Een weekendje in een abdij

Tijd en ruimte in een andere context.

Afgelopen weekend zat  ik met 5 studenten in de abdij Lilbosch bij de paters trappisten te Pey-Echt. Het ritme van de tijd dat in de abdij heerst wijkt af van dat wat we gewend zijn in ons dagelijks leven. Per dag zijn er vijf gebedsmomenten: 4.30, 7.00, 12.00, 17.30 en 20.30 uur. Als we in de abdij verblijven zijn deze gebedstijden de kapstok waaraan we ons verblijf ophangen. Niet dat je verplicht bent om aan alle gebedsmomenten mee te doen, maar het is een uitnodiging aan ons om eens aan den lijve een weekend lang te ervaren hoe het voelt als je aan een ander tijdsregime onderworpen bent. Dat valt voor de meesten niet mee: opstaan om vier uur s’ nachts om een klein uur in de kerk te gaan zitten. Het lichaam protesteert, je voelt de moeheid en je bent niet echt uitgeslapen. Voor de monniken geldt dat zij dit gevecht met hun lichaam elke dag moeten leveren: wie is de baas, wie bepaalt wat er gebeurt. Het is een lange oefening in beheersing van het lichaam en de behoefte aan slaap en rust. De ene dag zal dat trouwens beter lukken dan de andere dag. En de nacht begint in het klooster altijd al eerder. Geen lange avonden met gesprekken tot diep in de nacht. Het wordt extra zwaar als s’ nachts ook een medebroeder moet worden verzorgd omdat hij ziek is of stervende. De getijden gaan altijd door. De abt geeft het goede voorbeeld door als een van de eersten al lang voor het begin ervan s’ nachts aanwezig te zijn. Een andere broeder, broeder Antonius die ook portier is, zit er al om 3.45 uur. Dan is het nog helemaal donker in de kerk en brandt alleen het lichtje bij het tabernakel. Voor de gasten die deelnemen aan het nachtofficie wordt extra licht aangestoken opdat ze kunnen meelezen. Dat is eigenlijk jammer want de duisternis heeft meer sfeer.

Als de hele dag het schema van de gebedstijden leidend is betekent dat, dat je dagindeling een andere structuur krijgt. Niet even snel ontbijten of lunchen of warm eten en dan weer als een haas achter de computer of bezig met je activiteiten. Alles heeft zijn tijd: het gebed, maar ook de maaltijden, het opruimen en de activiteiten tussen de gebedstijden. Als de klok luidt laat de monnik als het ware zijn gereedschap vallen en gaat naar de kerk. Niet nog even dit of dat snel afmaken. Nee, morgen is weer een dag. Deze manier van handelen kan relativerend werken. Het hoeft niet allemaal vandaag af. We kunnen zo handelen dat we met volle aandacht, helemaal gefocust op de dingen die gedaan moeten worden. In een gesprek met ons groepje noemde de abt, broeder Malachias, het doorbrengen van je tijd met niet weten wat je eigenlijk wilt, omdat je geen zin hebt in dit en in dat en in …. ‘je tijd verlummelen’. Tijd is waardevol en kostbaar in een mensenleven en daarom jammer om te verlummelen. Hoe besteed je je tijd, wat is belangrijk voor je, wat is kostbaar? Die vragen kwamen we in dit weekend al snel op het spoor door de indeling van de kloostertijd  en de confrontatie ermee in ons eigen leven. De andere tijd en de andere ruimte in de abdij zetten aan tot bezinning, tot nadenken over onze eigen vragen en daginvulling, onze plannen voor de toekomst en het beeld dat je van jezelf hebt. Hoe wil je zijn in je eigen ogen, hoe moet je misschien zijn, welke grenzen durf te aan te geven, welke balans heb je voor ogen en in hoeverre slaag je daarin je grenzen te bewaken en je balans te bewaren tussen studie, werk, sociaal leven en goed zorgen voor jezelf? De abt sprak over het optimale uit je leven halen, het optimale uit de tijd die je besteedt, niet het maximale. Dat is een heel andere categorie die vooral leidt tot uitputting en vermoeidheid. Optimaal wil ook zeggen dat je zelf optimaal tot je recht komt want alles wat je onderneemt en doet past bij je en is niet wezensvreemd. ‘Optimus’ lijkt op optimisme, op het gemoed dat de wereld vol vertrouwen tegemoet treedt. ‘Optima’ verwijst naar ‘bene’, ‘bonus’, naar goed en goedheid. Als je naar het optimale streeft krijg je levensgeluk als bonus op de koop toe. Dat is heel wat anders dan alles eruit halen wat erin zit. Dat laatste is een zekere weg naar een burn-out. En daar krijgen steeds meer mensen tegenwoordig last van omdat ze hun grenzen en hun belastbaarheid uit het oog verliezen.

