Plaats van het lichaam als zelfplaats in de wereld

“Die Namen bezeichnen nicht die Dinge:

sie umhüllen sie, sie ersticken sie.

Aber die Dinge zerreissen

ihre Worthüllen

und sind wieder da, nackt,

und erwarten eine wenig mehr als die Namen.

Nur die eigene Stimme der Dinge

kann sie nennen,

die Stimme, die weder sie noch wir kennen,

in dieser Neutralität, die kaum spricht,

Dieses riesige Stillschweigen, an dem Wellen brechen.”

Roberto Juarroz – Vertikale Poesie

De mens als subject, met zijn lichaam als zelfplaats, auto-topie, ontdekt tijdens de ontwikkeling gaandeweg zijn plaats in de wereld als zinhorizon. Het begrip plaats in de wereld is in deze op te vatten als concrete plek waar het zelf zich als lichaam bevindt, de leefwereld, maar ook de mogelijkheden die dit zelf in zijn lichaam heeft om zich te verplaatsen en zich te ontwikkelen in de leefwereld. De ontwikkeling van dit lichaam in biologische, psychische en sociologische zin vindt plaats in een ‘organisch’ beleven van de tijd (we worden ouder) waarin groei en afbraak centraal staan van de mens als zelfplaats. Plaats in de wereld is dus de concrete plek van de mens binnen zijn leefwereld, een plek die gekenmerkt wordt door uiterlijke en door innerlijke omstandigheden. Sociale relaties, werkzaamheden en activiteiten, en de beleving van dit alles door het subject die op basis hiervan een (dynamisch) beeld van zichzelf heeft en die nadenkt over de wereld. Kortom ook het lichaam geeft te denken om Ricoeur te parafraseren.

Het lichaam is naast het concrete materiële object ook een symbolische werkelijkheid. Het is een concrete werkelijkheid die bemiddelt tussen binnen en buiten (het lichaam), zowel letterlijk via voedsel, lucht, warmte en koude, maar ook figuurlijk via gedachten, taal, handelingen, kunst, muziek enzovoort. Als symbolische werkelijkheid kunnen op het lichaam allerlei gedachten en verlangens geprojecteerd worden, het lichaam kan worden afgeschilderd vanuit verschillende perspectieven als waardevol of waardeloos, kortom het lichaam kan als gevolg daarvan ook speelbal zijn van menselijk handelen. Zelfverminking past in dit rijtje als een vorm van handelen die het eigen lichaam benut om bepaalde wensen te vervullen of ervaren tekorten op te heffen. De strategie die gekozen wordt blijft heel dicht bij datgene wat het meest voorhanden is: het eigen lichaam. Het zelf neemt het lichaam als het ware in gijzeling. Reclame, kunst, muziek, wetenschap, techniek, alle werkvelden van het menselijk bestaan worden bepaald en gedragen door onze lichamelijkheid, onze wijze van zijn van onszelf door en via ons lichaam. Zowel concreet als symbolisch speelt het lichaam een van de hoofdrollen.

De mens als zelfplaats, neemt zichzelf overal mee naar toe. Zijn zelfplaats is de basis voor alle bindingen en relaties in ruimte en tijd. Dit betekent dat het lichaam in alle soorten van binding een fundamentele rol speelt. Als wij in een wereld van verbindingen leven, een netwerk, zoals Foucault stelt, moderne vormen van heterotopiën, dan is het lichaam bij uitstek de plek waar die relaties ook in de vorm van een zelfbeeld hun neerslag krijgen. Het ritueel pakt dit gegeven op om deze relaties te verbeelden. In religieuze (en andere) rituelen voorbeeld krijgt dit extra accent – bijvoorbeeld het huwelijksritueel: niet het contract, de geestelijke overeenstemming en toestemming, maar de lichamelijke voltrekking van de (ver)binding krijgt dan aandacht. De consumptie van het huwelijksverbond is hiervan een voorbeeld. Het laten aanbrengen van tatoeages bij het toetreden tot een clan in Japan (of straatbende in de VS of elders) is een ander voorbeeld van de rol die het lichaam vervult in het ritueel. De bewerkte huid is dan als het ware het ‘diploma’. De verbintenis wordt letterlijk op het lichaam vastgelegd. Zo is het aantal voorbeelden eindeloos waarin het lichaam een belangrijke rol speelt in de vormgeving van onze sociale contacten en de gestalte van onze maatschappijen.

