Kunst en Afrika

Kunst en Afrika, religie en verering – enkele reflecties over beelden en goden

Eerste kerstdag j.l. waren we in het Afrika-museum te Berg en Dal. Daar komen we wel vaker en de exposities die de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden kregen steeds mijn warme aandacht. Ik herinner me heel goed 2009: “Roots & more”, “De reis van de geesten”, een prachtige expositie over kunst uit Haiti, Cuba en andere landen waar religie, voodoo en kunstwerken nauw met elkaar verbonden zijn. Deze expositie zette mij op het spoor van een kunstenaar als Santiago Rodríguez Olazábal (Cuba 1955) en vele anderen. Olazábal verbindt zijn spirituele opvattingen en levenswijze met zijn werk als kunstenaar. Het begrip kunstenaar is een begrip dat door de Westerse cultuur en kunstopvattingen gekleurd is. Dat wij tegenwoordig spreken van voodoo-kunst of kunst geïnspireerd door voodoo is dus eigenlijk heel recent. Hetzelfde zou je kunnen beweren van de kunst gemaakt door kunstenaars in Afrika. Het werd pas kunst genoemd toen Westerse verzamelaars beelden en voorwerpen gingen verzamelen op het einde van de 19e eeuw. In 1915 verschijnt een baanbrekend werk over deze Afrikaanse kunst van de hand van Carl Einstein. Hij onderzoekt beeldhouwwerk uit Afrika en probeert Westerse opvattingen over kunst hieraan te koppelen. Einstein is zich goed bewust van de eigen status van deze beeldhouwwerken die niet uit de context van het museum komen maar uit het dagelijks leven en het gebruik als religieus voorwerp ervan. Het beeld is geen kunst maar het is een godheid zodra het klaar is. Dat wij nu spreken over Afrikaanse kunst is een verdere ontwikkeling die met het oorspronkelijk gebruik eigenlijk niets van doen heeft. Einstein schrijft:

“Religion und afrikanische Kunst

Die Kunst des Negers ist vor allem religiös bestimmt. Die Bildwerke werden verehrt, wie bei irgendeinem antiken Volke. Der Verfertiger arbeitet sein Werk als die Gottheit oder ihr Bewahrer, das heißt, er  besitzt von Beginn an Distanz zum Werk, das der Gott ist oder ihn  festhält. Seine Arbeit ist entfernte Adoration und somit das Werk  a priori etwas Selbständiges, mächtiger als der Verfertiger ; zumal dieser seine gesamte Intensität in das Werk hineinarbeitet und somit als  der Schwächere diesem sich opfert. Seine Arbeit muß als religiöser  Dienst bezeichnet werden. Das Werk als Gottheit ist frei und losgelöst  von jeglichem; Arbeiter wie Adorant stehen zu ihm in unmeßbarem Abstand. Jenes wird sich nie dem menschlichen Geschehen vermischen und wenn, so als der Mächtige und wiederum Distanzierte. Die Transzendenz des Werkes ist im Religiösen bedingt und vorausgesetzt. Es wird in Adoration, in einem Grauen vor dem Gott geschaffen und das  gleiche ist seine Wirkung. Verfertiger und Anbeter sind a priori seelisch,  das ist wesentlich identisch; der Effekt liegt nicht im Kunstwerk,  sondern in seinem vorausgesetzten, unbestrittenen Gottsein. Der Künstler wird sich nicht vermessen, neben dem Gott wetteifernd eine Wirkung anzustreben; diese ist sicher gegeben und vorausbestimmt. Das Kunstwerk als Mühe um einen Effekt ist hier sinnlos, zumal die Idole oft im Dunkeln adoriert werden.”

