Jose angel Valente

Een van mijn favoriete dichters is Jose Angel Valente, daarom een kleine selectie uit zijn werk: uit Jose angel Valente, De compositie van de stilte. Gedichten, Brussel 2003 (Wagner & van Santen)

  • El fulgor – De schittering
  • Tres lecciones de tinieblas – Drie lezingen in het donker
  • Nadie – Niemand
  • Al lento sol que baja hacia la tarde – Wijken voor de trage zon die naar de avond
  • Si depués de morir nos levantamos – Als we na de dood opstaan,
  • Tal vez en el sediento, oscuro, rápido – Misschien in het dorstige, donkere, haastige
  • Alguien me dice – Iemand zegt me
  • Tu súbita presencia – Je plotselinge aanwezigheid
  • Estás – Je bent daar
  • Esta acidez me es grata al corazón – Die zuurte streelt mijn hart
  • Het sinistere wit van de sneeuw
  • La Aurora – de dageraad
  • Y todo – en alles
  • Sobre el tiempo presente – over het heden

 

el fulgor i

El Fulgor Landschappen

36 abstracte landschappen bij 36 gedichten van J.A. Valente El Fulgor (1984)

36 gedichten van J.A. Valente El Fulgor verbeeld in abstracte landschappen door John Hacking (maart 2017), pigment, sumi-e en inkt op papier 48×36 cm. Dit is de derde variant gebaseerd op gedichten van Valente die inspireren. El fulgor (1984), de Schittering, is een compilatie van mystieke poëzie rond het lichaam, de ziel en de werkelijkheid.

Downloaden en bekijken van deze gedichten met landschappen:

El fulgor paintings new

 

 El Fulgor

[1984}
De schittering

‘Zodat de pneuma een materie is
die een eigenschap wordt van de ziel,
en de vorm van die materie
bestaat in de juiste verhouding
tussen lucht en vuur.’
VETERUM FRAGMENTA

I
En lo gris,
la tenue convicción del suicidio.

El verano tenía la piel húmeda.

Se pegaha secreta en los residuos
del paladar la sed.

Crecieron escondidos las arañas
envolviendo la voz en improhahles
redes.

Pálidos
caían uno a uno los muñecos
ahatidos del alba.
Acaso tú
con lento amor
los fueras destruyendo.

Se pega jadeante
la piel del aire
al cuerpo del durmiente.

No estoy. No estás.
No estamos. No estuvimos nunca
aquí donde pasar
del otro lado de la muerte
tan leve parecía.

I
In het grijs,
de zwakke overtuiging van de zelfmoord.

Klam de huid van de zomer.

De dorst klitte heimelijk
aan de bezinksels van het gehemelte.

De spinnen groeiden verholen
en wikkelden de stem in onwaarschijnlijke
webben.

Bleek
vielen een voor een de neergehaalde
poppen van de dageraad.
Wellicht was jij het
die ze met trage liefde
vernielde.

Hijgend plakt
de huid van de lucht
aan het lichaam van de slaper.

Ik besta niet. Jij bestaat niet.
Wij bestaan niet. Nooit bestonden wij
hier waar oversteken
naar de andere kant van de dood
zo licht leek.

VII
Arrastraba su cuerpo
como ciego fantasma
de su nunca mañana.

Ardió de pronto
en los súbitos bosques
el dia.
Vio la llama,
conoció la llamada.

El cuerpo alzó a su alma,
se echó a andar.

VII
Hij sleepte zijn lichaam
als het blinde spook
van zijn onmogelijke ochtend.

Opeens ontvlamde
de dag
in de onverhoedse bossen.
Hij zag de gloed,
herkende de roep.

Het lichaam hielp zijn ziel overeind,
begon te lopen.

VIII
Vuelvo a seguir ahora
tu glorioso descenso
hacia los centros
del universo cuerpo giratorio,
una vez más ahora,
desde tus propios ojos,
tu larga marcha oscura en la materia
más fulgurante del amor.

La noche.

Me represento al fin tu noche
y su extensión, la noche, tu salida
al absoluto vértigo,
la nada.