Een eerste verkenning van de auto-topie

Er zijn een groot aantal vragen te stellen naar de positie die het lichaam als auto-topie, als zelfplaats, inneemt in de wereld als zinhorizon. Een aantal vragen die als een soort verkenning zijn bedoeld wil ik hier de revue laten passeren. De vragen zijn vooral een manier om de breedheid van het terrein te markeren als we op een meer abstracte wijze het lichaam definiëren als zelfplaats, auto-topie, in relatie tot zelfbeeld en wereldbeeld. Ik blijf hierbij binnen de kaders die het denken over auto-topie vanuit de relatie autonomie-heteronomie, de relatie tijd-ruimte, de relatie binnen-buiten, de relatie horizontaal-verticaal, de relatie boven-beneden, de transformaties en relaties van de auto-topie, de religieuze en de filosofische dimensie bepalen. De vragen kunnen ook aanscherpend werken bij de verkenning van onze problematiek.

A. Zelfervaring van de auto-topie:

In de mens als auto-topie wordt het zelf als voornaamste bron, als kern gezien. Maar wat is dit zelf? Ervaart het zelf zichzelf door het lichaam als ruimtelijk of als tijdelijk bepaald, of beiden? Wordt de tijd lineair, cyclisch of mystiek ervaren?

Ervaart het zelf zich door afzetting (autonomie) tegenover andere zelven (heteronomie)

Ervaart het zelf zich door een accent op de topos, de plaats, het lichaam, waardoor het zelf zich onderscheidt van anderen?

Waar legt de mens als zelfplaats accenten om zich te onderscheiden, om zich als het ware waar te nemen als zelfplaats?

Welke rol speelt het bewustzijn van zichzelf in deze ervaring waar het lichaam als auto-topie wordt gezien. Waar zetelt het bewustzijn, wat is het bewustzijn in deze?

B. Zelfontwerp van de auto-topie:

De mens als zelfplaats leeft vanuit een bepaalde motivatie, met bepaalde verwachtingen en doelstellingen. Hoe gaat hij om met de contingentie van zijn bestaan, zijn grenzen, zijn falen en mislukken. Kortom welk effect heeft de horizontale en verticale dimensie in zijn bestaan op zijn bestaan als auto-topie. Is zijn zelf-plaats onderwerp van een project, de mens als auto-topisch project? Op welke wijze ontwerpt hij zichzelf in ruimte en tijd en hoe geeft hij daar betekenis aan?

Als auto-topie kan de mens ook kiezen voor utopieën als na te streven doelen. Wat levert dat op voor zijn veld van betekenissen en zijn zelfverstaan, voor zijn horizontale en verticale dimensie in het verstaan van de werkelijkheid? Voor de spanning tussen exterioriteit – interioriteit in relatie met deze auto-topie (Levinas)? Zie ook de religieuze dimensie in deze en de effecten ervan op het zelfontwerp.

De horizontale en verticale dimensie zijn beiden wijzen van betekenis-geven. Hoe wordt dit vanuit het lichaam zichtbaar en is er een lichamelijke basis hiervoor?

