Barthes Studium en Punctum

Afbeelding

Bij zijn zoektocht naar de fascinatie voor de foto onderscheidt Barthes twee aspecten die een rol spelen: het uit het latijn overgenomen begrip “studium” dat niet in eerste instantie studie betekent, maar eerder fascinatie, gegrepen zijn zonder veel enthousiasme, eerder uit gewoonte, op basis van geleerde gewoontes (dressuur) iets mooi of aantrekkelijk vinden. Zoals je veel onderwerpen en thema’s boeiend kunt vinden en je aandacht hierop richt omdat je er iets van verwacht. Je eigen aandeel om te zoeken en te onderzoeken zit in dit begrip opgesloten. Zo kom je ook de intenties van de fotograaf op het spoor. Iets wat echter je vooronderstellingen, je kijken en je vertrouwde patronen aan het wankelen kan brengen komt tevoorschijn in het begrip “punctum”, een klein gat, een kleine vlek, een kleine incisie, snede, “Wurf der Würfel”; “Das punctum einer Photographie, das ist jenes zufällige an ihr, das mich besticht (mich aber auch verwundet, trifft).[i]

Hiermee heeft hij uiteindelijk een criterium ontdekt waarmee hij de foto’s kan aanwijzen die een bijzondere indruk op hem maken en die hem van binnen raken. Bepaalde foto’s boeien hem net zo als bepaalde persoonlijke indrukken uit biografieën die hij “Biographeme” doopt – de fotografie, zo Bartes staat in dezelfde verhouding tot de geschiedenis als deze “Biographeme” tot de biografie. Barthes stelt dat het niet mogelijk is een regel op te stellen voor de relatie van studium en punctum; ze bestaan naast elkaar, meer niet. Vaak is het punctum voor hem een detail op de foto. Hij vergelijkt de foto ook met een haiku, waarvan het schrijven zich niet laat ontwikkelen, het is er allemaal al. Barthes noemt dat een levende onbeweeglijkheid.[ii]

Bij de fotografie kan men volgens Barth niet loochenen dat het afgebeelde er geweest is (los van de in scène gezette trucage-foto’s natuurlijk). “Hier gibt es eine Verbindung aus zweierlei: aus Realität und Vergangenheit. Und da diese Einschränkung nur hier existiert, muss man sie als das Wesen, den Sinngehalt (noema) der Photographie ansehen. Worauf ich mich in einer Photographie intentional richte […] ist weder die Kunst noch die Kommunikation, sondern die Referenz, die das Grundprinzip des Photographie darstellt. Der Name des Noemas der Photographie sei also: “Es-ist-so-gewesen” oder auch: das Unveränderliche. Im Lateinischen (eine Pedanterie, die notwendig ist, das sie Nuancen erhellt) hiesse dies zweifellos: “interfuit”: das was ich sehen, befand sich dort, an dem Ort, der zwischen der Unendlichkeit und dem wahrnehmenden Subjekt (operator oder spectator) liegt; es ist dagewesen und gleichwohl auf der Stelle abgesondert worden; es war ganz und gar, unwiderlegbar gegenwärtig und war doch bereits abgeschieden. Das alles ist in dem Verb intersum enthalten.”[iii]

Barthes merkt ook op dat dit Noema: ‘het-is-zo-geweest’ door de massacultuur en de overvloed aan beelden minder zichtbaar kan worden, ook door de onverschilligheid van de toeschouwers – maar het is een onverschilligheid waaruit je soms gewekt kunt worden.