(Elegfa, Piazza Margana)

VIII
Nu begin ik opnieuw
je roemrijke afdaling te volgen
naar de middelpunten
van het als een lichaam tollende universum,
nu nog een keer,
vanuit je eigen ogen,
je trage donkere tocht in de meest
schitterende materie van de liefde.

De nacht.

Eindelijk stel ik mij je nacht voor
en zijn bereik, de nacht, je vertrek
naar de absolute duizeling,
het niets.

(Elegie, Piazza Margana)

XII
Moluscos lentos,
sembrada estás de mar, adentro
de ti hay mar: moluscos del beber
en ti el mar
para que nunca en ti
tuvieran fin las aguas.

XII
Trage schelpdieren,
je bent met zee bezaaid, binnenin
jou, de zee: schelpdieren van het drinken
in jou de zee
opdat nooit in jou
de wateren eindigen.

XV
Cuerpo, lo oculto,
el encubierto, fondo
de la germinación,
la luz,
delgados hilos
líquidos,
medulas,
estambres con que el cuerpo
alrededor de sí sostiene
el aire, bóveda,
pájaro tenue, terminal, tejido
de luz corpórea al cabo
el despertar.

XV
Lichaam, het verborgene,
heimelijke, bodem
van het ontkiemen,
het licht,
fijne draadjes
vloeibaar ,
merg,
meeldraden waarmee het lichaam
om zich heen de lucht
stut, gewelf,
tere vogel, eindig, weefsel
van lichamelijk licht tot het einde
het ontwaken.

XXV
Entrar,
hacerse hueco
en la concavidad,
ahuecarse en lo cóncavo.
No puedo
ir más allá, dijiste, y la frontera
retrocedió y el limite
quebróse aún donde las aguas
fluían más secretas
bajo el arco radiante de tu noche.

XXV
Binnengaan,
holte worden
in het holle,
hol worden in het holle.
Ik kan niet
verder, zei je, en de grens
week terug en nog brak
de limiet waar de wateren
heimelijker vloeiden
onder de stralende boog van je nacht.

XXVIII
A los recintos ultimos del alma
nocturno entraste, cuerpo, para
que no pudiera
morir, para llevarla
en tus desnudos brazos a la raya
del sol, en el ardiente
confin del dia o de la luz
que ya se avecinaban.

(Epitalamio )

XXVIII
In de laatste zalen van de nachtelijke
ziel ging je binnen, lichaam, opdat
ze niet zou kunnen
sterven, om haar in je naakte armen
tot aan de lijn van de zon
te brengen, op de brandende
rand van de dag of van het licht
die al nader kwamen.

(Epithalamium )

XXX
Venías, ave, corazón, de vuelo,
venías por los líquidos más altos
donde duermen la luz y las salivas
en la penumbra azul de tu garganta.

Ibas, que voy
de vuelo, apártalos, volando
a ras de los albores más tempranos.

Sentirte así venir como la sangre,
de golpe, ave, corazón, sentirme,
sentirte al fin llegar, entrar, entrarme,
ligera como luz, alborearme.

XXX
Jij kwam, vogel, hart, in je vlucht,
jij kwam naar vloeistoffen, de hoogste,
waar licht en speeksel slapen
in de blauwe schemer van je keel.

Jij ging, ik
in mijn vlucht, drijf ze uiteen, en vlieg
over het vroegste dagen rakelings.

Je zo voelen, zoals het bloed, je komt,
en plots voel ik mij, vogel, hart, voel ik
jou eindelijk komen, binnen, in mij,
zo licht als licht, mijn dageraad bewonen

XXXV
La aparición del pájara que vuela
y vuelve y que se pasa
sabre tu pecha y te reduce a grano,
a grumo, a gota cereal, el pájaro
que vuela dentro
de ti, mientras te vas hacienda
de sola transparencia,
de sola luz,
de tu sola materia, cuerpo
bebido por el pájaro.

XXXV
De verschijning van de vogel die vliegt
en terugkeert en neerstrijkt
op je borst en je tot korrel maakt,
klonter, druppel graan, de vogel
die in jou binnen
vliegt, en zelf word jij helemaal
doorschijnend,
een en allicht,
een en al jouw materie, lichaam
gedronken door de vogel.

