Het zelf als religieus zelf

Is de mens een religieus wezen? De vraag stellen is haar beantwoorden. Onder religie versta ik het fenomeen dat mensen religieus functioneren: dat wil zeggen zij leggen verbindingen, ze geven betekenis aan het feit dat ze bestaan en dat zij niet meesters in eigen huis zijn. Het feit van de dood die onoverkomelijk is geeft het religieus handelen een eigen urgentie in de hoop zo de dood een plek te geven in eigen denken en handelen. Dat is echter uiteindelijk een zinloze bezigheid als je ervan uitgaat dat de dood niet minder wreed en hard kan toeslaan. De dood blijft een anomalie in het menselijk leven dat gericht is op duur en duurzaamheid, op voortgang en voortzetting. Maar telkens komt de mens bedrogen uit en legt hij het loodje. Ook religieus gekleurd handelen verandert hier niets aan. Maar dat wil niet zeggen dat religie daarom zinloos is. Religie speelt zich af op het niveau van de betekenissen, van de semiose, het betekenis geven aan existentiële ervaringen. In die zin is het zelf als zelf een religieus gekleurd zelf dat alleen al op het niveau van het zelfbewustzijn in de ontwikkeling van het subject gaat ontdekken dat het niet alleen kan existeren, dat het verbanden, relaties nodig heeft. Om uit te groeien, om te groeien heeft dat zelf en wordt dat zelf een zelf dat betrokken is op andere zelven. Zonder die relationele band zou het waarschijnlijk wegkwijnen. Trekken we de kring wat breder dan is die relationele band ook van toepassing op een grotere en wijdere context: namelijk op de vragen als “wat is de zin van dit leven, waarom leef ik, waarom leef ik op deze aarde, wat is deze aarde, waarom leven wij zo en niet anders?” Al dit soort vragen verwijzen naar een groter geheel, een breder zinperspectief. Religies vullen dit perspectief en dit vragen naar perspectief in met betekenissen. Deze betekenissen kun je onderschrijven, je kunt je afwijzen en je kunt er onverschillig tegenover staan. Maar de kracht van de toegekende betekenissen is dat je ze eigenlijk eerst aan den lijve moet ondervinden om er eigenlijk een oordeel over te hebben. Langs de zijlijn staan en ze afwijzen is te gemakkelijk. Dat zou ook betekenen dat de eeuwenlange geschiedenis van religieuze betekenisgeving, dat deze semiose van nul en generlei waarde zou zijn.

De mens leeft in en door zijn lichaam, het menselijk zelf kan zich niet anders manifesteren. De lichamelijke kant van de zaak wordt in het religieuze denken serieus genomen en in rites verder geduid en uitgewerkt. Alle religieuze riten zijn gebaseerd op de lichamelijke kant van ons bestaan. De geestelijke navoltrekking, het begrip ervan, de rationele component volgt na de voltrekking, na het ritueel gebeuren. Komt dus altijd achteraf. Als zelf in een lichaam, als autotopie is dit zelf religieus omdat het beseft dat het autonome bestaan een illusoir gegeven is. De dood drukt het zelf met de neus op de feiten. Maar ook het relationele karakter van onze existentie maakt dat zichtbaar. Religie rust dus wezenlijk op deze kenmerken en wordt erdoor gevoed en door bevestigd. Het zelf is dus zich bewust van de religieuze component van zijn existentie. Ontkenning, afwijzing en wat al niet meer hiervan is meestal altijd een afwijzing van bepaalde betekenissen, van bepaalde religieuze invullingen. Ik zou met een aantal theologen daarom ook graag het onderscheid willen handhaven tussen religieus handelen en denken als basiskenmerk van het zelf en godsdienstig handelen en denken als toegespitst religieus handelen en denken. Godsdienst is zoals het begrip al zegt een dienst aan en voor God, een stap verder dus in de duiding en de betekenisgeving. Niet zozeer beter of minder goed, maar eerder meer toegespitst, minder algemeen en meer gericht op een bepaalde godsdienstige invulling. De godsdiensten zijn religieuze fenomenen maar niet alle religieuze fenomenen zijn godsdienst. Deze omschrijving van religie bevat genoeg openheid om ook het zelf een religieuze dimensie toe te kennen.

John Hacking

25-2-2013