God in de leegte – leegte als Theotopie (8)

1.5 God als toekomst, het toekomende

WAHR

Wahr ist Atem,
wahr ist Asche,
wahr ist Atem
aus der Asche,
Angst sich höhlend,
Lust sich wölbend,
jetzt, solang das
irdisch währt.

Ernst Meister(1)



God is toekomst. Zou God heden zijn, of gisteren, dan hadden wij Hem in onze zak. Want een God van gisteren of vandaag is een God die met zijn hoofd op het blok onder de valbijl ligt: ons oordeel kan Hem onthoofden en van zijn kracht ontdoen. Atheïsme is een beweging die God in het verleden plaatst én in het heden, in de hoofden van de gelovigen. Maar in de toekomst is er geen plaats voor Hem. De atheïst kan waarschijnlijk niet anders, want anders moet hij zijn standpunt opgeven. In de toekomst is alles mogelijk, zelf de existentie van een God. God met hoofdletter. Voortdurend met een hoofdletter, want ik heb het niet over goden, of over zomaar een god. “Een god in het diepst van mijn gedachten” komt hier in deze tekst niet ter sprake. Marc-Alain Ouaknin schrijft over de toekomst die opgesloten ligt in de naam van God en er staat veel op het spel:

“De naam van God kan geen ‘ik ben’ zijn, maar enkel een ‘ik zal zijn’, de spanning van een project, een zich inschrijven in de dynamiek van een toekomst die zich opent, ‘daarginds’ (sjam), een woord dat ook naam’ (sjem) betekent en ‘hemel’, die men in het Hebreeuws uitdrukt als ‘twee daargindsen’ (sjamaj’im)!”(2)

‘Hasjem’, de naam, is daarom voor de rabijnen een naam voor God: hemel-naam of naam-hemel die komt, die aanbreekt, die wacht. Het project toekomst komt – het komt ons tegemoet, als het ware uit een leegte, een mogelijkheid.
De twee ‘daargindsen’, de hemel die wij dagelijks kunnen ervaren boven de horizon. Of zoals de dubbele hemel waarover Juan Ramon Jimenez dicht als hij spreekt over de stenen van de put: ‘boven mij de hemel en onder mij de hemel’ (de weerkaatste hemel in het water).
De oneindigheid van God constitueert ook de oneindigheid van de mens. Deze relatie tussen God en mens (in hun beider oneindigheid), waarbij beiden niet in hun betekenis kunnen worden opgesloten, of vastgelegd, is voor velen géén werkelijkheid omdat zij hechten aan zekerheid, aan bewijzen en aan toetsbare werkelijkheden. Maar oneindigheid onttrekt zich aan elke toetsing. Oneindigheid is verder dan ver en onbereikbaar.
Als wij met onze definities en algoritmes zelfs de grenzen van onze kosmos willen berekenen, de tijd willen meten vanaf het begin, dan is dat misschien een (verkapte) poging om tijd en ruimte te vangen in een eindige dimensie. Maar God onttrekt zich en in zijn kielzog de mens.



De mens wordt (filosofisch gezien) pas definitief eindig bij de verklaarde dood van God. Nietzsche heeft dat begrepen: ons heelal, koud en dodelijk, is geen bewoonbare plek voor een mens die inzet op de toekomst, alle techniek ten spijt. Alle pogen, alle streven met techniek het leven te verlengen, andere planeten te verkennen, de grenzen van het mogelijk op te rekken blijft in die zin relatief. We kunnen God niet vervangen, hoe graag we onszelf ook goddelijke eigenschappen toedichten. Zonder God gaat ook onze oneindigheid verloren want de dood is onverbiddelijk en onbarmhartig. Dood inherent aan het leven.
Gods oneindigheid en de oneindigheid van de mens zijn bijbels gezien verbonden. De studie van de Schrift heeft dan ook tot doel om God zijn oneindigheid te laten behouden, of terug te geven als deze in gevaar komt. Daarmee staat ook het geluk van de mens op het spel want een vastgelegde God kan niks betekenen. Ouaknin stelt daarom ook:

“God is geluk, niet omdat hij God is, maar omdat hij het werkwoord zijn is in zijn toekomstige modaliteit, en ons naar analogie inschrijft in het engagement, project en toekomstproject!
Wat de Bijbeltekst in een schitterende semantische vergelijking weergeeft. Het ‘geluk’, osjer, is het hart van de uitdrukking ‘Ehejeh asjer ehejeh’, die men zo kan openvouwen in een dubbele formulering die de gelijkstelling verduidelijkt tussen het werkwoord ‘zijn’ in de toekomst en ‘het geluk’.
Ehejeh asjer, of met andere woorden: ‘Ik zal zijn = geluk’.”(3)

We zijn als lezer van deze teksten waarschijnlijk niet gewend ons geluk te koppelen aan de Naam van God, God die in de toekomst werkt en zich manifesteert. God die toekomst is. God die werkt vanuit de leegte, het onbekende van de toekomst. Toch is geluk ook iets van het toekomende. En als we al terugkijken op gisteren, toen we nog gelukkig waren, of op vandaag als we concreet geluk ervaren, dan is dat ook altijd met de gedachte in het achterhoofd, dat dit geluk zich mag herhalen. Zoals liefde eeuwigheid wil, zoals Franz Rosenzweig schreef: “Tiefe, tiefe Ewigkeit” zo zou je dat ook kunnen toepassen op het verlangen naar geluk. God die zijn Naam openbaart, een Naam die ook morgen waarheid wordt – die nu al zegt ‘ik zal zijn’ maar die ook zegt, ‘ik zal zijn’, morgen! Ouaknin schrijft:

“Op die manier wordt de les vaak tweemaal herhaald, maar met een klein verschil. Dat is de betekenis van het vervolg van de gelijkstelling: asjer ehejeh, of met andere woorden: ‘geluk = ik zal zijn’.” (4)

‘Geluk’ is de middenterm in deze naam van God. Geluk ingeklemd tussen twee toekomsten, twee oneindigheden, die mogelijkheden. En het wordt pas mogelijk als de mens die wordt aangesproken de uitdaging aangaat om die naam met als middelaar ‘geluk’ in de toekomst gestalte te gaan geven. Ouaknin schrijft als toelichting op deze uitleg van de naam van God in relatie tot geluk – een keuze van deze auteur – die de vrijheid neemt om deze betekenis aan het licht te brengen:

“Wat belangrijk is in de etymologische gelaagdheid van deze kleine reis is de keuze voor deze verklaring van de goddelijke naam ‘ik zal zijn, geluk, ik zal zijn’.
Het is die verklaring die ons toelaat een verhouding, waar we niet omheen kunnen, te ontdekken tot de tijd die zich verbindt met het geluk. Het geluk is niet de sereniteit van het moment maar een vertrouwen in een mogelijke toekomst. In een open toekomst. Zo kunnen we met Henri Maldiney zeggen dat het geluk ‘een gebeurtenis is die zich niet voordoet in de wereld. Ze opent een wereld.’”(5)



‘Die Welt soll durch Zärtlichkeit gerettet werden’

Fjodor M. Dostojewski(6)

God opent deze wereld. Hij laat ons zien hoe de wereld eruit kan zien, hoe de morgen ontwaken kan. “Wessen Morgen ist der Morgen, wessen Welt ist die Welt” zong Ernst Busch in de dertiger jaren in Duitsland van de vorige eeuw, midden in de crisis van de Weimarrepubliek. Het is een liedfrase die zo uit het vocabulaire van de ontmoeting met God zou kunnen komen. Want teveel mensen, teveel geslachten hebben in de menselijke geschiedenis de morgen beleefd als een voortzetting van de hel waarin zij zich bevonden. Tot op de dag van vandaag duurt die hel voor velen nog voort. Toekomst lijkt een verre droom, vrijheid, geluk, welzijn, een zinvol bestaan, het zijn droombeelden, onbereikbaar. Dat is waar de woorden van de Naam van God op wijzen, waar ze zich op baseren: een einde aan de slavernij in het slavenland Egypte, waar alles gericht is op de cultus van de dood, namelijk de dood van een persoon, de farao. Zijn monument, met als doel een opstapje naar de eeuwigheid, slokt alle economische energie op en vraagt alles van zijn onderdanen. Gods naam plaatst hier het leven tegenover. God plaatst in zijn naam de complete menselijke existentie voor zijn aangezicht en doet deze mens een belofte: leven in vrijheid, geluk. Leven in een nieuw land. Geluk binnen handbereik als de weg van God wordt afgelegd. Maar geluk is géén toestand, geen maakbare werkelijkheid die we wel even dichterbij zouden kunnen brengen als we maar ons best doen. Geluk is eerder een effect, een gevolg, een resultaat dat ons overkomt als vorm van ‘genade’.
Ouaknin werkt dit laatste verder uit als een opdracht voor de kunstenaar. Zo probeert hij om deze weg, deze route in beeld te brengen. Hij schrijft:

“Het geluk is op die manier een ingesteldheid van het zijn, van de geest en ook van het lichaam. Het is dat moment waar het reeds-daar van de wereld kantelt naar een ergens anders, open, in wording, dat niet is, maar heeft te zijn. Geen radicale, rimpelloze, a-problematische openheid, want die definitieve openheid zou tegelijk haar eigen afsluiten zijn! Wel strijdperk tussen het eindige en het oneindige, ‘plaats van ontmoeting, vanzelf bewegend, van tegenstrijdige spanningen, die zich openen en sluiten, die het energetische vormen van het levende. ‘
En op deze manier kan het geluk geen toestand zijn. Het geluk staat in relatie met de avant-garde, niet de gekunstelde avant-garde van de mode, maar deze waar kunst gebeurt als een zich openen van wat nog niet was, zoals poëzie dat doet door ‘het aandeel van de gevestigde taal te reduceren ten gunste van het gewaagde woord’, zoals schilderkunst dat doet ‘door iets zichtbaar te maken dat ons ook ziende maakt, zoals ook muziek doet waar elke noot reeds de volgende noot oproept, opening naar, verwachting van de toekomst, ouverture, oeuvre! Zonder de dans te vergeten die ons uitnodigt stil te staan bij het feit ‘dat we niet kunnen zonder de sterren’.”(7)

KLEINER WIND

Nicht weinen, kleiner
Wind, andre Augen
hat der Regen
nicht.

Friedrich Ani(8)



Geluk is een levenshouding, geluk gebaseerd op oneindigheid, op iets dat dus onbeperkt is, en niet te vatten. Een levenshouding die ruimte schept voor het onverwachte, het onbekende, het nieuwe. Voor datgene wat niet in betekenissen vast ligt. Open voor morgen. Voor het oneindige en dat telkens weer. Geen antwoord zonder dat er nieuwe vragen worden opgeroepen, geen tekst zonder leegtes, geen verklaringen zonder verder speuren en verkennen.
Misschien vinden wij, gewend aan hapklare brokken die de consumptiemaatschappij ons voorschotelt, het moeilijk om geluk te verbinden met oneindigheid. Maar in feite komt het hierop neer om oneindigheid als werkelijkheid te accepteren en er naar te streven: door God en onszelf, door onze cultuur en onze maatschappij niet vast te leggen op definities, op oordelen, vooroordelen, opvattingen. Want morgen kan het anders zijn, morgen is het anders. Geen land, geen bodem, geen ideologie kan de werkelijkheid bedwingen die zich om ons heen afspeelt en waar we deel vanuit maken. In de filosofie is en was dit allang duidelijk maar het lijkt er soms op dat we als maatschappij telkens weer in dezelfde valkuilen trappen door te denken dat we met regels en wetgeving de stromen in de maatschappij en de ongewenste ontwikkelingen kunnen beheersen. Ouaknin schrijft:

Het geluk is een manier van in de wereld zijn, reikend voor zich uit, letterlijk ek-sistentie, en filosofen zullen in mijn manier van spreken het Heideggeriaans idioom (en dus wat vakjargon) en zijn Dasein herkend hebben, waarvan de meest juiste vertaling in het Nederlands ‘Daar-zijn’ zou zijn of met andere woorden: ‘zijn in… openheid hebben voor en begrijpen wat zich opent in dat openen’, in een woord: praesens, present.”(9)