XXXVI
y todo lo que existe en esta hora
de absoluto fulgor
se abrasa, arde
contigo, cuerpo,
en la incendiada boca de la noche.

XXXVI
En alles wat op dit uur bestaat
met absolute schittering
ontvlamt, brandt
met jou, lichaam,
in de ontvlamde mond van de nacht.

Tres lecciones de tinieblas
[1980]

Drie lezingen in het donker

‘De heilige -gezegend zij hij -woont in de letters.’
DOV BAER VAN MEZERITZ

Primera lección

Bet
Casa, lugar, habitación, morada: empieza así la oscura narración de los tiempos: para que algo tenga duración, fulguración, presencia: casa, lugar, habitación, memoria: se hace mano lo cóncavo y centro la extensión: sobre las aguas: ven sobre las aguas: dales nombres: para que lo que no está esté, se fije y sea estar, estancia, cuerpo: el hálito fecunda al humus: se despiertan, como de si, las formas: yo reconozco a tientas mi morada.

Eerste les

Bêt
Huis, plek, kamer, verblijf: zo begint de donkere vertelling van de tijden: opdat iets duur, schittering, aanwezigheid heeft: huis, plek, kamer, geheugen: het holle wordt hand en de omvang midden: over de wateren: kom over de wateren: geef ze namen: opdat wordt wat niet is, zich vastzet en bestaan, verblijf, lichaam wordt: adem bevrucht humus: de vormen ontwaken, als uit zichzelf: tastend herken ik mijn verblijf.

Segunda lección

Zayin
Ahora tenía ante sí lo posible abierto a lo posible y lo posible: y para no morir de muerte tenía ante sí mismo el despertar: un dios entró en reposo el dia séptimo: vestiste te armadura: señor de nada, ni el dios ni tú: tu propia creación es tu palabra: la que aún no dijiste: la que acaso no sabrias decir, pues elIa ha de decirte: la que aguarda nupcial como la sierpe en la humedad secreta de la piedra: no hay memoria ni tiempo: y la fidelidad es como un pájaro que vuela hacia otro cielo: nunca vuelvas: un dios entró en reposo: se desplegaba el aire en muchas aves: en espejos de espejos la mañana: en una sola lágrima el adiós: te fuiste como el humo que deshace incansable sus múltiples figuras: no adorarás imágenes: señor de nada: en el urnbral del aire: tu planta pisa el despertar.

Tweede les

Zajin
Nu lag het mogelijke voor hem, open op het mogelijke en het mogelijke: en om niet van dood te sterven lag voor hem het ontwaken: een god ging rusten op de zevende dag: jij trok je wapenrusting aan: heer van niets, god noch jij: je eigen schepping is je woord: dat wat je nog niet sprak: dat wat je misschien niet zou kunnen spreken, want het moet jou spreken: dat wat huwbaar wacht zoals de slang in de geheime vochtigheid van de steen: geheugen noch tijd bestaan: en de trouw is als een vogel die naar een andere hemel vliegt: kom nooit terug, jij: een god ging rusten: de lucht ontplooide zich in vele vogels: in spiegels .van spiegels de ochtend: in een enkele traan het afscheid: je vertrok zoals de rook die onvermoeibaar zijn vele figuren oplost: je zult geen beelden vereren: heer van niets: op de drempel van de lucht: je voetzool betreedt het ontwaken.

Tercera lección

Nun
Para que sigas: para que sigas y te perpetúes: para que la forma engendre a la forma: para que se multipliquen las especies: para que la hoja nazca y muera, vuelva a nacer y vea la imagen de la hoja: para que las ruinas de los tiempos juntos sean la eternidad: para que el rostro se transforme en rostro: la mirada en mirada: la mano al fin en reconocimiento: oh Jerusalem.

