Overpeinzing over God

Overpeinzing over God

“We mogen meer van God verwachten dan het herstel van wat verloren is gegaan. Met de vervulling van onze diepste dromen? Maar onze dromen zijn niet diep genoeg, omdat het ons nooit zal lukken God geheel te kennen. Met het niets, omdat er niets is dat dichter bij het alles staat? Doch God blijft niet rusten in de paradox, hij overstijgt die zonder de schoonheid ervan te doorbreken. De Verrijzenis brengt ons voorbij alles. Daarom gaat ze nooit voorbij. God is Verrijzenis.”

Rik Torfs – Titus Brandsma-lezing op 17 juni 2016 te Nijmegen

God is verrijzenis. Dat zijn woorden die blijven haken en die aanzetten tot herkauwen zoals een koe het gras door verschillende magen laat gaan om het tenslotte als melk op te slaan. Wij zien het gras en drinken de melk. Alles wat zich daartussen afspeelt is aan het oog onttrokken. Met ons leven is het net omgekeerd: we worden in deze wereld geworpen en we doorgaan een aantal transformaties totdat ons lichaam ons in de steek laat en we sterven. Geboorte en dood ontrekken zich aan ons oog en aan onze geest. Van de fases daartussen hebben we een beperkte herinnering.

God is verrijzenis. Dat kan zin geven aan mijn leven omdat de belofte klinkt dat de dood niet het einde hoeft te zijn van mijn bestaan. De Franse filosoof François Cheng vraagt zich in dit licht af waarom het universum bestaat en waarom wij bestaan? Wij kunnen namelijk in het universum verdwijnen zonder één enkel spoor achter te laten. De dood is een mysterie omdat we leven en het leven is een mysterie omdat we zelf niet de bron ervan zijn. Wij zitten er tussen ingeklemd. Cheng zegt: Le Rien signifie le Tout (vrij vertaald: niets betekent alles). Dat is een paradoxale manier van spreken die dicht in de buurt komt van wat Torfs boven zegt in het citaat. God kunnen wij niet kennen en toch zetten wij alle hoop op hem.

God is verrijzenis. Wie zijn wij dat wij een dergelijke God, op z’n Duits gezegd “beanspruchen”? Een God die ons niet laat stikken, niet laat verkommeren, niet laat wegkwijnen in de groeve van de dood? Het stellen van dit soort vragen is meer dan een willen weten. Meer dan een zoeken naar zekerheid. Een andere filosoof, Martin Heidegger, zegt dat in dit willen een vastberadenheid schuilgaat. Een met vaste beradenheid willen onthullen van ons bestaan tegen de achtergrond van het zijn als zodanig, een begrip dat noodzakelijk abstract blijft omdat het aan alles vooraf gaat. Heidegger zegt dat weten betekent: “in de waarheid kunnen staan; het hebben van louter kennis, hoe omvangrijk ook, is nog geen weten. Weten betekent kunnen leren, en wetend alleen is hij die inziet dat hij telkens opnieuw moet leren en die op grond van dit inzicht zich vooral daarin heeft geoefend, dat hij steeds kan leren. Dat laatste is heel wat moeilijker dan kennis bezitten.”En “kunnen leren stelt het kunnen vragen voorop.”

Als wij deze vragen durven stellen en op zoek gaan naar een antwoord, via de weg van het vragen naar God, komen we vanzelf op het spoor van de mens, wie ben ik, waar kom ik vandaan, waar ga ik naartoe, wat is de zin van mijn bestaan, en hoe doen we het samen in deze wereld, als mensen met elkaar? Of met andere woorden wat is de waarheid in mijn leven, wat is de waarheid van mijn leven. Deze waarheid is volgens mij géén dode letter, deze, mijn waarheid is gedifferentieerd en deze waarheid is persoonlijk want anders betekent ze niets voor mijn persoonlijke existentie. Deze waarheid is daarom ook intersubjectief want ik kan haar delen en daarmee kan ze aan andere existenties raken. Deze waarheid grenst voor mij aan het wonder en roept bij mij verwondering op. Ze heeft voor mij heuristische waarde omdat ze als mijn waarheid significant (betekenisvol) is en ze significeert, dat wil zeggen dat ze mij en mijn leven betekenis geeft die zich verder kan verdiepen en transformeren. Ook Francois Cheng stelt dat onze persoonlijke waarheid niet bestaat in gelijkschakeling (nivellering) en verdwijning van verschillen, maar in de transmutatie en de transfiguratie. Transformatie, transmutatie, transfiguratie, door de vormen heen, in de vormen veranderend’, wisselend van vorm, van figuur, ziehier een heel korte samenvatting van ons leven en misschien wel van een belofte voor verrijzenis.

