Rouw en verdriet

rouw
herdenking overledenen

Rouw en verdriet

In de bijbel wordt soms expliciet ingegaan op een groot verlies door de dood. De lezer/toehoorder wordt aangesproken, soms directief. In het bijbelboek Jezus Sirach (NBV) staat bijvoorbeeld de volgende tekst over rouw en hoe hier mee om te gaan:

Sirach 38, 16-23: Rouw

16 Mijn kind, stort tranen over een dode,

lijd bitter om hem en hef een klaagzang aan.

Begraaf hem op gepaste wijze

en verwaarloos zijn graf niet.

17 Stort bittere tranen, weeklaag hevig,

rouw zoals past bij zijn waardigheid.

Rouw één dag, rouw er twee, om opspraak te voorkomen,

en vind dan troost voor je verdriet.

18 Want verdriet tast je krachten aan

en leidt tot de dood.

19 In ellende duurt het verdriet voort,

een leven in armoede is een vloek voor het hart.

20 Geef je niet over aan verdriet,

zet het van je af, weet dat het tot de dood leidt.

21 Bedenk dat er geen weg terug is,

je helpt de dode niet en je doet jezelf kwaad.

22 Bedenk dat zijn lot ook het jouwe zal zijn,

gisteren ik, vandaag jij.

23 Als de dode rust, laat dan ook zijn nagedachtenis rusten,

wees getroost nu hij is heengegaan.

Rouwen is goed, maar niet te lang. Daar komt het op neer. Een keuze voor het leven en een keuze voor een leven zonder al te veel verdriet. Want verdriet leidt tot de dood. In het ‘Gisteren ik, vandaag jij’ of als Latijns grafschift: Hodie mihi, cras tibi – heden ik, morgen gij word je opgeroepen te bedenken dat je leven sterfelijk is. Memento mori. Een levensles. Maar de tekst is ook dubbelzinnig als opgeroepen wordt om troost voor je verdriet te vinden. Waar vind je troost, wanneer voel je jezelf getroost zodat het verdriet geen beslag op je leven legt? Daarover zwijgt de tekst.

Er zit een zekere logica in deze aanbevelingen. Maar ik heb ook het gevoel dat het allemaal wel erg snel moet gaan met het rouwproces. En van een rouwproces is niet echt sprake als je de tekst mag geloven. Misschien zijn wij te modern en misschien te fijn gevoelig om slechts een paar dagen te rouwen en dan weer door te gaan. Maar de praktijk wijst toch anders uit in ons leven. Een paar dagen, daar redden we het niet mee en soms duurt het zelfs jaren. Niet dat je tijdens die tijd niets anders kunt ondernemen, maar het verdriet kleurt wel je dagen en je uren. Het is ook een kwestie van perspectief en van kiezen als je de tekst van Sirach mag geloven. Maar heb je die keuze wel als je opeens geconfronteerd wordt met een hevig verdriet, een groot verlies? Natuurlijk de dood komt in ieders leven, maar de dood van een dierbare hakt erin, dat gaat je niet in de koude kleren zitten. Sirach heeft er weet van hoe de dood kan toeslaan. Hij zegt:

Sirach 41, 1-4: De dood

1 Dood, hoe bitter is de gedachte aan jou

voor een mens die vreedzaam leeft te midden van zijn bezittingen,

die geen zorgen heeft, in alles voorspoed kent

en nog volop van het leven kan genieten.

2 Dood, hoe goed is je vonnis

voor een mens die gebrek lijdt en wiens kracht afneemt,

voor een hoogbejaarde die zich over alles zorgen maakt,

opstandig is en geen geduld meer heeft.

3 Vrees het vonnis van de dood niet,

denk aan wie je voorgingen en aan wie je zullen volgen.

4 Het is het vonnis van de Heer over alles wat leeft,

waarom zou je verwerpen wat de Allerhoogste welgevallig is?

Of je nu tien, twintig of duizend jaar geleefd hebt,

in het dodenrijk kun je niet klagen over de duur van je leven.