Derde les

Nun
Opdat je verder loopt: opdat je verder loopt en eeuwig wordt: opdat de vorm de vorm verwekt: opdat de soorten zich vermenigvuldigen: opdat het blad ontstaat en sterft, opnieuw ontstaat en van het blad het beeld ziet: opdat de ruïnes van de tijden
samen de eeuwigheid worden: opdat het gezicht zich in gezicht verandert: de blik in blik: de hand eindelijk in herkenning: o Jeruzalem.

Nadie
[1996]

Niemand

‘Het donker is voor jou niet donker
en de nacht lichtend als de dag.
Duisternis is licht.’
PSALM 139, 6

Nadie
Flotar en la incierta realidad de ser, tentar a ciegas lo improbable, no teller asidero en tanta sombra. Los cuerpos de los ahogados en el mar meditan boca abajo, pero no ven el fondo con los ojos vacíos. El anciano volvió con una antorcha e iluminó los barcos naufragados. Se alzó desde la noche un coro en una lengua imposible de interpretar. Esta es la verdadera canción, pensaste, y luego te fuiste diluyendo, despacio, muy despacio, en lo no descifrable.

Niemand
Drijven in de onzekere werkelijkheid van het zijn, in het donker ervaren wat onwaarschijnlijk is, zonder houvast in zoveel donker. In de zee mediteren de lichamen van de verdronkenen op hun buik, maar met hun lege ogen zien ze de bodem niet. De oude man kwam terug met een toorts en verlichtte de boten die schipbreuk hadden geleden. Uit de nacht steeg een koor en zijn taal was onbegrijpelijk. Je dacht: dit is het ware lied, en traag, heel traag begon je op te lossen in het onontcijferbare.

Proyecto de epitafio

De ti no quedan más
que estos fragmentos rotos.

Que alguien los recoja con amor, te deseo,
los tenga junto a si y no los deje
totalmente morir en esta noche
de voraces sombras, donde tú ya indefenso
todavia palpitas.

Ontwerp voor een grafschrift

Van jou blijft niets,
alleen deze gebroken fragmenten.

Dat iemand ze liefdevol verzamelt, wens ik je toe,
ze koestert en ze niet geheel en al
laat sterven in deze nacht
van gulzige schaduwen, waarin jij al weerloos
blijft trillen.

Redoble por los Kaiowá del Mato Grosso del Sur

La lluvia cayó sobre las hojas
hasta agotar los números del tiempo.

El río trajo la bronca imagen de los asesinos
reflejada en sus aguas más oscuras.
Venían con sus dioses de bolsillo,
aguardentosos, tristes, ávidos.
El áspero ruido de sus botas
llegaba basta las bóvedas del cielo.

Vosotros os levantasteis hacia el aire
como bandada de aves indefensas.

No sabeis cuántos murieron,
cuántos habeis quedado,
qué quedará de todo y de la luna
cuando ya nada quede de vosotros.

Fazendeiros de fazendas e mortes
cheios de sombra.

Quien esté ciego para verlo no merece
vivir.

El mate ardiente pasa
de una mano a otra mano.

Todas las manos juntas representan
el nuevo nacimiento, el vuestro, el nuestro,

si aún nos fuera posible
nacer a vuestro lado
en la tierra sin mal.

Tromgeroffel voor de Kaiowa van de zuidelijke Mato Grosso

De regen viel op de bladeren
en putte de getallen van de tijd helemaal uit.

De rivier bracht het rauwe beeld van de moordenaars
weerspiegeld op de donkerste wateren.
Ze kwamen met hun goden in zakformaat,
stonken naar brandewijn, droevig, inhalig.
Het harde kletteren van hun laarzen
steeg tot de gewelven van de hemel.

Jullie zijn in de lucht opgevlogen
als een klad weerloze vogels.

Jullie weten niet hoeveel er gestorven zijn,
met hoevelen jullie nog waren,
wat van alles en van de maan zal blijven
wanneer van jullie niets meer blijft.

Fazendeiros de fazendas e mortes
cheios de sombra.

Wie blind is en dit niet ziet, verdient het niet te
leven.

De hete maté gaat
van hand tot hand.

Alle handen samen vormen
de nieuwe geboorte, de uwe, de onze,

als we nog
aan uw zijde geboren konden worden
op de aarde zonder kwaad.

