Getuigen

HARDE EN ZACHTE GETUIGEN

“Grote kunst verhoudt zich altijd op de een of andere manier tot de vraag naar het bestaan van God.”

Georg Steiner ( in volzin, jrg.4, nr. 17, 2005)

Wetenschappers zijn zachte getuigen waar het de vraag naar God betreft. Zacht omdat ze geen instrumentarium ter beschikking hebben om God volgens de criteria van de exacte wetenschap te meten en als zodanig te bewijzen. Ze blijven dus aangewezen op indirect bewijs, bewijs van horen zeggen, of met andere woorden ze kunnen hoogstens onderzoeken hoe mensen betekenis geven aan het begrip God en hoe zij dat wel of niet als werkelijkheid in hun leven ervaren. Het blijft dus een afgeleid bewijs, een bewijs dat verwijst en dat in de exacte zin van het woord geen bewijs mag heten. Hoogstens kan bewezen worden dat er mensen die ervan uitgaan in denken en handelen dat er een God is. Dat laatste zegt meer over deze mensen en hun gedrag dan over God zelf. God is “niet los verkrijgbaar”. God verschijnt steeds in een betekenisveld en maakt onderdeel uit van een keten van verwijzingen. Spreken over God is daar het meest duidelijke voorbeeld van.

Maar zijn er dan ook harde getuigen waar het de vraag van God betreft? Als het de wetenschappers niet zijn, wie kunnen dan wel die rol vervullen? Als deze rol al te vervullen valt. Eeuwenlang hebben in de gelovige traditie de martelaren gegolden als de enige en ware harde getuigen want zij gaven hun leven voor hun geloof in God. Ze werden in de tijd van de Romeinse keizers ‘en masse’ ter dood gebracht in de arena’s en voor de leeuwen gegooid als vermaak voor een uitzinnige menigte. De uitdrukking dat de ‘kerk’ gegrondvest is op het bloed van de martelaren komt hiervandaan. Maar hoe hard is dit getuigenis? En is het wel een getuigenis dat kan concurreren met het bewijs van de exacte wetenschap? Gezien de huidige inflatie van het begrip martelaar, een begrip waarop ook talrijke zelfmoordterroristen heden ten dagen aanspraak menen te mogen maken, lijkt het me toe dat ook deze ‘harde’ getuigen, géén getuigen zijn die een definitief licht kunnen werpen op de vraag naar God. Beveelt God de aanslag aan op een school of op een bus onschuldige slachtoffers waaronder kinderen? Speelt God politieke spelletjes om vijandige regeringen onder druk te zetten? Is degene die verkondigt te handelen in de naam van God een echte gezant van God? Of is het eerder een psychopaat die om wat voor reden dan ook zijn leven en het leven van talloze onschuldige slachtoffers in de afgrond van de dood dreigt te werpen? Het feit dat de zelfverklaarde martelaar sterft is géén bewijs voor het bestaan van God en het doen van zijn wil. Trouwens dat bewijs werd in de tijd van de Romeinse keizers ook niet geleverd, hoewel het voorbeeld van het vrijwillige martelaarschap zeker indruk gemaakt moet hebben op talloze nieuwe gelovigen  en volgelingen van de nieuwe christelijke religie.

Moeten we het dan slechts doen met zachte getuigen? Is het harde bewijs onmogelijk te leveren? En als we nu eens vanaf de andere kant redeneren: waarom, zou het zachte bewijs niet voldoende zijn, waarom zou je harde bewijzen willen als in onze menselijke existentie weinig echt zeker is? Het Latijnse begrip contingentia, “toevalligheid”, waarschijnlijkheid kan hier uitkomst bieden. In dit begrip zit de onzekerheid als het ware opgesloten. Onzekerheid die fundamenteel is voor het menselijk bestaan en die de betekenisgeving van de mens in zijn bestaan en de beleving van de werkelijkheid kleurt en doortrekt. Slechts weinig is zeker en dat slechts nog binnen een bepaalde tijdspanne. Tijd en ruimte begrenzen datgene wat de mens aantreft en waarmee hij aan de slag kan in zijn werkelijkheid. Zijn leven is contextbepaald en gestuurd. Ook het zinontwerp dat de aangetroffen grenzen in een ander licht plaatst en dat ruimte schept blijft getekend door de fundamentele onzekerheid van het bestaan. En toch kan er ruimte ontstaan, een nieuwe vrijheid door de zaken uit de realiteit anders te duiden, door op een nieuwe wijze betekenis te geven aan datgene wat men aantreft. Door betekenisgeving schept de mens vrijheid en is hij in staat om de dimensies van zijn bestaan in een andere context te plaatsen. Het begrip God is een duiding van de werkelijkheid, een betekenisverlening aan de werkelijkheid die het contingente overstijgt en transponeert op een hoger niveau. Het begrip God toepassen en God relevant verklaren voor ons verstaan van onze existentie is letterlijk ruimte scheppen door een andere macht, een transcendentale macht, een macht die het profane overstijgt, en misschien wel grondvest, als diepere basis, voorrang te verlenen op het contingente wat we dagelijks aantreffen. We gaan dood, maar de dood heeft niet het laatste woord als we het begrip God hierbij betrekken. Dood en leven, leven en dood worden dan opeens situaties die niet meer alleen vanuit de profane werkelijkheid worden verklaard en geduid maar zij krijgen een nieuwe dimensie, een dimensie die letterlijk meer ruimte biedt aan ons beperkt profaan verstaan van deze beleefde werkelijkheid. Sacraliteit is letterlijk ‘apart gezet’ worden, ‘ernaast’ staan, niet helemaal deel uitmakend van deze zichtbare en vergankelijke werkelijkheid van dood = dood. Er is meer, er is een verder dan dat, een morgen, een nieuwe horizon, een nieuwe toekomst. De dood heeft niet het laatste woord. Het feit is niet zaligmakend.