Een voordeel van vroeg opstaan is dat je s’ morgens na het eerste gebed tijdens de vroege ochtend de ervaring van vrijheid kunt hebben. Om 5.30 uur heb je al een dik uur achter de rug en op dat moment hoef je niemand te bellen en niemand belt jou. Dat is ‘quality-time’ tijd helemaal voor jou alleen. Je kunt naar bed gaan, naar de meditatieruimte, je kunt gaan wandelen, lezen of schrijven, of naar de lucht kijken hoe de ochtend aanbreekt en de ruimte buiten zich met geluiden en geuren vult. De lucht van de varkens is alom aanwezig. Het limburgs varken (Livar) kan naar hartenlust ronddollen in de modder en het gras als dat nog niet is omgewoeld door zoveel geweld. Ook deze varkens die wij als mensen gebruiken voor ons voedsel houden ons een spiegel voor. Onbewust van het lot dat hen wacht, het slachthuis en de slager, om te eindigen om een bord, zijn zij zich van geen kwaad bewust en nemen ze elke dag zoals die komt. Eten is er genoeg, er staan automaten om telkens nieuw voedsel tot zich te nemen, water ook en de rest is genade: mooi weer, warmte en vooral ruimte. Zij zijn samen, genieten van elkaars aanwezigheid, ze pesten elkaar, zo lijkt het en er is plaats genoeg voor allen. Dus oren en staarten hoeven niet afgeknipt. In de stal of buiten in de modder liggen ze dicht tegen elkaar aan en geven ze elkaar warmte en gezelschap. Dat is een heel ander leven dan de hele dag rennen om je taken vervuld te krijgen, je werk af en aan je plichten voldaan. Nou zijn we geen varkens maar we kunnen wel nog wat van ze leren vooral op het terrein van levensvreugde, plezier maken en ‘nutteloos’ bezig zijn. Want als wij veel van ons leven laten afhangen van de vraag of het nuttig is en of wij nuttig bezig zijn tekenen we eigenlijk  vrijwillig voor een bestaan als slaaf. Een nutslaaf die er niet echt blijer van wordt want telkens dienen zich nieuwe uitdagingen en taken aan. Het is nooit klaar, nooit af. Nut houdt nooit op. De abt benadrukte dat in het licht van de eeuwigheid en met het oog op God ook het hele kloosterleven nutteloos is. Zonder nut maar wel zinvol. Zinvol zonder nuttig te zijn. Hier treedt een andere dimensie aan het licht die dieper, waardevoller en meer transcendent is dan de wereld waarin het enkel om geld, prestatie en nut gaat. De wereld van het klooster is een wereld die verwijst. Het handelen van de monniken verwijst naar de wereld van God. Ze is als het ware transparant met het oog op de hemelse werkelijkheid. Wat is dat voor soort transparantie? Wat komt hier aan het licht? Allereerst niet een bewijs voor het bestaan ervan, geen empirische opsomming van feiten. Hier komt vooral een ding aan het licht: de monniken worden geleid door hun verlangen naar God, zij voelen zich geroepen om meer en meer God te vinden, te zoeken, te ontdekken in hun leven, in de stilte, het gebed, de meditatie, zijn stem te ervaren in hun innerlijk. Het gaat om het verlangen en om het toegeven aan dit verlangen. De rest is inkleuring, net zoals de monnik Benedictus relativerend over zijn regel zegt: “als je het beter weet, mag je het ook zo doen.”

Om dit verlangen op te merken, je er zelf voor te openen, te leren luisteren naar wat er diep in je leeft, kan het goed zijn om afstand te nemen van de wereld met zijn drukte en zijn geroezemoes waar diverse klanken het innerlijke roepen verstommen. God roept vanuit je innerlijk: stil worden van binnen, je oren leren luisteren naar datgene wat je ten diepste nodig hebt kan er toe leiden dat je de keuze maakt voor het klooster en voor het leven in gemeenschap in een abdij.

Die keuze is niet vanzelfsprekend, het betreden van deze nieuwe innerlijke ruimte is niet zonder risico want ook andere stemmen kunnen daarin klinken. Als je God denkt te horen spreken kan het net zo goed de satan zijn, de tegenstrever, het stemmetje in je dat je op andere gedachten en vooral op andere handelswijzen tracht te brengen. Een stem die zegt: “wat een onzin, ga lekker genieten in de wereld van drank, seks en macht.” Deze categorieën, deze vormen van verlokking kunnen je op een heel ander spoor brengen. Vandaar de poging van de monniken om zo weinig mogelijk met deze verleidingen in aanraking te komen. Want dan raken ze af van hun pelgrimsweg, hun zoektocht naar de ware diepte en stilte waar God kan spreken. In het handelen wordt vanzelf duidelijk of je op het goede spoor zit. Want daarin ligt het criterium: komt je gedrag en je denken jezelf en je medemens, je medebroeder ten goede of gaat het ten koste van jezelf en je medemens? Alle ethiek vindt tenslotte zijn grond en zijn test case in het praktische handelen. Daarin valt niet te schipperen. De verleidingen van Jezus in de woestijn toen hij pas gedoopt was duiden in die richting(evangelie van Lucas 4,1-13) : de hele mens is betrokken en wordt aangesproken: eerst ten aanzien van het voedsel dat je nodig hebt, de maag (de satan daagt Jezus uit om stenen in brood veranderen), dan ten aanzien van het streven naar macht, de passie, het hart (de satan daagt Jezus uit om hem te aanbidden) en tenslotte ten aanzien van het leven zelf, het verstand, het hoofd, toewijding, (de satan daagt Jezus uit om naar beneden te springen van de tempel). Alle drie de verleidingen mislukken bij Jezus. Als je als mens voortdurend je maag volgt en brood en spelen het meest belangrijk vindt, als je als mens je hart vollaadt met de belofte van macht, als je graag wilt heersen en daarvoor geen prijs te hoog is en als je je leven op de proef stelt door roekeloos alles in de waagschaal te stellen omdat je niets kan gebeuren, je bent God gelijk, dan ben op weg naar de hel. Dan zit je op het pad van satan en heb je niet begrepen waar het in het leven eigenlijk om draait: God die van je houdt, God die tot je kan spreken in de stilte, komt dan niet aan, je hoort hem niet, je weet er niets van, je dwaalt in den blinde. Eigenlijk ben je dan een stumpert.