*
Al lento sol que baja hacia la tarde
ceder, abandonarse.
Declinación.

El flujo del vivir
se ha ido deteniendo imperceptible
Como el borde del vuelo o la caricia.
Aún dura leve lo que fuera huella
de su tacto tenue.

No sé si salgo o si retorno.
¿Adónde?
El fin es el comienzo.
Nadie
me dice adiós. Nadie me espera.

Entrar ahora en el poniente,
ser absorbido en luz
con vocación de sombra.

y tÚ, que me has amado, sacrifica
a las divinidades de la noche
lo más puro de mi
que en tu secreto reino sobreviva.

(Luces hacia el poniente)

*
Wijken voor de trage zon die naar de avond
neigt, zich eraan overgeven.
Verval.
De stroom van leven
is stilaan onmerkbaar opgedroogd
zoals de rand van vlucht of streling.
Ijl duurt nog wat van zijn lichte aanraking
een spoor was.

Ik weet niet of ik vertrek of terugkeer .
Waarheen’?
Het einde is het begin.
Niemand
zegt me vaarwel. Niemand die op me wacht.

Nu binnengaan in de ondergaande zon,
opgeslorpt worden in licht,
tot schaduw geroepen.

En jij, die mij hebt liefgehad, offer
aan de goden van de nacht
het zuiverste deel van mij
dat in je geheime rijk zal overleven.

(Lichten naar de ondergaande zon)

*
Si depués de morir nos levantamos,
si después de morir
vengo hacia ti como venía antes
y hay algo en mi que tú no reconoces
porque no soy el mismo,
qué dolor el morir, saber que nunca
alcanzaré los bordes
del ser que fuiste para mí tan dentro
de mi mismo,
si tú er as yo y entero me invadiás
por qué tan ciega ahora esta frontera,
tan aciago este muro de palabras
súbitamente heladas
cuando más te requiero,
te digo ven y a veces
todaviá me miras con ternura
nacida sólo del recuerdo.

Qué dolor el morir, llegar a ti, besarte
desesperadamente
y sentir que el espejo
no refleja mi rostro
ni sientes tú,
a quien tanto he amado,
mi anhelante impresencia.

(Elegia: fragmento)

*
Als we na de dood opstaan,
als ik na de dood
naar jou kom zoals ik vroeger kwam
en in mij is er iets wat jij niet herkent
omdat ik niet dezelfde ben,
wat een pijn doet sterven, weten dat ik nooit
de randen zal bereiken
van het wezen dat jij voor mij was zo diep binnen
in mijzelf,
als jij ik zou zijn en jij mij helemaal doordrong
waarom is deze grens dan zo blind,
zo rampzalig deze muur van woorden
die plotseling bevroren
nu ik je het hardst nodig heb,
ik zeg je kom en soms
kijkje me nog aan met een tederheid
alleen uit de herinnering geboren.
Wat een pijn doet sterven, naar jou komen, je kussen
wanhopig
en voelen dat de spiegel
mijn aangezicht niet weerspiegelt
noch voel jij
van wie ik zielsveel heb gehouden
mijn hunkerende onaanwezigheid.

(Elegie: fragment)

*
Tal vez en el sediento, oscuro, rápido
deshacerse del día
te has ido transformando en otra cosa
limitrofe de ti,
no tú.
No vuelves
a encontrarte
si regresas a tientas
al cuerpo que tuviste,
allugar donde ardiera
hasta el blanco del sueño
el hierro del amor.
Depón tu rostro
que ahora desconoces.
Deja huir tus palabras,
libéralas de ti
y pasa lentamente,
desmemoriado y ciego,
bajo el arco dorado
que arriba tiende el anchuruso otoño
como homenaje póstumo a las sombras.

(Arco de triunfo)

*
Misschien in het dorstige, donkere, haastige
verbrokkelen van de dag
ben je langzaam veranderd in iets anders,
in iets wat aan je grenst,
niet jij.
Je komt niet
tot jezelf terug
als je tastend terugkeert
naar het lichaam dat je had,
naar de plek waar tot in het wit
van de droom het metaal
van de liefde schroeide.
Leg neer je aangezicht
dat je nu niet meer kent.
Laat je woorden vluchten,
bevrijd ze van jou
en stap traag,
onheuglijk en blind,
onder de vergulde boog
die de weidse herfst daarboven spant
als laatste eer aan de schaduwen.

