Zalige tijd

Voor mijn persoonlijke inspiratie als gelovige heb ik veel aan het denken en de woorden van Abraham Joshua Heschel (1907-1972). Hij is niet alleen een grote inspiratiebron maar hij is ook een voorbeeld hoe je met religieuze vraagstukken in onze tijd om kunt gaan en hoe de vertaling kunt maken naar ons eigen leven. Nou ben ik geen Jood, kom ik niet uit een Joodse kleine Oost-Europese gemeenschap, ook niet uit een liberale westerse gemeenschap, maar ben ik christen en Rooms-katholiek, maar dat verhindert niet om open te staan voor de denkbeelden van deze inspirerende man. Want hij heeft mij persoonlijk iets te zeggen en ik laat me graag door hem gezeggen. Ik beschouw hem dus als een geestelijke autoriteit. In een studie waarin hij spreekt over de sabbat en het belang hiervan wordt hij docent in het huis van verwondering genoemd omdat hij spreekt over een leven aangepast aan de aanwezigheid van God, over een levend bewustzijn in elke ademtocht van de glorie en de macht en liefde van de Schepper. Dat vind ik een mooi doel om na te streven, een ideaal om na te leven, een leven in dienst van die bewustwording en het handelen dat daarbij past.

Heschel noemt de tijd het hart van het bestaan. Niet de ruimte is het belangrijkste maar de tijd. In onze wereld van kennis en manipulatie versterken we onze invloed op en in de ruimte. Maar zo zegt Heschel, “meer bezitten betekent niet: meer te zijn. De macht die wij verkrijgen in de wereld van de ruimte, eindigt plotseling bij de grenslijn van de tijd.” De ruimte veroveren en controleren hoort bij ons leven, maar als we daarbij onze verlangens in het domein van de tijd verspelen wordt het gevaarlijk. Onze 24 uurs economie is daar een goed voorbeeld van. Als we alleen maar werken, alleen maar actief zijn, nooit tijd voor onszelf gaan we eraan ten gronde. Leven alsof er alleen maar ruimte bestaat en geen tijd, geen loze tijd, alle tijd gevuld met activiteit, leidt tot een vorm van ondergang. We worden gelijk aan de ruimte: uiteindelijk belanden we in de kist en hebben moeten constateren dat we niet hebben geleefd, niet echt hebben geleefd. Een echt leven kan niet zonder tijd en zonder niet-ingevulde tijd. Heschel zegt het zo: “Er is een domein van de tijd waar het doel niet is om te hebben maar om te zijn, niet om te bezitten maar om te geven, niet om te controleren maar om te delen, niet om te onderwerpen maar om mee te harmoniëren. Het leven ontspoort als de controle van de ruimte, het verkrijgen van ruimtelijke dingen, onze enige zorg wordt.”(p. 27)

Heschel zegt dat niets nuttiger is dan macht, maar ook niets is angstaanjagender. Omdat de mens zich vaak afhankelijk maakt van dingen wordt hij zelf een gebruiksvoorwerp. Hij ondergaat het lot van datgene waar hij zijn tijd aan besteedt. Hij wordt ding onder de dingen, geleefd, en na gebruik achteloos weggegooid. Dat zien we in een maatschappij waar mensen niet meetellen als individu. Ze zijn alleen maar goed als productieslaaf en als consument. Ze besteden hun tijd aan productie van goederen en het consumeren van goederen. Maar waar blijven ze zelf? Is dat alles wat het leven interessant en boeiend, zinvol en waardevol maakt? Velen zijn daarom op zoek naar andere invullingen, naar verheven idealen die een bodem kunnen vormen onder hun bestaan. Religieus ingevuld (een religieuze staat), materieel ingevuld (rijkdom), of spiritueel (nieuwe lagen in je bestaan) een zoektocht starten in dit leven, het zijn allemaal pogingen die met tijd te maken hebben, met tijd vrijmaken voor. Maar als loze tijd, vrije tijd, lege tijd daarin niet meedoen, zal elke poging falen, loopt de mens in kwestie vast in zijn project.

Voor Heschel is de sabbat en het onderhouden van de sabbat een lichtend voorbeeld voor tijd die omwille van zichzelf bestaat. En het is het vervullen van een religieus gebod, door God gegeven. Niet zozeer uit het luchtledige, maar eerst en vooral ten goede komend aan de mens  zelf en zijn zelf-verstaan. Het is een hulpmiddel, een teken, een manier van de tijd heiligen want het Jodendom, zo Heschel is een godsdienst van tijd gericht op de heiliging van de tijd. Heiligen betekent ook apart zetten, los van de dagen dat er gewerkt wordt, los van de dagen waarin vooral de ruimte veel tijd opeist. Tijdens de sabbat is de ruimte ingeperkt, beperkt opdat alle aandacht gaat naar datgene wat op dat moment belangrijk is: welzijn van geest en leden, het lichaam tot rust gekomen, de geest verdiept in de woorden van God, de maaltijd gevierd, het feest van een toekomende tijd, een tijd van verlossing, van de Messias, alvast een beetje voorgeproefd. Heschel noemt de sabbat een paleis in de tijd, een zalige tijd, zou ik zeggen. Hij gebruikt 93 pagina’s om deze sabbat te beschrijven en te ‘verheerlijken’ en geen enkele pagina is overbodig of doet er niet toe. In die zin betoont Heschel zich een ware rabbi die het woord Gods dicht bij het hart van mensen kan brengen. En hij houdt ons een spiegel voor: wat doen wij met onze tijd, hoeveel sabbat – tijd nemen wij in ons leven – hoeveel tijd besteden wij aan zalige tijd? Of blijven we maar altijd jakkeren?

John Hacking

17 juni 2016

A.J. Heschel, De sabbat & Vernieuwing vanuit de traditie. Een Joodse visie, Amsterdam 2006 (Abraxas)