God lijkt om zichzelf heen te cirkelen in zijn naam, maar die aanwezigheid is afwezigheid, aanwezige afwezigheid. Want Hij ligt niet vast, maar ‘zal zijn’. ‘Geluk’ als middenterm wordt omgeven door twee toekomsten, twee dimensies van openheid, en dat valt samen met het heden in de ontmoeting met die naam. Ek-sistentie is dus eigenlijk ook buiten zich zijn, buiten het bekende, vertrouwde. En als je buiten bent is er ruimte, openheid. Hoef je niet te voldoen aan de conventies en de verwachtingen, de definities. Alles is mogelijk. De leegte wenkt.
Zichzelf vastleggen, zichzelf opsluiten in een definitie, een omschrijving waaraan niet te tornen valt, is niet alleen een ontkrachting van de eigen oneindigheid maar ook het begin van de dood. De zelfverkozen dood. Elke relatie wordt ontkend, en het eindresultaat zal eenzaamheid zijn, een Leibniz achtige monadevorm van bestaan. In de Godsnaam zit het relationele en het toekomstige opgesloten. De ontkenning daarvan, door het vastleggen ervan, het niet willen open houden, staat gelijk aan afgodendienst. Het gouden kalf is er de gestalte van. Om het kalf dansen en tot het kalf bidden, is het begin van het einde. Wat nog rest is alleen het graf. De aanbidders zullen dat lot dan ook in Exodus ondergaan. Oaknin schrijft:

“Het wezen dat voor zichzelf volstaat, opgesloten in de immanentie van zichzelf, staat met niets in relatie, niet met iets, niet met iemand, niet met wat dan ook.
Hij is geen ‘wezen in relatie met’ en het betrekkelijk voornaamwoord (asjer) hoort dus niet bij zijn definitie, noch bij zijn essentie, noch bij zijn existentie.
Ehejeh asjer betekent ‘ik zal zijn, geluk’ omdat het een ‘ik zal zijn’ + het betrekkelijk voornaamwoord is, een voornaamwoord dat ‘de relatie met’ onderstreept, of met andere woorden: de beweging van de transcendentie zelf.”(10)



DORTHIN,
wo unser Heim ist
nach der Geburt:
niemand und
nichts zu werden.

Das Ach
schiebt sich davor
und der Augen
vielerklärende
Herkunft.

Ernst Meister(11)

Transcendentie, oneindigheid, is dus als het ware ingegrift in Gods naam op een niet tastbare, vatbare wijze, maar als verwijzing, vingerwijzing. Wijzend naar verder, naar een morgen, naar een op weg gaan met God. God komt overeen met zijn Torah, luidt een rabbijnse opvatting. Zijn Torah is zijn handreiking aan ons.
God komt in zijn Naam naar ons toe. Hij openbaart niet alleen zijn Naam, maar ook onze toekomst, ons geluk, onze mogelijkheden. Zijn wet, zijn Torah is een project, een levensweg. Als we zijn geboden alleen maar verstaan als (lastige) regels waar niet altijd de zin van wordt ingezien hebben wij van dat project in diepste wezen niks begrepen. We hebben dan niet in de gaten dat het om toekomst, om de vervulling van Godsnaam gaat en om zijn en onze oneindigheid. Godsnaam maakt ons duidelijk dat wij relationele wezens zijn en dat deze relaties ons dragen en onze toekomst mogelijk maken als wij onze verantwoordelijkheid op ons nemen. Het project dat in Exodus in de Naam van God wordt ontvouwen is er een van vrijheid, van kunnen en mogen ontdekken. De naam staat voor relatie, relatie met God zelf en met onze medemensen. Marc-Alain Ouaknin beschrijft dit als volgt:

“Het subject is in staat om uit zichzelf te komen, naar een ander dan zichzelf. Het geluk is project, niet alleen voor zichzelf maar noodzakelijkerwijze ingeschreven in een relatie. De mens van het geluk is in relatie met. Maar deze formule kan betekenen relatie met een ‘wat’ of met een ‘wie’. Zoals Martin Buber zou zeggen: het ‘ik’ geeft zich aan een ‘ik-jij’- of een ‘ik-dat’-relatie. Relatie van subject tot subject of van subject tot object. Het feit dat de Bijbelse gelijkstelling van een ‘ik zal zijn’ spreekt, dat zich verbindt (asjer) met een ander ‘ik zal zijn’, wil ons zonder twijfel leren dat het geluk (osjer) inderdaad deze dimensie is van de projectie van het zelf in een relatie met een ander subject. Dit subject heeft door deze relatie de mogelijkheid om zich op zijn beurt te engageren in een project, zich te projecteren in de toekomst, toegang te hebben tot een ‘daarginds’ van zichzelf (sjam), en zich zo voor het eerst echt te bekleden met zijn ‘naam’ (sjem). Dan is het heel zijn wezen dat zich in beweging zet. Zijn geest en zijn lichaam zetten zich in beweging (asjar) en hij markeert de grond door zijn ‘stap’ (asjoer) om gids te worden en het volk te gidsen (isjer), en de bevrijding mogelijk te maken (isjoer) en zichzelf toe te staan om zijn vrijheid in de wereld te ontplooien.”(12)