Carl Einstein, Negerplastik (1915), Stuttgart 2012 (Reclam) p. 15-16

De conclusie die hieruit getrokken kan worden luidt dat de maker van het beeld niet bezig is met kunst maar met aanbidding. Hij werkt vanuit een religieus bewustzijn en schept daarom deze beelden die samenvallen met de godheid. Dus eigenlijk is het Afrika-museum niet een museum waar kunstwerken worden verzameld maar een museum waar religie en religieuze beleving zichtbaar worden gemaakt. Daarmee is meteen duidelijk dat het niet vanzelfsprekend is dat wij Westerlingen kunnen beleven waar de beelden en objecten eigenlijk voor staan. Vooral omdat de Afrikaanse cultuur een totaal andere is dan de onze. Het kost moeite en inzet om je te verdiepen in deze veelzijdige cultuur. Lang hebben auteurs geprobeerd het Afrikaanse denken en handelen met betrekking tot religie in een Westers keurslijf te persen. Beelden over God en goden zoals wij die kennen werden toegepast op Afrikaanse gestalten. Transcendentie, geloof in één God, christelijk en joods geïnspireerde verhalen werden toegepast op Afrikaanse gebruiken. Maar daarmee werd de kern van deze religieuze uitingen gemist. In Afrika staat de gemeenschap en met deze de voorouders centraal. Al het individuele is daaraan ondergeschikt en zelfs de goden als die een rol spelen in een pantheon. In Mircea Eliade, Geschichte der religiösen Ideen, Bd IV, p. 213 e.v. waar het gaat over de religieuze basisideeën in West-Afrika, wordt dit duidelijk uiteen gezet. De religie in Afrika die in veel gestalten en vormen tot uiting komt heeft niet zoveel raakvlakken met onze westerse opvattingen over religie. In het Afrika-museum wordt dit vooral duidelijk als je kijkt naar de rol van de krachtbeelden in het dagelijks leven en de wijze waarop ‘priesters’, ‘offeraars’, gelovigen, hiermee omgaan.

Eeuwenlang zijn deze gebruiken weggezet als primitief en werden de voorwerpen die wij nu als Afrikaanse kunst beschouwen primitieve kunst genoemd. Maar wat is primitief? Dat is net zo pejoratief als de oude Grieken de volken noemden die niet in Griekenland woonden: barbaren. Het zegt uiteindelijk meer over de arrogantie van het Westen dan over de inhoud en vorm van de Afrikaanse objecten. Aan het gebruik van beelden, maskers en objecten gaat een visie vooraf: een andere kijk op de werkelijkheid met andere grootheden dan die wij gewend zijn. Geesten, goden, voorouders, mystieke krachten, heksen, tovenaars, de kringloop van leven en dood, de macht van de bezielde natuur, het zijn allemaal elementen die wij door onze ontwikkeling als samenleving gestoeld op ratio en wetenschap vergeten zijn – of die wij niet meer serieus nemen omdat ze niet in ons wereldbeeld passen. Een mooi voorbeeld is de inzet van de tatoeage of het gebruik van maskers. Een tatoeage zetten is momenteel in en velen laten hun lichaam volzetten met tekens waar ze nauwelijks de zin van begrijpen. Zeker niet als ze zijn ontleend aan een andere cultuur en context. Dan heb ik het niet over namen van een geliefde, hartjes, doodshoofden en ankers. Tekens van stammen (Australië, Afrika, Latijns Amerika, Azië), van niet westerse volken hebben in de context van de gebruiken daar een totaal eigen functie. Einstein schrijft over het tatoeëren van het lichaam in Afrika:

“Ein Volk, dem Kunst, Religiöses und Sitte unmittelbar wirksam sind, wird, beherrscht und umzirkt von den Gewalten, jene an sich sichtbar machen. Tätowieren heißt seinen Körper zum Mittel und Ziel einer Anschauung machen. Der Neger opfert seinen Körper und steigert ihn; sein Leib ist dem Allgemeinen sichtbar hingegeben und dies erwirbt an ihm greifbare Form. Es bezeichnet eine despotische, bedingungslos herrschende Religion und Menschlichkeit, wenn Mann und Frau den individuellen Leib durch Tätowierung zu einem allgemeinen machen; allerdings auch eine gesteigerte Kraft der Erotik. Welch Bewußtsein heißt es, den eigenen Körper als unvollendetes Werk zu begreifen, den unmittelbar man verändert. Über den naturalistischen Leib hinweg verstärkt der Tätoweur die von der Natur skizzierte Form und die Körperzeichnung erreicht ihre Höhe, wenn die Naturform negiert wird und eine imaginierte sie übertrifft. In diesem Fall bedeutet der Körper höchstens die Leinwand und den Thon; ja er gerät zu einem Hindernis, das die stärkste Formgebung provozieren muß. Sich tätowieren setzt ein unmittelbares Bewußtsein seiner selbst voraus und demgemäß ein mindest so starkes der objektiv geübten Form. Auch hier finden wir, was ich als Distanzgefühl, eine ungeheuere Begabung objektiv zu schaffen, bezeichnete.

