Het landschap is een technische wereld

Het landschap is een technische wereld

Het voorbeeld van de Romeinen maakt ook meteen duidelijk dat wij met onze nieuwe techniek in een totaal nieuwe wereld terecht zijn gekomen waar vervoersmiddelen en architectuur de beleving van de ruimte ingrijpend hebben beïnvloed. Als de mens vanuit zijn lichamelijke conditie gezien een “Homo viator” en een “Homo spectator” is, een mens die reist (en wandelt) en waarneemt, dan is het landschap daarvan een product. Eduard Kaeser beschrijft deze ontwikkeling en laat ook de veranderingen zien die de moderne techniek in de beleving van het landschap als leefwereld heeft gebracht:

“Kurt Lewin hat sich in den 1930er Jahren eingehend mit dem besonderen Charakter des vom Weg gegliederten Lebensraums beschäftigt. Er nennt Landschaft hodologischen Raum. Dessen Eigenart bestimmt der Weg, das heißt also letztlich der wandernde Mensch, der homo viator. Dadurch stellt er sich schon im Ansatz als völlig verschieden vom mathematischen Raum der Geometrie oder der kartographischen Projektion heraus (Mathematik setzt den immobilen homo spectator voraus). Geometrisch ist Entfernung eindeutig festgelegt als Distanz zwischen Start- und Zielpunkt (eindeutig bei gegebener Metrik). Hodologisch dagegen ist die Entfernung nicht nur abhängig von den Eigenheiten des Geländes, sondern auch des Wanderers. Je homogener, desto geometrischer das Gelände, desto mehr nähert es sich dem Charakter des mathematischen Punktraums an. Wenn Ort und Weg zusammengehören, dann sind auch Nähe und Ferne nicht bloß eine Frage der Distanz, sondern der Bewegungsform; dann bestimmt die Art des Näherns den Charakter von Nähe und Ferne. Kann man von einer Qualität der Distanz sprechen? Sicher nicht im mathematischen Raum. Hier wird Nähe theoretisch als Abstand gemessen, praktisch als „überwundene” Distanz. Sie ist Gelände-indifferent. Anders im hodologischen Raum. Distanz gewinnt hier Qualität, indem der Weg-Raum zwischen Orten nicht einfach als Abstand überwunden wird. Der Weg passt sich dem Gelände an, absorbiert gewissermaßen dessen Physis (der Falten, Flanken, Schultern, Rippen, Bänder und so weiter). Wege zumindest die alten wurden meist nicht geplant und vorsätzlich angelegt, sondern entstanden aus dem Gelände. Sie sind mehrfach betretener, ausgetretener Boden, eine menschliche Weiterentwicklung von Wildwechseln. Und damit auch ausgesetzt den Witterungen, den Verschiebungen und Verwerfungen der Oberfläche, den Kräften der Erosion und Tektonik, die sich Weg und Raum unverwechselbar einschreiben. Deshalb wird die Wegdistanz nicht einfach in Kilometern „überwunden”, man verbringt sie vielmehr (man steht sie eventuell auch durch; Heidegger würde wohl sagen: man „verweilt” sie). Dies dürfte ein Grund dafür sein, dass Wanderwegschilder Distanzen normalerweise zeitlich, in Wegstunden, angeben.”

Ik citeer Kaeser wat uitvoeriger omdat hij laat zien wat de veranderende houding ten aanzien van het landschap teweeg heeft gebracht bij de mensen en omdat ik als landschapschilder hierin sterk betrokken ben. In mijn werk maak ik al jaren gebruik van foto’s. Soms zijn dat oude vergeten afbeeldingen van bergen en rivieren die in kleine mapjes aan de toeristen zijn verkocht als vorm van aandenken. Sommige foto’s stammen van voor de Tweede Wereldoorlog. Soms zijn het ook foto’s die ik zelf of anderen van landschappen heb gemaakt. Bergen, sneeuwlandschappen, moeras, vennen, rivieren, zijn de thema’s van de foto’s die ik gebruik in mijn landschappen. De foto krijgt een plek op het papier en om de foto heen schilder ik een fictief landschap. De foto geeft de aanleiding en de inspiratie voor het schilderij. Welke gedachten zitten hier achter?

Wij leven in een tijdperk waarin het landschap weinig geheimen meer heeft en niet meer als betekenisvol worden ervaren zoals bijvoorbeeld in de romantiek. De meeste plekken op aarde zijn verkend. En wat geen geheim meer heeft is minder interessant. Deze vorm van desinteresse kan men “landschapsverstoring” noemen die in het eigen lichaam als een vorm van waarnemingsverlies plaatsvindt: het landschap wordt niet meer gezien of het wordt puur functioneel beschouwd als ruimte waar men doorheen moet om van a naar b te gaan.

