LICHAAM ALS ZELFPLAATS – als auto-topie

“Denken ist eine unbegreifliche Beharrlichkeit,

so etwas, wie den Duft der Rose zu erweitern

oder in eine dunkle Seite

Lichtlöcher zu bohren.

Und es ist auch, etwas

in einem törichten Manöver überzusetzen,

von einem unerschütterlich versunkenen Schiff

zu einer schifflosen Navigation.

 

Denken ist,

auf eine Einsamkeit ohne Rückkehr zu beharren.”

Roberto Juarroz – Vertikale Poesie[i]

Het lichaam kan vanuit veel gezichtspunten worden bekeken. Om de bijzondere plaats van het lichaam in de beleving van de werkelijkheid zoals wij die vanuit ons zelfbewustzijn ervaren en thematiseren in onze reflectie te accentueren kies ik voor een abstractie waarin lichaam als een ruimte en beleving van het lichaam vanuit het zelf als zelfbewustzijn bij elkaar komen. De metafoor van het lichaam als ruimte wijst de weg.

Het lichaam kan in bovengenoemde zin omschreven worden als een ‘auto-topie’, een ‘zelfplaats’. Het “psychologische zelf” neemt doormiddel van het lichaam ruimte in, een plaats in de wereld. Een onvervreemdbare plaats. Wat dit betekent hoeft niet op het eerste gezicht duidelijk te zijn. Als het begrip zelf gedefinieerd wordt vanuit psychologische categorieën die een beperkte opvatting hebben van bewustzijn en zelf loop je het gevaar van reductie. Jouw omschrijving van de werkelijkheid van het bewustzijn en het zelf zijn dan bepalend terwijl er misschien nog heel andere dimensies benoemd kunnen worden. Zo is het Freudiaanse onderscheid tussen “Es, Ich und Über-ich”, waarbij het ego of het ik optreedt als bemiddelende instantie tussen beide polen, ook een wijze van classificeren die de werkelijkheid in een keurslijf dwingt maar die niet werkelijkheidsgetrouw hoeft te zijn. Vanuit Boeddhistisch standpunt is het ik, of het ego illusoir en niet als subject in de ervaring terug te vinden. Het voert te ver om dit nader uit te diepen, maar andere dan de westerse tradities laten zien dat over bewustzijn en zelf heel gedifferentieerd gedacht kan worden en dat het bewustzijn niet alleen het concrete lichaam bezet maar ook veel breder kan worden gedefinieerd binnen bepaalde religieuze (Boeddhistische) tradities. Deze thematiek is al stof voor een studie op zich en valt daarom buiten het bestek van deze tekst.

Ik ben van mening dat zelf en lichaam bij elkaar horen en elkaar bepalen. Zowel substantieel als functioneel. Geen zelf zonder lichaam en geen lichaam zonder zelf. Het zelf vormt de voorwaarde voor de beleving van het lichaam, het zelf reflecteert over deze ervaring van het lichaam in de vorm van zelfreflectie en het communiceert deze ervaring met andere ‘zelven’. De inhoud van deze communicatie en de wijze waarop kan cultureel bepaald zijn en hoeft niet plaats te vinden op de wijze die wij in de recente geschiedenis in het Westen kennen en praktiseren.

Het zelf is niets zonder lichaam al hebben filosofen soms het idee gehad dat het rationeel vermogen een zekere onafhankelijkheid van het lichaam mogelijk maakte en veronderstelde. Ik vermoed dat het begrip zelf, in de filosofie “het subject” genoemd, de voorwaarde vormt voor de rationele beleving van de werkelijkheid en de eigen lichamelijkheid als deel van deze werkelijkheid. Ik zeg met opzet ‘voorwaarde’ omdat het zelf als zodanig ‘even buitenspel’ blijft in deze rationele overwegingen. Pas als de ratio zich terug wendt tot de bron van de gedachten en de uitvoerder van deze activiteit van het denken komt het zelf als oorsprong in zicht en daarmee ook de lichamelijke condities die het denken mogelijk maken. Het zelf ontdekt via de omweg van de ratio zichzelf. Dat laat de geschiedenis van de westerse filosofie zien in de teksten van vele vooraanstaande filosofen.

In het begrip auto-topie, dat ik hier poneer als een nieuw ruimtebegrip naar aanleiding van en in aansluiting bij de gedachten van Michel Foucault over utopie en heterotopie , komen twee werkelijkheden bij elkaar die samen de mens vormen: auto, het zelf en topie, topos, de plaats, in deze het lichaam.