C. Auto-topie binnen heterotopiën:

Michel Foucault beschrijft het begrip heterotopie in tegenstelling tot de utopie (een niet reële ruimte – een niet-plaats – die dus ook eigenlijk (nog) niet bestaat) als een concrete ruimte waarin een utopie gerealiseerd is, en die bestaat uit een netwerk van relaties die beschreven kunnen worden met oog voor de mythische en de reële dimensie ervan. Voorbeelden zijn (tijd)ruimtes die het subject doorloopt zoals een reis op een boot, de tijd in de gevangenis, kazerne, school, op een feest etc. Foucault formuleert verschillende basisvoorwaarden waaraan heterotopiën als andere of afwijkende ruimtes voldoen. Ik geef ze heel kort weer met een enkel voorbeeld:

(1) Hij vermoedt dat er geen culturen zijn die de heterotopie niet kennen. Hij maakt daarbij onderscheid in twee grote groepen die een rol spelen bij het begin van elke maatschappij: de crisis-heterotopie waarbij sacrale (verboden) ruimtes met het oog op mensen die zich in een crisis bevinden een rol spelen (bijvoorbeeld initiatie of reiniging), en de afwijkings-heterotopie, waar individuen geplaatst worden die niet in de maatschappij passen (bijvoorbeeld in de psychiatrische instelling).

(2) Heterotopiën functioneren in de loop der tijd anders en kunnen ook van betekenis veranderen omdat het gebruik van de ruimte verandert of de opvattingen daarover.

(3) Een heterotopie kan op een plek meerdere ruimtes bevatten die onverenigbaar zijn (de bioscoop, de tuin, het huis waarin zich ook een sacrale ruimte bevindt).

(4) Heterotopiën zijn vaak gebonden aan een tijdsfase, door Foucault heterochronie genoemd. De heterotopie functioneert volledig, zo zegt hij, als mensen breken met de oorspronkelijke tijd waar ze uit voortkomen. Heterotopiën kunnen betrokken zijn bij het opeenstapelen van de tijd (museum) of bij het vluchtige karakter van de tijd (feestweide die een tijdelijke ruimte is voor feest)

(5) Heterotopiën veronderstellen een systeem van openingen en sluitingen dat hen tegelijkertijd isoleert en doordringbaar maakt.

(6) De heterotopie heeft een functie ten aanzien van de leefruimte. Ze kan als een illusie werken, als een illusie-heterotopie (bordeel) of omgekeerd als een kompensatie-heterotopie omdat de er een “betere” ordening van de realiteit en maatschappij mogelijk is in een nieuw model (kolonie). Het begrip heterotopie levert zo door de verscheidenheid en differentiëring ervan een breed scala aan mogelijkheden om concrete ruimtes te beschrijven en te onderscheiden in onze samenleving.

Als auto-topie doorloopt de mens verschillende heterotopiën. Welk effect heeft dat op zijn zelf-verstaan en wat draagt dit bij aan zijn eigen zelfontwerp? De sacrale werkelijkheid in de vorm van concrete ruimtes waar deze werkelijkheid wordt aangewezen, geduid en eventueel zichtbaar wordt gemaakt kan ook een heterotopie worden genoemd; het andere, respectievelijk vreemde valt niet te koloniseren of in te passen in het eigen wereldbeeld waardoor het fundamentele vreemde van dit andere verloren gaat, ook niet door een opvatting van sacraliteit. God, het goddelijke, het sacrale blijft een vorm van weerspannige vreemdheid houden die door het subject niet is te neutraliseren via zijn denken of handelen. Het ritueel is daarom in deze zin een vorm van omgaan met het ten diepste ‘onhandelbare/onbeheersbare’.

D. Auto-topie in relatie en transformatie:

Een mens als auto-topie onderhoudt concrete relaties, waaruit bestaan deze en met wie worden deze onderhouden, wat leveren deze relaties op voor de auto-topie en hoe gaat dit in zijn werk? Vooral wat betekenen deze relaties niet alleen voor het zelf, maar vooral ook voor het lichaam en de beleving van het lichaam in de wereld?

Extensie en intensivering van het zelf als auto-topie vindt plaats via taal, ideologie, en gedrag. Wat is de werking van bijvoorbeeld de beperking of de inperking van het zelf? Ook gezien in ruimte en in tijd, wat doet dat met het lichaam, met het zelfbeeld en met de zelfwaardering?

