De verdwijning van het zelf

Het zelf is een uitvinding, dat is zo goed als zeker en ook wel logisch als je bedenkt dat een zelf zichzelf zelf gaat noemen. Misschien is het wel een recente uitvinding in de geschiedenis van de mensheid. De notie zelf wil in ieder geval zeggen dat het subject afstand kan nemen, ruimte tussen zichzelf en zijn directe ervaringen van de wereld en de werkelijkheid waarin het zich bevindt. Het zelf reageert niet als een dier direct op wat gebeurt en wat op dat moment gevraagd wordt, bijvoorbeeld aanvallen met eten als dat voor je neus verschijnt. In de film ‘de zoektocht naar het vuur’ wordt een treffend beeld geschetst van de eerste homo sapiens die smakken van genot als ze, hongerig als ze zijn, in de verte antilopen zien rennen. Ze zijn bijna niet te houden om dat vlees te gaan jagen en te veroberen. Sigmund Freud spreekt over driftbevrediging en uitstel van deze bevrediging. Dat noemt hij een kenmerk van onze moderne tijd en onze beschaving. Hoe het ook zij, wij zitten nu opgeschept met de notie van het zelf en we willen waarschijnlijk niet anders. Niet terug naar minder afstand (hoewel sommigen gaan voor de directe kick), en ook niet naar een toestand van afschaffing van het zelf omdat het overbodig is geworden. Het zelf komt nog steeds van pas en is in bepaalde zin nuttig. Het zelf woont in het lichaam en voelt zich daar meestal thuis. Het zelf weet ook niet beter dan dat het altijd zo geweest is en zo zal blijven.

Toch daagt er aan de horizon een ernstig probleem voor het zelf. Het zelf als uitvinding is eigenlijk maar een nutteloos construct dat altijd achteraf komt bij de activiteit van de hersenen. Onze hersenen schijnen alles te bepalen, of er wel of niet een zelf aan het roer staat. De hersenen zijn het zelf steeds een stap voor, zo beweren onze hersenonderzoekers. Subjectiviteit, vrije wil, zelf, het zijn metafysische grootheden uit een verleden dat daar belang aan hechtte maar die nu minder en minder van betekenis zullen worden, aldus onze hersenonderzoekers. De hersenen zijn alles, ze bepalen alles en ze kleuren alles. Maar is dat waar. Is de activiteit van de hersenen gelijk aan de inhoud van de waarneming, de taal die gesproken kan worden en die door andere zelven kan worden opgevangen en verder gebracht. Is dus activiteit en effect hetzelfde als inhoud van de handeling? Een oud filosofisch probleem dient zich hier aan waar ook Plato en Aristoteles al mee worstelden: wat is waarheid, wat is werkelijkheid, wat nemen we waar en wat is fictie. Zijn onze zintuigen bepalend voor onze waarneming en kleuren zij de waarheid? Of is de werkelijkheid breder, dieper en ondoordringbaarder dan we denken en waarnemen met onze zintuigen? Plato sprak over ideeën die onder de werkelijkheid de echte werkelijkheid vormden. Aristoteles was nuchterder en hield het bij zijn zintuigen. Maar als ideeën en effecten van de zintuigen nu allemaal ‘hersenspinsels’ zijn, effecten van de hersenen en de activiteit daarbinnen, als de inhoud nu helemaal afhankelijk is van onze lichamelijke hersenen, is dat dan niet hersenen=werkelijkheid? Hersenen=God, hersenen is alles en overal en altijd. De onderzoeker die misschien tot deze conclusie zou willen komen doet dat helemaal op eigen gezag. Hij is helemaal zichzelf, helemaal zelf onderzoeker die deze boude uitspraken zou kunnen doen. Hij verwart alleen zijn opvattingen met de werkelijkheid als zodanig die wij dus als zelf nooit als zodanig zullen kunnen kennen. Onze werkelijkheidservaring blijft een bemiddelde ervaring. Taal is een hulpmiddel om de bemiddeling gestalte te geven. Het begrip zelf is dat ook en het begrip en de entiteit hersenen is dat ook. Hersenen bestaan niet buiten ons taalveld. Hersenen zijn een fictie buiten onze bemiddelde werkelijkheid. Als je een keer de hersenen van een varken hebt gegeten, en ik kan verzekeren dat die lekker zijn, dan kun je je nauwelijks voorstellen dat zij een lief schattig big hebben aangestuurd om snuffelend zijn neus op verkenning te sturen in de wereld. Het hele onderzoeksmodel om de hersenen te onderzoeken zou niet kunnen bestaan zonder taal, zonder interpretatie van de gegevens en het kunnen lezen van statistieken en onderzoeksinstrumenten. Geen lezen, geen kennis, geen interpretatie geen feiten. Een zelf dat leest en interpreteert blijft noodzaak, dus het zal voorlopig nog niet verdwijnen hoe hard de hersenonderzoekers ook roepen. Leve het zelf.

John Hacking

25-5-2011