God geeft ons in zijn naam de mogelijkheid om buiten onszelf te treden. Hij houdt ons niet alleen een spiegel voor, maar spoort ons aan te worden wat wij kunnen worden als mensen in relatie met elkaar – in engagement voor elkaar en de wereld. Een toekomst is te winnen. Zo krijgt de mens de naam die hij verdient. Hij maakt zijn naam pas waar. Zijn oneindigheid krijgt gestalte, de leegte geeft hem de ruimte om zichzelf te ontwerpen als mogelijkheid tot geluk. Maar kan de mens en durft de mens die oneindigheid in zichzelf toe te laten, deze leegte die wenkt en uitnodigt? Een leegte die soms wordt opgevuld met onvoorstelbaar geweld tegenover een medemens? Over deze leegte in en van het zelf gaat het volgende hoofdstuk.

Stern des Tränenmeers

Hirten kommen durch die Nacht.
Mit gesenktem Kopfe wach,
hungrig im Waggon für Vieh,
Jesus unter ihnen.

Sterne auf jeder Stirne dort,
Sterne auf jeder Brost.
Sterne oben am Himmelszelt,
an der Gesetze Ort.

Am Himmel stinken Engelein,
und Mörder sind die Hirten.
Ein Meer von Sternen oben scheint,
erstarrte Tränen auf dem Leib.

Maria in der Nacht allein
schaut durch die Gitterstäbe.
In ihrem Arm das Jesulein
nur noch ein Spielzeugpüpplein.

»Gute Nacht! Gute Nacht!«
Des toten Echos Klang erwacht.
»Du falsche Welt, dir gute Nacht!«

Bringt keine frohe Botschaft.

»Die Menschen all’ sind wesensgleich
wie Christus und der Geist.
Und Leben ist auch der Biss der Laus,
die winzig auf uns haust … «

Die Hirten haben Waffen bei sich.
Stiefelschritte knallen.
Die Augen leer. Sie diskutieren nicht.
Tot ist Mirjam alsbald.

»Oh, ihr Hirten, Grausame!«
In den Schnee spritzt Blut.
»Tötet mich mit meinem Sohn!«
Sie spucken auf den Juden.

In der Nacht des Echos Klang
wünscht Psyche »Gute Nacht!«
Im Schnee unten ein Wurm sich spannt.
»Ihr Hirten! Gute Nacht!

Szilárd Borbély(13)


Noten:

1 Ernst Meister, Gedichte, Berlin 2011 (Suhrkamp), p. 122
2 Marc-Alain Ouaknin, ¿God en de kunst van het vissen, Tielt 2016 (Lannoo)., p. 146
3 Ibid., p. 146
4 Ibid., p. 147
5 Ibid., p. 147
6 Anne Brannys, Eine Enzyklopädie des Zarten, Frankfurt am Main 2017 (Frankfurter Verlagsanstalt)., p. 268
7 Ibid., pp. 147-148
8 Friedrich Ani, Im Zimmer meines Vaters. Gedichte, Berlin 2017 (Suhrkamp), p. 49
9 Ibid., p. 149
10 Ibid., p. 149
11 Ibid., p. 123
12 Ibid., pp. 149-150
13 Szilárd Borbély, Berlin Hamlet Gedichte. aus dem Ungarischen und mit einem Nachwort von Heike Flemming, Berlin 2019 (Suhrkamp), pp. 127-128


Dit is een deel uit mijn essay: God in de leegte. Het hele essay is te lezen (eventueel te koop) (en te downloaden) op: