theologie heeft er achteraf een bijzonder feit van gemaakt en er een speciale duiding aan gegeven in het licht van een soort van “offerdood ter vergeving van zonden”. Ook al een oud concept maar nu in een actueel christelijk jasje in de eerste eeuwen van het christendom. Maar dat is vandaag niet mijn thema en de dood en opstanding van Jezus veranderen nog niet zo veel aan het huidige lijden in de wereld en ze verklaren ook niet waarom dat lijden plaatsvindt en waarom God niet ingrijpt.

“Mijn God is een mislukkeling” deze keer vanuit het oogpunt van de Joodse mystieke stroming, die kan worden samengevat onder de naam kabbala en dan wel in de variant van Izaak Luria (1534-1574).
Maar om dit denken wat beter voor het voetlicht te brengen is het goed eerst wat algemene begrippen uit te leggen. Ik laat me hierbij vooral leiden door de inleiding van Joseph Dan, hoogleraar aan de Gershom-Sholem-Universiteit te Jeruzalem. Kabbala is een verzamelterm voor vele stromingen binnen het Jodendom. Kenmerkend in de middeleeuwse Kabbala zijn drie ideeën:
Het eerste idee is En-sof (geen einde, geen begin, eeuwig, oneindig) een begrip dat wordt toegepast op God. Deze volkomen onveranderlijke God (lijkend op de onbewogen beweger van Aristoteles) is de meest eigenlijke bron van het meest pure goddelijke licht (Schefa). Maar hoe kan uit deze onveranderlijke God iets voortkomen?
Dan komen wij bij het tweede idee, de Sefiroth, de tien goddelijke krachten waaruit de goddelijke wereld bestaat. Uit God komen via emanatie deze Sefiroth voort en dat is niet een eenmalig proces, maar het is dynamisch en gaat voortdurend door. In feite zijn de Sefiroth de verbinding tussen En-sof en datgene wat uit God via emanatie ontstaat in het proces van de schepping. Deze Sefiroth zijn door de kabbalisten op tal van manieren heel divers met betekenissen en functies voorzien. Het gaat echter nu te ver om hier uitgebreid bij stil te staan.
Het derde idee is het idee van de goddelijke inwoning, de vrouwelijke kracht in de goddelijke wereld, de Schechina. Zij staat het dichtst bij de wereld als tiende Sefiroth en wordt volgens de Talmoed (metaforisch) verbeeld in de ruimte tussen de engelenbeelden op de ark in de tempel van Jeruzalem. Deze Schechina staat het dichtst bij het volk van Israel en deelt met haar het lijden in de ballingschap.
Deze drie ideeën vormen dus een soort van bruggenhoofd tussen een oneindige verheven God en een materiële vergankelijke wereld en mensheid. Sinds de 13e eeuw ontstaat het concept van Ta’ame mizwot in de kabbala; namelijk dat door het volbrengen van de geboden de mens een aandeel kan leveren in de werking van de goddelijke krachten in het universum. Als de mens de geboden vervult en al de andere ethische plichten stroomt de Schefa het goddelijk licht naar de wereld toe. Verzaakt hij hierin dan neemt de stroom af. Hieronder ligt de idee dat niets maar dan ook niets kan bestaan zonder die geestkracht afkomstig uit de goddelijke stroom die voortdurend plaatsvindt. De tien goddelijke krachten, de Sefiroth, zijn hiervan afhankelijk en verkeren voortdurend in dit spanningsveld. De mens krijgt dus in dit denken een rol in dit goddelijk spel van krachten, en daarmee ook in de dynamiek die zijn eigen lot betreft.

Izaak Luria tracht nu een antwoord te vinden op vragen als “wat is de oorsprong van alles, waar bestaat God, hoe kwam het tot schepping en wat is de zin van alles”. De basis van zijn religieuze theorie is dat het begin onvolmaakt was en dat God er niet in geslaagd is om een volmaakt geheel te creëren. Het universum existeert als gevolg van een crisis binnen de goddelijke eenheid zelf. Doel van de schepping is om hierin God zelf te helpen. De uitspraak “Mijn God is een mislukkeling” vindt hier zijn fundament. Wat is het geval?
In de beginfase trekt En-sof (de oneindige) zich terug uit een “oord” met het doel een “lege ruimte” te scheppen waarin de schepping zich kan ontvouwen. Deze samentrekking, deze concentratie, of contractie wordt Zimzum genoemd.
In deze lege ruimte viel in het begin een straal licht die langzaam de gestalte aannam van de Sefiroth. Deze Sefiroth worden door Luria beschreven (geïnspireerd door Mozes Cordovero) als vazen die uit grof licht bestaan en die gevuld worden met puur goddelijk fijn licht. Maar precies op dit moment vindt een grote catastrofe plaats: de vazen kunnen het licht niet vasthouden en de onderste 7 vazen breken (Schevirat ha-kelim). Hun inhoud vloeit terug naar de Godheid. God begon iets wat niet kon worden volbracht, een totale mislukking.