Het landschap beweegt ook niet zoals een film dat doet. Daardoor valt het niet op. Reizigers die een landschap op foto of film vastleggen zien soms pas  thuis wat ze hebben gezien. Het landschap is een esthetische categorie geworden. Men kent het uit de kunst en men ziet het ook vanuit de kunstbeleving. We zijn verleerd het landschap te zien zoals het zich voor ons uitstrekt omdat we in een andere tijd leven dan de ontdekkingsreiziger. We zien ruimte vooral om te gebruiken, bergen om te skiën of te beklimmen. Deze verandering van het landschap wordt ook wel een verandering van de plaats in de niet-plaats genoemd (Marc Augé) en dus in de woorden van Foucault de heterotopie, een kenmerk van de huidige tijd en de huidige mens die nergens meer thuis is. De plaats is geen verzamelpunt van identiteit meer, van geschiedenis en relaties, maar wordt doorgangsplaats, transit-plek, passage. De snelweg leidt door het landschap dat aan het oog wordt onttrokken omdat de weg verdiept is aangelegd. Zo ziet de reiziger alleen verkeersborden. Het landschap is tot tekst geworden. Het landschap is in de greep gekomen van de planners die het als een totaliteit beschouwen die bewerkt moet worden: het totale landschap is een volledig plaats-loos, gemobiliseerd en planloos gecontroleerd landschap (Rolf Peter Sieferle). Daarnaast is de concrete geografie niet meer belangrijk. Daarvoor komt de topologische ruimte in de plaats waarbij de stoffelijke structuur geen rol meer speelt maar waar het cybernetisch denken overheerst. De mens wordt zo losgemaakt van het concrete landschap. Dit denken roept echter ook een tegenbeweging op waarin de aarde als materie nieuwe aandacht krijgt in kunstwerken. Land-art is een vorm hiervan, aandacht voor ruïnes, relicten van het industrietijdperk (Ruhrgebied) en onherbergzame plekken krijgen opnieuw aandacht van kunstenaars als bijzondere plekken.

Het bijzondere van het concrete landschap is dat het zich niet laat vangen in een type maar dat het lokaal is, dat wil zeggen aan een plaats gebonden. Het landschap heeft een aura die de beschrijving ervan in een type verhindert. Als ik over woestijnen spreek als type kan ik wel een concreet landschap dat ik heb bezocht voor ogen hebben maar het concrete verhindert de abstractie. Het niet abstraheerbare concrete bezochte landschap met een eigen uitstraling is plaatsgebonden, het is lokaal en je moet er zijn geweest om erover te kunnen spreken. Het lokale karakter van het landschap maakt dat het niet verwisselbaar is met een ander en blijft uiteindelijk onbeschrijfbaar. Elke beschrijving schiet tekort. Het landschap laat zich in geen enkele vorm volledig weergeven (niet in film, niet op foto, niet in tekst, niet in tabellen of grafieken, op kaarten of anderszins). Het landschap opent zich pas als je erin stapt als bezoeker, als je het lokaal ervaart met alle zintuigen, met het hele lichaam. Het landschap doet een beroep op het hele lichaam en is daarin medium voor de esthetische ervaring verstaan als “aisthesis” het Griekse begrip voor waarneming dat meer is dan alleen de visuele waarneming. Het schilderij van het landschap sluit op deze ervaring aan door te laten zien dat het landschap niet weer te geven is, maar dat het schilderij de grenzen van het landschapschilderen zichtbaar maakt. Een goed schilderij laat zien dat het echte landschap nog heel iets anders is als het afgebeelde, het maakt nieuwsgierig. Goede schilderijen gaat het niet om een zo perfect mogelijke weergave van het landschap maar ze verstoren de conventies en formules rond de weergave ervan. Ze zijn een herinnering, eerder een “memento”, dit is niet het landschap.

Daarom zijn mijn schilderijen “expressis verbum” verwijzingen, aanmoediging, oproep om zelf in te vullen wat je ziet. De toeschouwer wordt uitgedaagd door de textuur van verf en vormgeving zelf een aandeel te leveren. Het landschap dat zich aan zijn ogen ontvouwt maakt hij voor een groot deel zelf. Daarom is mijn werk grotendeels abstract – rustend op de voorgegeven gebrekkige afbeelding van het landschap, maar uitgewerkt op een geheel eigen wijze met verf (pigmenten, bindmiddel en water) en soms andere hulpmiddelen. Mijn werk is een uitnodiging om het lokale landschap met andere ogen te leren zien als plaats van betekenis. Als plaats van een lokale geschiedenis en van een doordrongen zijn van toegekende betekenis. In mijn serie “Schwarzwald” bijvoorbeeld, beelden uit dit gebied, bewerkt en aangevuld, speelt de lokale geschiedenis mee maar ook het feit dat Martin Heidegger deze plekken beschouwde als “Welt” waarin hij leefde en nadacht. Zij waren zijn tehuis, zijn “gemeinige” basis die hem op ideeën bracht. Zo zijn er veel plaatsen die mijn verbeelding prikkelen en die ik oppak als thema voor een schilderij of voor een serie van landschappen. Deze korte persoonlijke noot is tevens een illustratie van het feit dat schilderen op deze wijze ook een vorm van ritualiteit is: een omgang met de wereld van het landschap op een wijze die verder gaat dan alleen maar een vorm van tijdverdrijf.

