Kom van de tijd

Kom van de tijd

 

Kom

 

Nergens bestaat nooit. Alleen hier en nu

lijkt het als twee druppels op geen idee waar.

De straten lopen vol, maar voelen bodemloos.

Dat kan, daar is maar een man voor nodig.

 

Die ontbreekt. In deze stad van iedereen,

in dit heelal van – o god – mogelijk niemand.

Zo weinig van wat zou kunnen gebeuren,

gebeurt, schreef een schilder eens.

 

Hoe doe je dat toch? Hoe haal je adem

uit dezelfde lucht waaruit op een ochtend

ook een geliefde werd gehaald? Werd gehold.

Is gehold.

 

Misschien gebeurt er veel meer dan wat kan.

Misschien vormt de tijd met z’n handen ooit

een kom, waarin alles past.

 

(Bij de verdwijning van de Baskische Hodei Egiluz)

 

Stijn Vranken: Fiat lux (De Bezige Bij)

 

 

In 2013 verdwijnt de Baskische student Hodei Egiluz in Antwerpen. Later wordt hij dood aangetroffen. Dat is voor Stijn Vranken reden om hem in een gedicht te herdenken.

Het is een gedicht geworden over de dood, over een gemis. Hoe verder te leven met dit gat in je leven als je hem goed hebt gekend en als hij je dierbaar was, zoals een kind voor zijn ouders? “Hoe doe je dat toch? Hoe haal je adem uit dezelfde lucht waaruit op een ochtend ook een geliefde werd gehaald?” vraagt de dichter.

 

Dat geldt voor eenieder die een dierbare moet missen, zeker als deze plotseling uit het leven wordt weggerukt. “De straten lopen vol, maar voelen bodemloos.

Dat kan, daar is maar een man voor nodig. Die ontbreekt. In deze stad van iedereen,

in dit heelal van – o god – mogelijk niemand.” Antwerpen, een grote stad vol mensen, maar het gat blijft, de eenzaamheid die meekomt met het verdriet heeft geen bodem. De dood komt binnen in het leven, je hoeft er niet bang voor te zijn want meestal gaat het goed. Behalve deze keer. “Zo weinig van wat zou kunnen gebeuren,

gebeurt, schreef een schilder eens.” Welke schilder heeft de dichter op het oog? Hieronimus Bosch misschien. Die associatie komt bij me boven, waarom weet ik niet. In het werk van Bosch gaat het ook over de tijd, de tijd die is, die was en die komen gaat. In de panelen van Bosch staat de beloning of de straf mee afgebeeld. Mensen op weg naar hun lot dat ze met hun eigen leven hebben ingericht.

 

Schilderijen van Bosch zijn kommen waarin de tijd past en de mensen die leven in de tijd. Niet de letterlijke tijd, maar de symbolische. “Nergens bestaat nooit. Alleen hier en nu lijkt het als twee druppels op geen idee waar.” Niet het weten wanneer, maar wel de plaats, hier en nu, daar waar het zich afspeelt ons leven, niet het hoe of het morgen, maar wel de plek waar mijn voeten staan, doet me beseffen dat de dood eigenlijk niet in ons leven past. Hij is er vreemd aan, net zo vreemd als dat wat in de verre toekomst ligt en waarvan ik geen weet heb. Net zo vreemd als de dood die op een moment, een hier en nu, en op een plaats, plotseling toeslaat. In gat in onze werkelijkheid, een krater is ons zelf-verstaan, onze autonomie en ons streven – elke dag weer, ons verlangen, elke dag weer, steeds opnieuw.

 

Dan moeten we verder, een rug volgeladen met vragen en met nieuwe onzekerheden. Er is geen andere weg dan deze bodemloosheid proberen te overbruggen. Met woorden, met planken van troost. Met aarzelend trachten en zoeken, en weten dat er nooit een einde aan komt en dat ook jouw beurt zal aanbreken. Kun je leven in dat besef van de tijd, in die lucht van eindigheid, in die kom van de tijd waarin alles past?

Een nieuwe barmhartigheid is opgedoken in de hoofden van de politici. Zij vinden de autonomie belangrijker dan het uithouden van de pijn. Zij denken dat elk mens die genoeg heeft en des dagen zat is, er zo maar uit kan stappen, mag stappen want dat is zijn goed recht. Recht op de eigen dood. Maar wat is de dood in de kom van de tijd? Wat is de pijn op de weg van het leven? Is het als barmhartigheid niet een voorbarige abstractie, niet te veralgemeniseren? Steeds uniek, steeds bijzonder zoals elke dood bijzonder is. Er is geen wet te maken die de dood moet legaliseren. Zelfgekozen of niet, het leven en de dood in eigen hand, het is een verkeerd voorgestelde autonomie, een zelf dat zichzelf de wet oplegt. Een zelf dat zichzelf wil uitvegen, vager worden, ontzelven. Zou ik eruit stappen als ik moe ben van het leven? Als de genoegens niet meer opwegen tegen de lasten? Als ik nauwkeurig afweeg en dan besluit? Je kunt dat nooit van te voren weten, nooit ervaren, nooit vastleggen, want de tijd geeft geen uitsluitsel over wat komen gaat. De tijd is als de dood: onbekend. En wat als het wettelijk is vastgelegd? Is het dan geregeld, verloopt het leven en de dood dan in goede banen? Waarom geen wet die oorlogen verbiedt, die onmenselijkheid onmogelijk maakt? “Nergens bestaat nooit. Alleen hier en nu…”Op deze plaats, op deze plek, in mijn hoofd, in mijn hart, in mijn geweten…Nui nog leven, morgen dood. Die onzekerheid zal mij mijn hele leven blijven begeleiden. Het is het niets dat aan onze wortels knaagt, de afgrond die altijd al aanwezig is, ook al zien we hem niet. De scheur op het gezicht van de Boeddha, die een andere Boeddha onthult, een eeuwig verwijzend teken. Dood als het niets, het niets als betekenisgeving in ons leven, aan de rand, op het einde. Er ligt alleen een uitnodiging: leer ervan, neem mijn serieus en maak iets van je leven.” Misschien gebeurt er veel meer dan wat kan.Misschien vormt de tijd met z’n handen ooit

een kom, waarin alles past.”

 

John Hacking

27 oktober 2016

OLYMPUS DIGITAL CAMERA