Auto-topie is geen Nederlands begrip. ‘Autos’ kan in het Grieks o.a. betekenen: zelf, hij, zij, het, vanzelf, uit eigen beweging, vrijwillig, eigenmachtig, voor zichzelf, alleen, etc. ‘Topos’ kan betekenen: plaats, oord, streek, “Localität”, gelegenheid, stelling, positie, stand. In het oude Grieks wordt ‘autos’ echter nauwelijks of niet gebruikt om het zelf in de huidige betekenis te beschrijven.

In auto-topie komt zowel de eigenstandigheid (en eigenmachtigheid) van het lichaam, als de beleving van de uniciteit van het lichaam bij elkaar. In het ruimtelijke aspect van het lichaam komt ook de relatie met de ruimtes waarin het lichaam zich bevindt tot uitdrukking. Een plaats is altijd omgeven door of bevindt zich in een andere ruimte. Zo ‘woont’ het zelf in het lichaam, het lichaam in het huis, het huis in de wereld en de wereld in de kosmos. Het lichaam neemt plaats in: op die plaats kan een ander lichaam zich niet bevinden, het kan er wel naast of tegenover staan. Daarnaast is het lichaam zelf ook een oppervlak dat bewerkt kan worden, dat “zu-hande” is, om met Heidegger te spreken. De huid kan worden bewerkt, het lichaam kan worden opgetuigd, het kan worden veranderd en aangepast. Het lichaam is object van zorg en alles wat met dit begrip zorg samenhangt. Martin Heidegger noemt in “Sein und Zeit” hiermee samenhangend een aantal aspecten zoals “Fürsorge” waarbij “Rücksicht” en “Nachsicht” een rol spelen, als onderdeel van de omgang met het lichaam.

Levi Strauss heeft in andere culturen onderzocht hoe de relatie tot het lichaam en de man-vrouw verhoudingen en de relaties met de voorouders gestalte kreeg in verschillende opvattingen en gedragingen. Ik noem hem omdat onze westerse wijze van denken en classificeren niet allesbepalend hoeft te zijn, ook niet met betrekking tot de omgang met het lichaam. Hier stoot het denken op zijn grenzen: “Auf diese Grenze stösst man auch in Klassifikationen völlig fremder Kulturen, etwa bei den von Victor Turner beschriebenen Ndembu in Sambia, die Jäger, Witwen, Kranke und Krieger in ein und derselben Klasse zusammenfassen.”

Een (extreem) voorbeeld waartoe de westerse medische techniek ons in staat stelt is de omvorming van het lichaam (en niet alleen maar de verfraaiing via tatoeages bijvoorbeeld). In tv-programma’s worden deze “make-overs” uitgebreid gepresenteerd en jonge meisjes in Latijns Amerika vragen als verjaardagscadeau een borstvergroting of verkleining als hun ouders tenminste kunnen en willen betalen.

De beleving van het lichaam als concrete ruimte is een andere als de beleving van het lichaam in de tijd en het lichaam als vergankelijk lichaam met een begin en een einde. Ook in dat laatste geval is de ruimtelijkheid van het lichaam en de letterlijke constitutie anders dan de categorie tijd(elijkheid) waarmee we de ontwikkelingsgang van het lichaam proberen te beschrijven. Kenmerkend voor de benadering vanuit de tijd is het lineaire karakter van de beleving van de tijd. Wat geweest is komt niet meer terug, is voorgoed voorbij, het heden ontglipt aan onze vingers. Echter de benadering van de tijd als een organische categorie, een groeiproces waarin de vorige fases behouden blijven, doet volgens mij meer recht aan het lichaam en de beleving van de lichamelijke werkelijkheid. Het lichaam vergeleken met een ui, met steeds nieuwe schillen. De psychische ontwikkeling van het subject zou zo beschreven kunnen worden: ervaringen uit jeugd en kindertijd, uit volwassenheid en ouderdom worden als het ware beleefd als een na elkaar, maar niet elkaar uitsluitend. Het geheugen en de herinnering legt verbanden en haalt ervaringen en betekenissen boven waartoe het subject zich verhoudt. Het autobiografische (en literaire) terugkijken zou zonder dit proces onvoorstelbaar zijn.

Tenslotte biedt het begrip auto-topie ook mogelijkheden voor een verdere invulling van het begrip zelf zoals dat ter sprake komt in publicaties over het zelf als meerstemmig en dialogisch zelf. In deze opvatting bestaat het zelf uit meerdere componenten (meer stemmen die aan het woord zijn) die niet allemaal gelijkwaardig zijn en bezit het zelf een centripetale en centrifugale kracht waarmee het zich een plek in de wereld verovert.