Voor Sirach is de dood een soort van Gods gericht, een eindoordeel waar je als mens niet aan kunt tornen en waar je geen haarbreed aan kan veranderen. Leef je in voorspoed, komt de dood te vroeg dan is dat dikke pech. En voor anderen die het leven zat zijn, die het gehad hebben met het leven, kan de dood een uitkomst zijn, een uitweg. Een vorm van beëindiging van het leven die in de ogen van Sirach alleen maar goedkeuring kan wegdragen. Maar na de dood is er ook sprake van een dodenrijk. Hoe en wat wordt niet uitgelegd. Is dat een aanname, een geloof dat in zijn tijd opgeld deed? Voor ons modernen is ook het dodenrijk een vorm van illusie, een voorstelling die afgedaan heeft omdat dood dood is. Velen geloven niet in de ziel, noch in een leven na de dood en zeker niet in een opstanding der doden. Daarover spreekt Sirach ook niet, maar het leven is niet zomaar afgelopen, zo lijkt het wel.

Maar wat kunnen wij nu met deze teksten, met deze adviezen, raadgevingen? Zijn ze nog van toepassing op ons leven of schieten ze de plank mis? Een zekere mate van waarheid blijven ze bezitten alleen je kunt het niet generaliseren. Elke dood, elke dode, elk verdriet, elke rouw is weer anders, is niet gelijk aan een gebeurtenis die voor iedereen en allen op dezelfde wijze plaatsvindt. Ieder mens staat op een eigen wijze in zijn leven en maakt zelf keuzes. Hoe hij of zij daarin omgaat met rouw en met de pijn en het verdriet is een persoonlijke zaak, een eigen weg, een route die niemand anders zo kan volgen. Ieder staat in zijn eigen schoenen, en dat is ook maar goed zo. Maar troost vinden, steun bij elkaar, dat is een zaak van velen en dat hoef je niet in je eentje te doen. Daarin kan je worden geholpen en kunnen er anderen voor je klaar staan. En je kunt een beroep doen op anderen om je bij te staan. Hoe moeilijk dat ook soms voelt, hoeveel drempels je daarvoor ook over moet. Ook dat is modern, het gevoel, het idee, dat je het allemaal zelf moet kunnen, zelf moet oplossen. Dat is, zo denk ik, een grote illusie. Je bent niet alleen op de wereld.

Als je gelovig bent komt er nog een dimensie bij. Sirach gaat hier duidelijk van uit. God wikt en God beschikt en als mens moet je hiermee doen. In de grote wijsheid van God zal het wel goed zijn ook al snap je als mens daar helemaal niets van. Denk aan de dood van een kind, een dierbare bij een ongeluk, een ernstige ziekte. De wil van God? Dat is niet te bevatten en dat kun je ook niet geloven. Laat God het toe? Dat zou kunnen of moet je eerder zeggen dat God hier niet over gaat. Dat er geen God in de hemel zit of waar dan ook die elke dag, elk moment keuzes maakt, dingen toelaat, de dood zijn gruwelijke werk laat doen. God en het leven en God en de dood zijn categorieën die zich niet zo gemakkelijk tot elkaar verhouden als op het eerste gezicht lijkt. Dood en leven, leven en dood raken aan het domein van God maar God is geen (in mijn ogen) regelaar, bestuurder ervan. Met de dood treedt een sacrale dimensie in het leven, net als met de geboorte van een kind. Daarom word je onrein in de ogen van de Joodse traditie omdat je met iets sacraals in aanraking komt. Dat tekent je en daarom moet je een reinigingsritueel ondergaan. Dat is niet een vorm van schoonmaken maar eerder een vorm van bezinning door middel van het ritueel. Je bent hierdoor met een goddelijke dimensie in aanraking geweest en die past niet in de wereld van alledag. Zo is de dood dus eigenlijk sacraliteit: binnentreden van het goddelijke in het leven. Maar dat is niet verheven, niet met een stralenkrans omgeven, maar bittere en pijnlijke realiteit en troostende realiteit als het leven daarvoor als ondragelijk werd ervaren. Als de dood een uitkomst is, een soort van oplossing waar ook Sirach al over sprak. Leven en dood blijven in diepste wezen mysterieus omdat ze delen uitmaken van het mysterie. Ze verwijzen ernaar als een teken en zij zijn er deel van. Vanuit ons perspectief als levende is de dood niet te bevatten en blijft het mysterie in stand. Vanuit het perspectief van de dode kunnen we niet praten want dat valt buiten onze horizon als levende. Daar moeten we het dan maar mee doen. Ook op deze dag van Allerzielen waar we onze dierbaren gedenken.

John Hacking

2 november 2015

rouw
Jezus in fragmenten