Die Tätowierung ist nur ein Teil des sich objektivierenden Tuns, den gesamten Körper zu beeinflussen, ihn bewußt zu produzieren, und dies nicht allein im unmittelbaren Bewegungsausdruck z.B. dem Tanz oder dem fixierten wie der Frisur. Der Neger bestimmt seinen Typ so stark, daß er ihn verändert. Überall greift er ein, um den Ausdruck unverfälschlich zu signieren. Begreiflicherweise verwandelt sich der Mensch, der sich als Katze, Fluß und Wetter fühlt ; er ist dies und vollzieht die Folgerungen an dem zu eindeutigen Körper.” p. 27-28

Einstein betoogt dat de tatoeage onderdeel is van een religieus handelen waarmee het lichaam onderworpen wordt aan de religie en de opvattingen daaromtrent. Het lichaam maakt het religieuze zichtbaar en het individu onderwerpt zich daarmee aan de gemeenschap en de gebruiken daarvan. Het lichaam is slechts filmdoek om de gemeenschappelijke opvattingen te illustreren. Door dit handelen wordt het lichaam en het individu deel van een groter geheel. Dit is totaal iets anders dan de benadrukking van je individualiteit en je uniciteit zoals dat in het Westen plaatsvindt via een tatoeage. In het Afrikaanse ritueel gaat het individu helemaal op in de gemeenschap, hij is er niet alleen deel van maar wordt ook een van de krachten die de gemeenschap dragen en vorderen. Het dragen van een masker maakt dit duidelijk. Einstein stelt met betrekking tot het masker het volgende:

“An der Maske versteht der psychologisierende und zugleich theatralische Europäer dies Gefühl am ehesten. Der Mensch verwandelt sich immer etwas, jedoch bleibt er bemüht, eine gewisse Kontinuität, die Identität zu wahren. Gerade der Europäer bildete dies Gefühl zu einem fast hypertrofen Kult; der Neger, der weniger vom subjektiven Ich befangen ist und die objektiven Gewalten ehrt, muß, soll er sich neben ihnen behaupten, sich in sie verwandeln, gerade, wenn er sie am gesteigertsten feiert. Mit der Verwandlung stellt er das Gleichgewicht zur vernichtenden Adoration auf; er betet dem Gott, er tanzt dem Stamm ekstatisch und er selbst verwandelt sich durch die Maske in den Stamm und den Gott; diese Verwandlung gibt ihm das mächtigste Begreifen des Objektiven; er inkarniert dies in sich und er selbst ist dies Objektive, worin alles einzelne zernichtet.

Darum : die Maske hat nur Sinn, wenn sie unmenschlich, unpersönlich ist; das heißt konstruktiv, frei von der Erfahrung des Individuums; möglich, daß er die Maske als Gottheit ehrt, wenn er sie nicht trägt. Die Maske möchte ich die fixierte Ekstase nennen, vielleicht auch das immer bereite Mittel, ungeheuer zur Ekstase zu stimulieren, indem das Gesicht der adorierten Gewalt oder des Tiers fixiert da ist.” p. 28-29

Ons Westers gekleurd begrip van kunst en de kunstenaar kan dus niet zomaar worden toegepast op objecten, maskers en beelden die stammen uit de Afrikaanse context van aanbidding, voorouderverering, geesten, en religieuze riten. Moderne Afrikaanse kunstenaars die een nieuwe stijl hebben ontwikkeld en die reageren op hun eigen tijd maken dan ook andere dingen. Hun werk is meestal minder object in een religieuze context. Maar de kunstenaars die vanuit een voodoo-gedachtengoed werken doen eigenlijk nog hetzelfde als wat de makers van Afrikaanse beelden doen: zij scheppen een godheid die wordt vereerd en zij houden rekening met de krachten die vrijkomen en die werken tijdens dit religieus bezig zijn. Kunst is dus hier religie en religie is kunst. Het onderscheid is niet per definitie helder als het object of het werk geëxposeerd wordt in een museum of als er grote bedragen worden betaald voor het object. Jaren geleden was er in de Nieuwe Kerk te Amsterdam een expositie met Boeddha beelden: reusachtig groot. Elke dag werden er bloemen neer gelegd want voor een aantal bezoekers betrof het hier niet kunst maar was de manifestatie van de Boeddha aanwezig, en dat verdiende aandacht en eerbied.

Al geloven wij er misschien niet meer in: het Afrika-museum is een plek van (oude) krachten, een manifestatie van geesten en goden die eens werden vereerd en die nu opgesloten in een vitrine geduldig de blikken ondergaan van de toeschouwers. Als die niet al te bijgelovig zijn zal het wel goed aflopen, maar zeker weet je het nooit als je vreemde goden zomaar weghaalt uit hun vertrouwde omgeving.

John Hacking

30 december 2013