God is verrijzenis. Wij zijn een moment in de eeuwigheid, wij zijn een moment van (zijn) eeuwigheid. Als leven trans-formatie is, door de vormen heen, is de dood dat ook als grens van het leven. “Ewigkeit im Augenblick”, schreef Franz Rosenzweig. In de blik van de ogen, in het ogenblik. Misschien is de dood wel het einde van alle transformaties maar dat hoeft een transfiguratie niet uit te sluiten. In ons taalspel krijgen we al een vermoeden en in het begrip ziel proberen we dat vermoeden gestalte te geven in een werkelijkheid. God die de zielen laat voortbestaan. Ik denk daarom wel eens dat waarheid, mijn waarheid, heel dichtbij ligt, bijna op onze huid en onze tong aanraakbaar, in de taal die we spreken, opgesloten; wij hoeven haar alleen maar te bevrijden. Dat doen we door goed te kijken, te luisteren, te ervaren hoe deze waarheid klinkt in de het harnas van de woorden. Als we de geharnaste oordelen even achter ons laten, de vanzelfsprekendheden opnieuw tegen het licht houden en proberen te ervaren wat er nu eigenlijk wordt gezegd. En waar het ons hart, onze ziel binnenkomt en ons kan raken.

God is verrijzenis. Geloven, zo vermoed ik is vooral een aanvaarden en dat vereist een vaardigheid. Aanvaarden van een waarheid die dicht bij je staat. Aanvaarden en er mee gaan varen in dit leven. Een waarheid als metgezel. Een waarheid als kompas, richtingwijzer, een vast beraden willen leren en opnieuw weer leren. Telkens opnieuw, telkens weer open voor het nieuwe. Als de dood een deur is, ligt een toekomst voor ons open. Als de dood, hoewel het einde van dit leven in transformaties, een mogelijkheid biedt tot transfiguratie, is God letterlijk verrijzenis. Mijn, jouw, onze verrijzenis. Is verrijzenis liefde? Is het vlees of beter ziel geworden liefde van God? Liefde sterk als de dood zoals het lied der liederen zo mooi zingt?

God is  verrijzenis. Het is de melk die wij kunnen drinken, het voedsel dat ons in leven houdt, land van melk en van honing ons beloofd. Als ons leven een woestijn is, wacht ons dat land. Als ons leven een groene weide is, is er een Heer die over ons waakt. Als ons leven samen met de dood een eenheid vormt, is ons geloof en aanvaarden geen illusie, geen droom, geen utopie. De onbekende bekende, de zichtbare onzichtbare gaat met ons mee want wij komen uit hem voort. Wij zijn deel van zijn werken, wij zijn als kinderen in dit universum wonder uit zijn hand. Aanvaarden van deze wonderbaarlijkheid die wij zelf zijn, aan-vaarden is ontdekken waarin we geaard zijn, want onze aard is, onze aard aanvaren, als een kade in een vreemd land, een land van melk en honing, een toekomst die telkens open gaat bij elke nieuwe vraag, bij elk nieuw leren. Niet om het eigen gelijk gaat het hier, want het gelijk is een lijk, een dode, een niet meer sprekende ervaring. Maar om het wonder en de verwondering, als het begin van Gods ervaring.  Zo verrijzen we uit de starheid van de dood, ze staan we op uit de eindigheid van dit leven. Misschien voorgoed.

John Hacking

21 juni 2016

DSCN5899