Hoe was dit mogelijk? Een verklaring luidt dat de Zimzum tot doel had om alle onzuivere elementen in de Godheid te concentreren en uit de Godheid te verwijderen. Maar dat lukt niet helemaal want in de lege ruimte blijft een soort van residu achter, reschima genoemd, dat bij de vorming van de Sefiroth, ervoor zorgt dat de vazen breken want dit residu weigert mee te werken, het rebelleert en schept hiermee een opstandig rijk, het rijk van het boze.
Volgens Luria komt het kwaad dus niet in de wereld door de mens maar was het als onvolkomenheid reeds vol aanwezig in de Godheid. Niet als zodanig in de Godheid zelf maar als gevolg van de emanaties van de Godheid die zich van het onvolkomene wil bevrijden.
Luria vertelt dat na deze catastrofe God opnieuw de Sefiroth schiep en ook de wereld die wij kennen. God wil zich van het dualisme in hemzelf ontdoen maar na de mislukking bij het breken van de vazen komt er een tweede kans bij de schepping van Adam. Maar Adam kiest als duaal wezen het kwade element in plaats van het goede en zo mislukt het herstel van de goddelijke eenheid en de overwinning van het dualisme. De zonde van Adam leidde tot een nieuwe Schevira, een breuk. Een volgende kans ontstond toen het volk van Israel de 10 geboden zou ontvangen, maar de verering van het gouden kalf maakte alles teniet. En zo gaat het nu door in de geschiedenis van de mensheid.

Is er dan geen hoop? Luria sluit aan bij het concept van Ta’ame mizwot, waarin de mens een aandeel heeft in de goddelijke processen. Tijdens het breken van de vazen zijn er scherven met goddelijk licht, vonken, op aarde gekomen en deze raakten gevangen in de macht van het kwaad. Daardoor heeft het kwaad pas bestaansrecht. Zonder dit goddelijke licht zou het niet bestaan. De taak van de mens is nu om deze goddelijke vonken te bevrijden door het vervullen van de geboden en een voorbeeldig leven te leiden als individu en als volk. Luria noemt dit een proces van Tikkun, reparatie, heelwording van de gebroken vaten. Volgens Luria is Tikkun het echte doel van de schepping, van de Torah, van het volk van Israel en van heel het menselijk bestaan. Ieder mens, of hij weet hiervan heeft of niet, of hij hiermee instemt of niet, is deel in dit proces. Niet vervullen van geboden, niet je houden aan de sabbat, een slecht leven leiden versterkt de boze machten want die houden dan vonken van het goddelijk licht in je ziel gevangen. Dat is dus ook een van de redenen waarom orthodoxe (door de kabbala geïnspireerde) joden zich fel verzetten tegen een geseculariseerde wereld want deze brengt hen verder weg van de verlossing en het herstel van de goddelijke eenheid. Dit proces van Tikkun is dus een scheidingsgebeuren, het scheidt tussen goed en kwaad en kan de vonken bevrijden uit de boze wereld van het kwaad. Daarbij kan elke minuut en elke daad beslissend zijn voor het lot van het universum, de hele schepping staat op het spel! En elke mens draagt in deze visie deze ongelooflijke en zware last.
God heeft in de mens dus een partner geschapen die mede verantwoordelijk wordt voor het herstel van de goddelijke eenheid en volmaaktheid. Een zware last maar wat een prachtig beeld vind ik, voor ons menselijk aandeel in de schepping. Een mislukte God? Misschien, maar ook dit falen heeft een goede kant, want wij als mensen doen mee! En wel voor de volle 100%!

John Hacking
10 mei 2015