(Triomfboog)

*
Alguien me dice
que un ho mb re joven viene
de tiempo en tiempo a visitar tu tumba.

Desbroza los hierbajos.

Un hombre joven, dicen, bello
con un sombrero campesino.

Interrogado, dijo
ser un amigo de tus familiares.

¿Quién es esa figura que así acude?

Tal vez eres tu mismo que regres as
para ver dónde estás y depositas
al pie de tus cenizas,
húmedo, un ramo
de lluvia, o de tristeza.

(El visitante )

Iemand zegt me
dat een jongeman
van tijd tot tijd je graf komt bezoeken.

Hij wiedt het onkruid.

Een jongeman. zeggen ze, mooi,
met een boerenhoed.

Toen ze het hem vroegen zei hij
dat hij een vriend van je familie is.

Wie is die gedaante die zo opdaagt’?

Misschien ben jij het wel die terugkomt
om te zien waar je bent en die
aan de voet van je as,
nat, een takje
regen of verdriet neerlegt.

(De bezoeker )

*
Tu súbita presencia.
Toda tu luz irrumpe duradera, dura
como la piedra.
Vienes
tan inmóvil, tan adentro de ti.
Lo hondo.
En tu sola existencia,
tu sola luz, estás
ardiendo para siempre.

(Presencia )

*
Je plotselinge aanwezigheid.

Al je licht stroomt binnen, duurzaam, hard
als steen.
Je komt
zo onbeweeglijk, zo in jezelf gekeerd.
Het diepe.
In je enige bestaan,
je enige licht,
brand je voor altijd.

( Aanwezigheid)

*
Los sentidos saltan sobre los pensamientos.
ECKHART

Estás
en tu luz no visible. no engendrado,
único, el único.
Se posa tu mirada
en la ausencia de ti o en la no descifrable
irrupción de tu forma en tu vacio.

Y allí dejas la huella de tu paso.

Sali tras ti.
Devuélveme a tus ojos
que llevo en mis entrañas dibujados.

(La nada)

*
‘De gevoelens springen over de gedachten.’
ECKHART

Je bent daar
in je licht niet zichtbaar, niet verwekt,
enig, de enige.
Je blik legt zich
op de afwezigheid van jou of in het niet ontcijferbar,
onverhoedse binnenstromen van je vorm in je leegte

En daar laat je je stapspoor achter.

Ik liep achter je aan.
Geef me terug aan je ogen
die ik draag in mijn ingewanden gegrift.

(Het niets)

*
Esta acidez me es grata al corazón
si no estuviera a punto de expirar.

Abre aún la ventana en la que el aire
agolpa párajos dede el bosque amarillo
donde aún empieza a clarear la luz.

Llama a mi puerta.
Dime
quién eres tú que ahora llegas
cuando todo parece termillar.

Cabellera del tiempo arrastra noches
como ríos sin término
hacia el adiós.

Amiga, vuelve
a la vida, tu que puedes aún.

En la otra orilla tu figura blanca,
erguida, guarda el solo testimonio
cierto de mi.

(Figura)

*
Die zuurte streelt mijn hart
hoewel ik bijna sterf.

Open nog het raam waartegen de lucht
vogels werpt uit het gele bos
waar het licht nog klaart.

Klop op mijn deur.
Zeg me
wie je bent jij die nu komt
wanneer alles lijkt te eindigen.

De haardos van de tijd rukt nachten weg
als rivieren eindeloos
op weg naar vaarwel.

Vriendin, kom tot
het leven terug, jij kunt het nog.

Rechtop, op de andere oever, bewaart
je witte gedaante het enige zekere
getuigenis van mij.

