De mens als Gods gedicht

Uit preek van Herwi Rikhof Dies Radboud Universiteit 28 mei 2015

Lezing: Efeziërs 2,4-10 en Matheus 20,1-5

Het is een ongemakkelijke parabel. Nu zijn de parabels van Jezus meestal ongemakkelijk, maar deze schuurt wel heel sterk en roept haast automatisch tegenspraak op. In de parabel botsen twee visies op de maatschappij, staan twee manieren van omgang tegen over elkaar. En haast automatisch kiezen we voor de een, voor de visie van de werkers van het eerste uur. Die visie is helder en duidelijk en vooral herkenbaar. Dat is een visie waarin contracten en overeenkomsten het menselijk doen en laten regelen, waarin mensen voor hun werk betaald krijgen. Je kunt het ook een economische visie noemen, niet alleen omdat het om geld gaat, maar ook om zoiets als voor wat hoort wat, loon naar werken. En die economische visie bepaalt wat rechtvaardig is en wat als onrechtvaardig ervaren wordt. Wat als onrechtvaardig ervaren wordt, is dat voor verschillend werk hetzelfde loon betaald wordt. Die visie botst met de visie van de eigenaar van de wijngaard. Zijn visie is complexer. Enerzijds is hij een goede werkgever die afspraken maakt en ze ook na komt; anderzijds riekt zijn handelen naar willekeur. Natuurlijk kan hij met zijn geld doen wat hij wil, maar toch. En dit enerzijds – anderzijds is daarom zo schurend omdat Jezus de parabel vertelt om iets te zeggen over het Rijk van God, over God. Handelt God zo? Verschillende maatstaven voor verschillende mensen? Willekeur?

Op het eerste gezicht lijkt dat zo, zeker vanuit het rechtvaardigheidsgevoel van de werkers van het eerste uur, ons rechtvaardigheidsgevoel. Maar als je nauwkeurig leest en luistert kun je ontdekken dat Jezus gebruik maakt van onze gevoelens om ze te corrigeren. Die eigenaar geeft iedereen een denarie. Een denarie was toen voldoende om een gezin een dag te onderhouden. Hij kan het blijkbaar niet over zijn hart verkrijgen dat de gezinnen van die mensen die kort gewerkt hebben – door eigen schuld of niet door eigen schuld, dat is nu even niet het punt – hij kan het niet over zijn hart verkrijgen dat die gezinnen slachtoffer worden, niet hun dagelijks brood krijgen. Dat is geen kwestie van willekeur, maar zoals hij aan het eind zegt van goedheid. Je kunt ook zeggen van barmhartigheid. En daarmee brengt hij een ander discours in of in muziektermen moduleert hij naar een andere toonsoort. In de maatschappij mag genade voor recht laten gelden als een verslapping, een soft option, in het koninkrijk van God is het de kern omdat er zaken zijn waar je geen recht op hebt en die toch wezenlijk zijn voor het leven.

Paulus onderstreept die kern op zijn typische en misschien ook wat moeilijke manier in het gedeelte uit de brief aan uit de brief aan de Efeziërs dat we hebben gehoord. Drie keer gebruikt hij ‘genade’ als karakterisering van onze situatie: wie we zijn als gelovigen is te danken aan Gods erbarming, is te danken aan Gods gave, niet aan onze prestaties wij zijn niet ons eigen werk, wij zijn Gods werk.

Paulus gebruikt daar een Grieks woord dat nog een andere dimensie van genade  oproept; hij gebruikt poiema dat wij ook in het Nederlands bewaard hebben in poëzie, gedicht. Ik ben zo vrij om dat mee te laten klinken. Wij Gods werk, Gods kunstwerk, Gods gedicht. Ik vind dat een even prachtige als diepzinnige gedachte. Een kunstwerk van God, een gedicht van God. Het zegt niet alleen dat we bij God horen, ten diepste van God zijn, schepsel zijn, door hem gewild, maar ook dat er aan ons is gewerkt, met plezier en dat God in ons iets van zichzelf heeft gelegd. Want een goede kunstenaar maakt niet zomaar wat, een echte dichter schrijft niet zomaar wat, maar legt iets van zichzelf in wat hij maakt, in wat hij schrijft.

Een kunstwerk van God, een gedicht van God. Het zegt niet alleen dat we bij God horen ten diepste van God zijn, schepsel, maar ook dat wij mooi zijn. Want dat is de sfeer die hoort bij kunstwerk of gedicht, de sfeer van schoonheid. Natuurlijk gaat het dan niet om de normen die aangelegd worden in de reclame van anti-rimpel of anti-roos. Hoewel die zin uit een van die reclames eigenlijk wel heel goed past: ‘ik ben het waard, u toch ook’. In de ogen van God, volgens de normen van God zijn wij mooi, zijn wij het waard, zijn wij waardevol, ieder van ons.

Herwi Rikhof Studentenkerk 28 mei 2015

aarde