Elk mens als auto-topie ontwerpt zelfbeelden, we kunnen die ‘auto-pictures’ noemen en ze ontwerpt wereldbeelden, ‘mundus-pictures’ genaamd. Hoe verhouden beiden zich, wat is hun expliciete object, wat is de positie van het subject in deze?

In het ontwerp van de mens als zelf en als auto-topie kunnen hiërarchieën vaak een grote rol spelen, met een basis en een top, modellen voor zelfverwerkelijking, graden van gedeelde intimiteit, andere vormen van gedrag, vormen van binding, uitdagingen en valkuilen. Waar ligt precies het fundament in het lichaam, in de topos? Waar vindt de overgang in deze modellen plaats tussen lichaam en geest, vlees en ratio; vanuit welk kader wordt dit beschreven en is er altijd een overgangsmoment? Hoe is de waardering geformuleerd – is er een voorkeur voor het lichaam of afkeur van het lichaam?

E. Auto-topie binnen de religieuze dimensie:

Heeft de mens als auto-topie ook een religieuze kern en waaruit bestaat deze dan? Of is religie een soort functioneel kenmerk, een toegevoegde waarde die niet tot het wezen van de auto-topie behoort?

In de mens als auto-topie kan God een plaats innemen: is God aanwezig in het lichaam en heeft het lichaam weet van een God? Hoe kleurt dit laatste de waarneming van de werkelijkheid en de wereld en wat betekent dat voor ons wereldbeeld? Met andere woorden is er een goddelijke evidentie die met/via ons lichaam kan worden ervaren en hoe evident is deze ervaring dan? Heeft het lichaam wel een aandeel in de ervaring van het verticale? Vgl. bijvoorbeeld de (donkere en niet zo toegankelijke) teksten van Meister Eckhardt over de ziel en het zich openbaren van God in de ziel.

F. Auto-topie als filosofisch concept:

Concluderend kunnen wij stellen dat nadenken over het lichaam als auto-topie een wijze van filosofische reflectie is van het zelf over zichzelf als plaats/topos, binnen het kader van de wereld als zinhorizon. De ruimtelijke gebondenheid van dit denken, de gekleurdheid door tijd en omstandigheden (context) en de conceptuele vertaling hiervan in begrippen en beelden roept vragen op die de moeite waard zijn om te stellen zonder dat de verwachting vervuld wordt dat ze ook allemaal beantwoord kunnen worden. Tenslotte een laatste vraag: zijn er ook nog andere dimensies dan ruimte en tijd waar de auto-topie aan onderworpen is? Wat betekent dit dan?

Deze vragen kunnen ons denken in een bepaalde richting sturen. We starten bij het lichaam als concrete ruimte en de beleving daarvan om deze vragen te verkennen en verder in de ‘grondverf’ te zetten, om met een metafoor uit de schilders-wereld te spreken. Het begrip heterotopie zal daarbij een leidraad zijn om te onderzoeken hoe het lichaam als auto-topie zich in diverse heterotopiën zal manifesteren en wat de effecten daarvan zijn op het zelfbeeld en wereldbeeld. En omgekeerd hoe een zelfbeeld respectievelijk wereldbeeld gevolgen heeft voor de inrichting van een heterotopie. Het concentratiekamp is een goed voorbeeld van dit laatste: op basis van een wereldbeeld worden vermeende (politieke) tegenstanders verzameld en vastgehouden op een bijzondere niet alledaagse plaats. De bovenstaande vragen zullen niet allemaal systematisch worden beantwoord. Het zijn vooral ook vragen die het denken kunnen sturen en begeleiden. Gedurende het proces van schrijven zal langzaam aan meer helderheid ontstaan. Dan wordt er meer ‘kleur’ aangebracht.

John Hacking Uit:

complete tekst: http://philosophyofthebody.wordpress.com/wereldbeeld-als-lichaam/