(Gedaante)

La blanca siniestra de la nieve. El bajo techo gris del aire. Las nubes como bestias abatidas al ras de las techumbres. La lividez del ala o del espacio como placa metálica sobre nuestras cabezas. Ciudad de pálidas usuras. Podrán otros mirarte con más alegre corazón. Jamás el ave que nunca en ti encontró reposo ni morada.
Het sinistere wit van de sneeuw. De lage, grijze zoldering van de hemel. De wolken als neergeslagen dieren over de daken. De vaalheid van de vleugel of de ruimte als een metalen plaat boven onze hoofden. Stad van bleek gewoeker. Anderen zullen naar je kunnen kijken met een blijmoediger hart. Nooit de vogel die nooit rust of verblijf in je vond.

LA AURORA

sólo engendrada por la noche.
Y no depuse
el ramo húmedo
que tú me diste de tus lágrimas
para ir al otro lado de la sombra.
Fui devorado.
Pero tú dijiste
que no podía
morir.
La aurora

DE DAGERAAD
enkel en alleen door de nacht gebaard.
En ik wees
de vochtige ruiker niet af
die jij me van je tranen gaf
om naar gene zijde van de schaduw te gaan.
Ik werd verscheurd.
Maar jij zei
dat hij niet mocht
sterven.
De dageraad.

XXXVI
Y todo
lo que existe en esta hora
de absoluto fulgor
se abrasa, arde
contigo,
cuerpo,
en la incendiada boca
de la noche.

XXXVI
En alles
wat er op dit uur
van volkomen luister bestaat
verschroeit, verbrandt
met jou, lichaam,
in de verzengende mond
van de nacht.

Sobre el tiempo presente

Se freres vous clamons, pas n’en devez
Avoir desdaing, quoy que fusmes occis
Par justice.
BALLADE DES PENDUS

Escribo desde un naufragio,
desde un signo o una sombra,
discontinuo vacio
que de pronto se llena de amenazante luz.

Escribo sobre el tiempo presente,
sobre la necesidad de dar un orden testamentario a nuestros
gestos,
de transmitir en el nombre del padre,
de los hijos del padre,
de los hijos oscuros de los bijos del padre,
de su rastro en la tierra,
al menos una buella del amor que tuvimos
en medio de la noche,
del llanto o de la llama que alla vez alza al hombre
al tiempo ávido del dios
y arrasa sus palacios, sus ganados, riquezas,
basta el tejo y la úlcera de Job el voluntario.

Escribo sobre el tiempo presente.

Con lenguaje secreto escribo,
pues quién podría darnos ya la clave
de cuanto hernos de decir.
Escribo sobre el hálito de un dios que aún no ha tornado forma,
sobre una revelación no hecba,
sobre el ciego legado
que de generación en generación llevará nuestro nombre.

Escribo sobre el mar,
sobre la retirada del mar que abandona en la orilla
formas petrificadas
0 restos palpitantes de otras vidas.
Escribo sobre la latitud del dolor,
sobre lo que hemos destruido,
ante todo en nosotros,
para que nadie pueda edificar de nuevo
tales muros de odio.
Escribo sobre las humeantes ruinas de lo que creímos,
con palabras secretas,
sobre una visión ciega, pero cierta,
a la que casi no han nacido nuestros ojos.
Escribo desde la noche,
desde la infinita progresión de la sombra,
desde la enorme escala de innumerables números,
desde la lenta ascensión interminable,
desde la imposibilidad de adivinar aún la conjurada luz,
de presentir Ia tierra, el término,
la certidumbre al fin de lo esperado.
Escribo desde la sangre,
desde su testimonio,
desde la mentira, la avaricia y el odio,
desde el clamor del hambre y del trasmundo,
desde el condenatorio borde de la especie,
desde la espada que puede herirla a muerte,
desde el vacio giratorio abajo,
desde el rostro bastardo,
desde la mano que se cierra opaca,
desde el genocidio,
desde los niños infinitamente muertos,
desde el árbol herido en sus raíces,
desde lejos,
desde el tiempo presente.
Pero escribo también desde la vida,
desde su grito poderoso,
desde la historia,
no desde su verdad acribillada,
desde la faz del hombre,
no desde sus palabras derruidas,
desde el desierto,
pues de alli ha de nacer un clamor nuevo,
desde la muchedumbre que padece
hambre y persecución y encontrará su reino,
porque nadie podria arrebatárselo.
Escribo desde nuestros huesos
que ha de lavar la lluvia,
desde nuestra memoria
que será pasto alegre de las aves del cielo.
Escribo desde el patíbulo,
ahora yen la hora de nuestra muerte,
pues de algtIn modo hemos de ser ejecutados.

Escribo, hermano mío de un tiempo venidero,
sobre cuanto estamos a punto de no ser,
sobre la fe sombría que nos lleva.

Escribo sobre el tiempo presente.

Over het heden

Se freres vous clamons, pas n’en devez
Avoir desdaing, quoy que fusmes occis
Par justice.
BALLADE DES PENDUS

Ik schrijf uit een schipbreuk,
uit een teken of een schaduw,
een afgebroken leegte
die opeens volloopt met dreigend licht.

Ik schrijf over het heden,
over de noodzaak om een testamentaire orde aan onze gebaren
te geven,
om door te geven in de naam van de vader,
van de kinderen van de vader, –
van de duistere kindskinderen,
van hun spoor op aarde,
tenminste een spoor van de liefde die we ondervonden
in het holst van de nacht,
van de klacht of de vlam die de mens zowel verheft
tot de gretige tijd van de god
als zijn paleizen, kudden en rijkdommen verwoest
tot aan de scherf en de zweer van Job de vrijwillige.

Ik schrijf over het heden.

Ik schrijf in geheimtaal,
want wie zou ons nog de sleutel kunnen geven
van alles wat we moeten zeggen.
Ik schrijf over de adem van een nog vormeloze god,
over een nog niet voltrokken openbaring,
over de blinde afgezant
die generaties lang onze naam zal dragen.

Ik schrijf over de zee,
over de zee die zich terugtrekt en op het strand
versteende vormen achterlaat
of trillende restanten van andere levens.
Ik schrijf over de breedte van de pijn,

over wat we verwoest hebben,
vooral in onszelf,
opdat niemand ooit nog zo’n muren van haat
kan optrekken.

Ik schrijf over de walmende ruïnes van ons geloof,
met geheime woorden,
over een blind maar trefzeker visioen,
waarvoor onze ogen amper zijn geboren.
Ik schrijf uit de nacht,
uit de eindeloze voortgang van de schaduw,
uit de enorme schaal van ontelbare getallen,
uit de trage, eindeloze beklimming,
uit de onmogelijkheid het samenzwerende licht te voorspellen,
de aarde te voorvoelen, het einde,
en tenslotte de zekerheid van het langverwachte.

Ik schrijf uit het bloed,
uit zijn getuigenis,
uit de leugen, de inhaligheid en de haat,
uit de schreeuw van de honger en de onzienlijke wereld,
uit de veroordelende rand van de soort,
uit het zwaard dat die soort dodelijk kan treffen,
uit de draaiende leegte beneden,
uit het aangezicht van de bastaard,
uit de hand die zich ondoorzichtig sluit,
uit de volkerenmoord,
uit de kinderen eindeloos gestorven,
uit de boom in zijn wortels gewond,
uit de verte,
uit het heden.

Maar ik schrijf ook uit het leven,
uit zijn krachtige schreeuw,
uit de geschiedenis,
niet uit zijn neergekogelde waarheid,
uit het gelaat van de mens,
niet uit zijn neergehaalde woorden,
uit de woestijn,
want daaruit komt een nieuw protest,
uit de menigte mensen die honger en vervolging
lijden en hun rijk zullen vinden,
want niemand kan het hun afpakken.

Ik schrijf uit onze beenderen
die de regen zal wassen,
uit ons geheugen
dat blij grasland wordt voor de hemelse vogels.
Ik schrijf van op het schavot,
nu en in het uur van onze dood,
want we worden hoe dan ook terechtgesteld.

Ik schrijf, broer van een komende tijd,
over alles wat wij op het punt staan niet te zijn,
over het donkere geloof dat ons stuwt.

Ik schrijf over het heden.

ijsland