Grote thema’s*

Grote thema’s verleiden tot kunst. Schilders, (e.a.) kunstenaars, zijn er door beïnvloed en worden er door geïnspireerd. Thema’s geven richting en structuur aan de expressieve uitdrukking. Velen worden hierdoor aangesproken en herkennen zichzelf of hun leven in de verbeelde thematiek. De kunstenaar Julian Schnabel (1951) sluit hierbij aan. Hij kijkt in een korte film terug op zijn oeuvre en vertelt waar hij mee bezig is. Veelal zijn dat reacties op wat bestaat: het is meer reageren dan ageren: “als apen in een laboratorium”. Pas bij het zien in een retrospectief wordt duidelijk wat je aan het doen bent, zegt hij. En dat geeft weer perspectief en focus. Schilderen heeft voor hem te vooral doen met vrijheid en met de grote thema’s van leven en dood. Dat geeft hem veel vreugde. In een video waarin hijzelf en zijn werk wordt getoond wordt dat duidelijk. Het is een zoekend aftasten van vormen op bestaande afbeeldingen die als compositiedoek worden gebruikt. Verf en kleur worden ingezet om iets te verbeelden wat uit het schilderij moet ontstaan. De relatie met het thema “leven en dood” wordt in mijn ogen echter niet meteen zichtbaar. Maar dat is begrijpelijk als je enkel naar een video kijkt van een paar minuten die slechts sfeerbeelden geeft. De echte confrontatie met zijn werk in het licht van deze thema’s blijft uit. Misschien moet je daarom er echt voor gaan staan en kijken wat dan gebeurt. Maar dat is vanuit Nederland een beetje lastig achter te computerscherm.

In mijn eigen werk als landschapschilder speelt vooral het thema van de horizon in het licht van de mogelijkheid van een transcendente werkelijkheid de belangrijkste rol. Is deze werkelijkheid waarin we leven ook sacraal? Raken hemel en aarde aan elkaar als een vorm van transcendentale bevestiging van het mysterieuze karakter van onze werkelijkheid? Een werkelijkheid die ook nooit volledig te duiden is. Er blijft een niet duidbare rest over, een deel dat niet en door niets begrepen kan worden. Precies dit proberen weer te geven, een onmogelijke opgave om dit figuratief te doen, als duiding, als aanwijzing, als semiotisch teken is mijn opdracht. Op het eerste gezicht lijkt het thema van de horizon en de sacraliteit niet zo lastig maar net als het begrip bewustzijn, het begrip werkelijkheid en het begrip God zijn deze thema’s onuitputtelijk en niet met de menselijke ratio in te kaderen. Ze overstijgen ons begripsvermogen en ons verstaan van de werkelijkheid omdat we gebonden zijn aan ons lichaam. Ons lichaam kleurt niet alleen onze waarneming en onze reflectiemogelijkheden maar het legt ons ook vast op ons lichamelijk (en materieel) bestaan. Hoewel we in de geschiedenis de ziel hebben bedacht – alsof daar dan wel sacraliteit zichtbaar kan worden – voert ons deze uitvinding niet verder want ook de ziel deelt in die onuitputtelijkheid en onverklaarbaarheid. Voor degenen die menen dat het hier allemaal hersenspinsels betreft kan ik slechts melden dat dan ook het begrip liefde, trouw, aandacht, toewijding en overgave geen bestaansrecht meer hebben want die zijn ook niet vast te leggen door onweerlegbare bewijzen.

Hoe keert het thema van de horizon en de sacraliteit nou terug in mijn werk en hoe vindt de confrontatie plaats? Door de compositie en door de streek van de penselen, door de letterlijke verbeelding van of het ontbreken van de horizon. De horizon is er altijd op de achtergrond ook al is het werk abstract. De horizon is er ook in de scheiding van de kleuren, de vloeiende lijnen en zelf erin gelegde vergezichten. De horizon is de “Dritte im Bunde”, soms zichtbaar, soms zelf erin gelegd, soms als semiotisch teken geduid in de kleurovergangen. Sacraliteit wordt niet bewezen maar getoond, dat wil zeggen, het patroon, de vorm, de kleuren geven een indruk maar zijn zo abstract en veelzijdig dat je ze niet op een omvattende manier kunt omschrijven. Ze onttrekken zich daaraan, zoals de sacraliteit in het landschap zich onttrekt aan het bewijs. Avond- en ochtendlicht maken dit in het landschap extra duidelijk, het lijkt alsof de wereld een beetje betovering ondergaat. Ik noem dat een semiotisch teken, een verwijzing naar de sacrale dimensie ervan. Het is ook een kwestie van ondergaan, van beleven, van beschouwen. Niet van redeneren en bewijzen, niet van aantonen en bereflecteren als uitkomt van een logische verklaring. Het bewijs is overbodig, de beleving is genoeg. De reconstructie is altijd maar een reconstructie, een bij benadering, niet in woorden te vatten ervaring. De confrontatie met het landschap, de beleving ervan, en de sacrale duiding, keren in mijn werk terug als optie, als mogelijkheid, als houding in het schilderen zelf. De onbevangenheid, het aftasten, het intuïtieve, het handelen zonder denken, schilderen zonder vooropgezet plan, het laten ontstaan, het zijn allemaal wijzen van de doorwerking van de confrontatie en de beleving ervan in het reële landschap. Het werk ontstaat, het wordt niet gemaakt, niet gemanipuleerd tot een verzameling effecten. Wat tot uitdrukking komt ligt er als het ware al in: het moet alleen ontsloten worden, zoals de leegte de mogelijkheid van schepping ontsluit. Hoe die er dan uit ziet is ook een kwestie van wat je toevalt, wat er zomaar gebeurt. Dat heet scheppend bezig zijn. Daarbij voel ik me thuis. Dat is mijn wereld.

Naar aanleiding van: Julian Schnabel: In The Course of Seven Days

A Rare Look Inside the Artist’s Home Studio as He Opens His First US Museum Show Since the 1980s op http://www.nowness.com

John Hacking

2014

Meer afbeeldingen van mijn werk: Saatchi –  Weebly – Behance