Het doorbreken van dit inzicht is meestal géén hard gegeven. Het heeft meer met het zachte beleven van de werkelijkheid te maken, het intuïtief aanvoelen en duiden, het verwoorden en betekenis geven vanuit het besef dat woorden ‘leven’ kunnen geven, ook in situaties van schijnbare hopeloosheid. De diepste grondintentie van het zenboeddhisme, MU, de leegte, dat alles leeg is, niets gaat verloren en alles is met elkaar verbonden, verwoordt dit inzicht op een geheel eigen en unieke wijze. Leegte ervaren wordt dan tegelijk volheid ervaren, de ervaring van vervulling, vervolmaking en van niets. Volheid en leegte zijn in deze zin twee kanten van de medaille. Met het verstand niet te bevatten maar met het lichaam wel te ervaren.

En daar moeten we het mee doen. Het lichaam biedt ons deze mogelijkheid en het vormt de ultieme grens om de werkelijkheid, ook in haar overstijgende dimensie, te ervaren. “Opeens is de hemel vol engelen” en dan, niet veel later, gaat het gewone leven weer verder. Na de ervaring van ‘satori’, moet wel nog het toilet worden gepoetst en de aardappelen geschild. En toch is de tijd voor die ervaring en de tijd daarna niet hetzelfde. Er heeft een shock plaatsgevonden, een kwaliteitsomslag, een omslag in de beleving. Een beleving die nu opnieuw en vaak moeilijk, omdat de woorden ontbreken, geduid kan worden. De mystieke ervaring laat zich niet gemakkelijk beschrijven maar kan wel de nieuwe grondslag vormen voor een heel nieuwe stroom van betekenisgeving. Misschien komt verliefdheid wel het dichtst in de buurt van deze ervaring. Liefde die door het hele lichaam wordt gevoeld en waar je helemaal vol van bent. Waarschijnlijk nog nooit exact gemeten en aangetoond en toch met geen mogelijkheid te ontkennen, want dat zou een ontkenning zijn van een menselijke mogelijkheid die zich dagelijks aan ons voor kan doen. De haters en bestrijders van de godsdienst verdenk ik dan ook ervan dat zij vooral een papieren oorlog, een oorlog met woorden voeren, gevoed door hun rationaliteit waarin geen plaats is voor het onverwachte, het sacrale en het transcendente. Zij zijn de slaven van de materialiteit, de contingentie, het hier en nu en morgen niks meer. In feite verkrachten ze de hoop omdat ze geloven dat hoop een verzinsel is. Ze verwachten geen beter omdat ze niet meer geloven in de utopie van de messias. Ze zien zich zelf niet als messiaans instrument omdat de dood het bittere einde is en niet meer dan dat. En hoe hard ze ook schreeuwen en argumenteren, hoe hopelozer het klinkt in de oren van de goede verstaander. Want God is géén argument in een discussie, het is géén begrip in een filosofisch gesprek, het is een levenswerkelijkheid van mensen die zich niet willen neerleggen bij het hier en nu en die een morgen verwachten die beter is. God is vleesgeworden hoop in mensen. God is daadkracht in optimisten die geloven dat hun daden er toe doen. Maar die ook beseffen dat het niet alleen uit hun handen kan komen. Dat de contingentie niet vanuit het menselijk bestaan kan worden overwonnen, maar dat de hoop gevoed moet worden vanuit een andere dimensie. Eigenlijk is een gelovige niet meer dan een mens die durft toe te geven: “ik kan het niet alleen, help me, kom me te hulp!” En warempel de hulp is dan niet ver meer weg. “Wie oren heeft, wie ogen heeft….” En dat laatste, dat noem ik graag het kunstwerk van het leven.

John Hacking (2004)

kw1nieuwa