Deze laatste woorden zijn misschien hard, zij zijn ook niet aardig bedoeld. Ze proberen duidelijk te maken dat er in je leven veel op het spel kan staan. De beeldtaal, de bijbelse metaforen en verhalen, de plek van de grote verleider in ons leven, de satan, je hoeft er niets mee te doen. Je kunt alles met een veeg van tafel vegen omdat je niet gelooft en van mening bent dat deze religieuze beeldtaal zijn langste tijd gehad heeft. Maar het leven in de abdij bij de paters trappisten is in feite een lang getuigenis van deze strijd en worsteling. De structuur van de getijden waarin de inhoud van de psalmen voortdurend de context vormen gaat over niets anders. God en mens, een luisterende God, een God die niet schijnt te horen. Een mens die smeekt en smacht om aandacht van de kant van God en een mens die er niets van bakt. Een mens die trouw is en oprecht en een mens die de kous op de kop krijgt. En dat alles met talloze woorden, kreten en beelden verluchtigd, uitgedrukt, gesmoord geuit en vol kracht naar voren gebracht. Velen zullen zich in hoop en wanhoop, in kwaadheid en toewijding herkennen. Velen zullen beseffen dat veel van deze taal ook in hun leven actueel kan zijn. En, dat is het mooie ervan, de psalmen nemen geen blad voor de mond: alle frustratie en pijn kan eruit komen, alle haat en woede voorgelegd aan God om er iets mee te doen, om gerechtigheid en voldoening te realiseren voor de slachtoffers. Of dat plaats zal vinden, of God gehoor hieraan geeft is een tweede. De mens die denkt namens God dit even te moeten oplossen heeft het niet begrepen. De terrorist die in naam van God zich opblaast komt niet in de hemel als beloning maar verdwijnt voorgoed omdat hij niet begrepen heeft dat het aan God is om te straffen. In feite handelt hij door zijn daad als aan God gelijk en bezwijkt daarmee aan de verleiding om zich als het ware van de tempel naar beneden te storten: de engelen zullen hem wel opvangen. Niet dus. De satan lacht in zijn vuistje, om het maar in dit beeld uit te drukken.

Voor de niet religieuze, niet christelijke mens zijn de termen God en satan misschien verdacht, abject, en onzin. Het zij zo. Taal en beelden leiden hun eigen leven. Religieuze en godsdienstige bewegingen zijn er al sinds de mensheid. De kloosterlingen veroordelen als niet meer van deze tijd zegt meer over degene die het oordeel uitspreekt dan over de waarheid van zijn uitspraak. De wereld van jachten en haasten, van het snelle gewin, de wrede oorlogen, het bedrog der directeuren in de financiële wereld, de corruptie op tal van niveaus overal in de wereld, het uitgeput raken omdat je zelf geen grenzen meer kunt stellen aan je activiteiten en je verlangens, het zijn allemaal voorbeelden dat de wereld niet zo ideaal is buiten het klooster als we wel zouden willen geloven. De wereld binnen de abdij is dat ook niet. Maar de poging is oprecht om een wereld te scheppen als mogelijkheid, een kans waarin het ook anders kan, met het accent op andere waarden en idealen. Daarvan leren, je een spiegel laten voorhouden, de waan van de dag relativeren, als dat al lukt, dan is zo’n weekend meer dan waardevol geweest. De deelnemers aan ons weekend zullen dit kunnen bevestigen.

John Hacking

18 april 2013

Afbeelding

Een gedachte over “Een weekendje in een abdij

  1. Dag John,
    Erg mooie tekst, ook erg filosofisch opgesteld, daar houd ik wel van 🙂
    Het jezelf een spiegel voorhouden en de waan van de dag relativeren, zoals je in de laatste regels schrijft, daar herken ik me inderdaad erg sterk in voor op de abdij. Zeker voor herhaling vatbaar!
    Gr. Wout

    Like

Reacties zijn gesloten.