Kaeser schrijft over de beleving van het landschap: “Dass Landschaften oft im Spannungsfeld von Ahnung und Erinnerung erlebt werden, dürfte damit zusammenhängen, was Ernst Bloch einmal als „Dunkel des gelebten Augenblicks” bezeichnete. Wenn man da ist, vor Ort, ist man blind für vieles, was geschieht, weil man Teil des Geländes, der landschaftlichen Situation ist. Freilich braucht das kein Defizit zu sein. Man ist vielleicht blind, aber man wird „belichtet”. In der Erinnerung entwickelt sich das Bild, das sich vor Ort nicht einstellte. Max Frisch notierte einmal in seinem Tagebuch, dass man gerade in der Landschaftserfahrung oft eine Leere verspüre:

„Wir freuen uns auf eine Reise, vielleicht jahrelang, und an Ort und Stelle besteht die Freude größtenteils darin, dass man sich um eine Erinnerung reicher weiß. Der Anblick ist da, das Erlebnis noch nicht. Man fragt sich manchmal. inwieweit eine Gegenwart überhaupt erlebbar ist (. .) Die Gegenwart bleibt irgendwie unwirklich, ein Nichts zwischen Ahnung und Erinnerung, welche die eigentlichen Räume unseres Erlebens sind; die Gegenwart als bloßer Durchgang, die bekannte Leere, die man sich ungern zugibt (…) Einer Landschaft gegenüber gestehen wir es noch am ehesten. Man ist nie da, wo man ist, und dennoch kann es nicht gleichgültig sein, wo man ist; der Ort, wo man ist, gibt den Angelpunkt, damit wir die Ferne in unser Erleben heben können”.”

Naast het focussen en verzamelen als kenmerk van ritueel handelen is het begrip volheid en contrair het begrip leegte van belang. Zoals boven het lichaam als ruimtelijke vorm in zijn uitgestrektheid en verzadiging kon worden beschreven kan dat ook worden toegepast op de ruimte van het landschap zelf. Het lokale landschap heeft een vorm van leegte die uitnodigt om er naar terug te keren. Dat is ook de kern van het rituele bezoek van bedevaartplaatsen, bijzondere monumenten, bijzondere plaatsen en steden met pregnante gebouwen en locaties. De inhoud van de indruk die op de toeschouwer en bezoeker wordt achtergelaten is meerduidig en eigenlijk onvervulbaar. Vandaar de terugkeer naar de plek, de locatie om weer opnieuw te ervaren, de geest van de plek op te snuiven, binnen te laten komen.

De leegte van de plek is essentieel: “Martin Heidegger weist in einer seiner letzten Schriften auf diese ursprüngliche Bedeutung des Wortes “Leere” hin als auf etwas, das nicht nichts ist, sondern etwas, das noch nicht eingesammelt ist und daher (auf)gelesen werden kann. Die Leere ist “vermutlich (…) mit dem Eigentümlichen des Ortes verschwistert und darum kein Fehlen, sondern ein Hervorbringen (…) Im Zeitwort ‘leeren’ spricht das Lesen im ursprünglichen Sinne des Versammelns, das im Ort waltet (…) Die aufgelesenen Früchte in einen Korb leeren heißt: ihnen diesen Ort bereiten.””

 

 

De plek die bezocht wordt verzamelt de indrukken van de bezoekers. Deze worden in winkeltjes teruggegeven via souvenirs (foto’s op ansichtkaarten), reisbeschrijvingen, plaatselijke indrukken etc. Lourdes en andere bedevaartplaatsen bieden de bezoeker een scala aan voorwerpen die en de herinnering moeten vasthouden maar die vooral moeten verwijzen naar het bijzondere van de plaats opdat de plek niet in de vergetelheid raakt en uitnodigt om weer te komen. Op deze wijze houdt de plaats zichzelf in stand doordat er een wisselwerking plaatsvindt van betekenistoekenning. De plaats zelf heeft daar een aandeel in. Niet dat de plaats zelf een actief handelend subject is geworden in de zin van subjectiviteit die wij aan mensen toekennen, maar een eigen dynamiek maakt ze wel zichtbaar en dat wordt in de hoofden van de bezoekers weerspiegeld als zij de plaats een bijzondere status toekennen. Op de een of andere wijze hebben wij een vorm van verbondenheid met plaatsen die misschien rationeel niet meer te verklaren is, maar die wel het toerisme in standhoudt en die aan de oorsprong ligt van het verlangen om te reizen en (vreemde, spannende, uitdagende) locaties te bezoeken. Het verlangen naar rust hoeven we niet in Azië of Afrika te bevredigen dat kan ook thuis in de tuin. Bart Verschaffel schrijft in een prachtige tekst met de titel “Horchengehen” over de magie van de plaats en datgene wat de plaats oproept (ook aan rituelen). Wij kunnen het zelf elke dag weer meemaken als wij de moed opbrengen om op te staan voor zonsopkomst en dan mee te maken hoe de nacht langzaam plaatsmaakt voor de dag. Een magie dus die elke dag binnen handbereik ligt.

 

 

Dit is een excerpt uit tekst met noten: complete tekst: http://philosophyofthebody.wordpress.com/wereldbeeld-als-lichaam/