Nog onopgehelderd is de exacte status van dit zelf: wat is dit zelf? Is het een vorm van bewustzijn, zelfbewustzijn? En waarvan is het zich dan bewust? Het begrip auto-topie problematiseert deze vragen nog eens extra omdat in auto-topie het zelf als een ‘auto’ – met een eigen wilskracht en dynamiek zowel deel uitmaakt van het lichaam (mijn stelling luidt: zonder lichaam geen zelf) maar tevens als een ‘autocraat’ op een bepaalde wijze over dit lichaam dat hij zelf is kan heersen. De vraag is als er centripetale en centrifugale krachten in het zelf werkzaam zijn, wie stuurt deze dan aan, of vormen zij onderdeel van een psychisch proces waar het zelf de motor van is of ondergaat het zelf deze krachten. Een thema dat nog nader onderzoek verdient en dat samenhangt met de ontologische en ontische status van het zelf om de in de terminologie van Heidegger te blijven. Het is ook de vraag of het begrip zelf enkel en alleen vanuit zichzelf gevuld kan worden en of de relatie met de ander, en de verhouding tot het andere, dat wat niet-zelf is, niet mede-constitutief gedacht moet worden. Heidegger wijst hierop als hij constateert dat het zelf als subject geconfronteerd wordt met de ander die ook de wereld en zijn wereld bevolken. Ze zijn er in de vorm van het “men”. “Das Man ist ein Existenzial und gehört als ursprüngliches Phänomen zur Positiven Verfassung des Daseins. Es hat selbst wieder verschiedene Möglichkeiten seiner daseinsmässigen Konkretion. Eindringlichkeit und Ausdrücklichkeit seiner Herrschaft können geschichtlich wechseln.

Das Selbst des alltäglichen Daseins ist das Man-Selbst, das wir von dem eigentlichen, dass heisst eigens ergriffenen Selbst unterscheiden.”

“In Sein und Zeit denkt Heidegger dat het mogelijk is om zich, door eigen keuze en verantwoording, terug te halen uit de verlorenheid in het men. Het was dan mogelijk om de indifferentie van het men te identificeren en modificeren. Het men was principieel leesbaar mits ik mijn Unheimlichkeit tot mij zou toelaten door de angst daarvoor te aanvaarden. De angst vereenzaamde, zodat het meest eigen bestaan in de wereld zich voordeed. Die Angst holt das Dasein aus seinem verfallenden Aufgehen in der ‘Welt’ zurück – de angst haalt het bestaan terug uit zijn verval in het opgaan in de ‘wereld’.”

Bij Heidegger is de ander dus in eerste instantie een anoniem ander – een men – de wereld van de massaliteit, de massamens zou Th. Oudemans zeggen, die in dit citaat aan het woord komt. Oudemans neemt dan ook afstand van dit denken omdat het een vorm van onleesbaarheid van de mens met zich meebrengt die de pretentie heeft toch gelezen te kunnen worden als men maar diep genoeg doordringt en alle bijzonderheden terzijde laat. Daarmee wordt de mens in concreto vervangen door de mens in abstracto. “Het is onmogelijk om de verantwoordelijkheid op mij te nemen voor deze taal en zijn betekeniswereld die de mijne niet is. Het men is de aanwijzing naar een onleesbaarheid van de eigenlijke taal zoals die in mijn massabestaan van zich blijk geeft. In Heideggers Selbstgespräch wordt dit duidelijk: in de omgeving van de eigenlijke taal heeft niemand het gedaan.”

Na deze kleine speldenprik aan het adres van Heidegger kiezen wij ervoor niet van het neutrale men uit te gaan maar van de concrete ander als “ander”, eigen en vreemd tegelijk. Want met het men doet het subject geen zaken en daarmee is het zelf ook niet in gesprek. Afzetten tegen het men levert in Heideggeriaanse zin misschien een vorm van bewustzijn op maar nog geen besef van intersubjectiviteit en gesprek/dialoog.

De (ruimtelijke en psychologische) afstand tussen zelf en ander is dus constitutief voor het zelf-verstaan. De uitdaging ligt er nu om het zelf ook als een concrete ruimte te denken die het zelf via zijn lichaam, als auto-topie, inneemt in de wereld.

 John Hacking

uit: complete tekst: http://philosophyofthebody.wordpress.com/wereldbeeld-als-lichaam/