God opnieuw

God is een wandelaar. Hij houdt van de wandelaar en de wandeling. Hij wandelt in zijn werk. Hij wandelt met zijn werk.

John Hacking

GOD, LIEFDE EN VRIJHEID

 “De stellige verklaring dat de mens onafhankelijk is, dat hij met zijn intelligentie aanwezig is in een begrijpelijke werkelijkheid, de vernietiging van het numineuze concept van heiligheid brengen het risico van atheïsme met zich mee. Dat risico moeten we lopen. Alleen via het atheïsme kan de mens zich verheffen tot de spirituele notie van het Transcendente. […] Het strekt God tot eer dat hij een wezen heeft gemaakt dat in staat is om hem in de verte te zoeken, hem van verre te horen, op voorwaarde van scheiding, op voorwaarde van atheïsme.” E. Levinas

 “Dan zegt hij: laat mij toch uw glorie zien! Hij zegt: van mij uit laat ik voorbijtrekken: heel mijn goedheid, vlak voor je aanschijn, en de naam ‘ENE’ zal ik uitroepen voor je aanschijn; begenadigen zal ik wie ik begenadig en ontfermen zal ik mij over wie ik mij ontferm! En hij zegt: je zult niet bij machte zijn om mijn aanschijn te zien; want nooit ziet de roodbloedige mens mij aan en overleeft het!  Dan zegt de ENE: hier is een plaats bij mij; opstellen zal ik je op de rots; geschieden zal het als mijn glorie voorbijtrekt: neerzetten zal ik je in een holte van de rots; overhuiven zal ik je met mijn handpalm totdat ik voorbijtrek; weghalen zal ik mijn handpalm en zien zul je mijn achterkant; mijn gelaatstrekken zullen niet worden gezien!” Exodus 33, 18-23 Naardense Bijbel

 “Ziedaar, de ENE die voorbijtrekt, en een geestesstorm, geweldig en sterk, die bergen verscheurt en steenblokken verbrijzelt voor het aanschijn van de ENE uit; maar niet in die geestesstorm is de ENE,– na de geestesstorm een aardbeving,  maar niet in de aardbeving is de ENE. Na de aardbeving een vuur, maar niet in het vuur is de ENE; na het vuur de stem van een zachte stilte. Het geschiedt als Elia dat hoort dat hij zijn aanschijn omhult met zijn luisterrijke mantel; en ziedaar, tot hem een stem die zegt: waarom ben je hier, Elia?” I koningen 19,11-13 Naardense Bijbel

 

God “van voren” is liefde, “van achter” vrijheid. Mozes ziet God enkel van achteren. De hand van God beschermt hem. Elia bedekt zijn gelaat met zijn mantel als hij de stilte van de zwijgende stem hoort. Beiden zien God niet, maar horen wel zijn stem.

God spreekt tot hen, rechtstreeks. Wat zij horen en wat hen tegemoet komt is een uitnodiging, interesse, een vorm van liefde. Wat zij zien als de glorie van God voorbijgaat is de achterkant, zijn voorbij gaan. In vrijheid blijven zij achter om wel of niet iets te doen met wat zij gehoord hebben. Daarin zijn ze autonoom. God heeft geen enkele poging ondernomen om hen te beïnvloeden of zelfs te manipuleren. Het is helemaal aan hen om iets of niets met het gehoorde te doen, om dat in concrete daden om te zetten. Doen ze het niet, God kan het níet voorkomen.

De relatie mens – God, en God – mens is allereerst ruimtelijk en dus ook lichamelijk. Ruimtelijk omdat wij met ons lichaam ruimte innemen in de wereld. Ook ons geloven wordt hierdoor getekend. Het zou niet anders kunnen. Een puur intellectueel geloof is geen geloof want dat gaat nergens over! Ijdel, lucht, wind, zou Prediker zeggen. De verhalen van Mozes en Elia illustreren deze ruimtelijkheid en lichamelijkheid van de ervaring met alle kracht. In die zin kunnen deze verhalen exemplarisch zijn voor de ervaring van God in de concrete ruimte.

Ons lichaam kleurt onze waarneming van de werkelijkheid. Tijd is een afgeleide, een niet buiten de concrete ruimte te ervaren werkelijkheid. Geloof verwoorden in categorieën van de tijd zonder te beseffen hoe fundamenteel de ruimte is kan ontaarden in ideologie: “après nous le déluge” (“na ons de zondvloed”) omdat de concrete ruimte en de concrete mensen er niet meer toe doen. Apocalyptische beelden over een eindtijd, een tijd van definitieve vergelding en vernietiging getuigen hiervan. In naam van de tijd, het goddelijk ingrijpen in de tijd en in de menselijke geschiedenis, wordt een einde gemaakt aan de concrete vrijheid van de mens en daarmee aan zijn bestaansreden. Daarmee wordt ook het bijbels uitgangspunt ‘verantwoordelijkheid in vrijheid’ van de tafel geveegd. Over blijft een wrekende God en een gemankeerde mens.

Tijd kan dus niet zonder ruimte, zonder concrete ruimte en mensen worden ingevuld omdat anders het gevaar dreigt van totalitair handelen. Totalitair handelen wordt gekenmerkt door het feit dat mensen hun eigen opvattingen en beleving van de tijd en de ruimte tot uitgangspunt en tot norm maken voor anderen. Allen die niet voldoen worden uiteindelijk weggevaagd. Als iets duidelijk wordt uit de ruimteverhalen waarin God de mens ontmoet is dat er elke vorm van totalitair gedrag van de kant van God ontbreekt. God’s aanschijn is welliswaar overweldigend en vreeswekkend maar het vernietigt níet de toeschouwers. Mozes en Elia schuilen in een grot, een spelonk als het goddelijk geweld voorbij gaat. Kenmerkend ook dat de passage plaatsvindt tussen twee gesprekken. Het voorbijgaan van God staat in het kader van een gesprek, een dialoog. Er is geen eenzijdigheid, van de kant van God is er duidelijk interesse en belangstelling voor de gesprekspartner. Dat noem ik voor het gemak de communicatieve liefdeskant van God. Hij gaat het gesprek aan en verwacht een antwoord. Dat antwoord komt er bij Mozes én bij Elia. Alleen bij Elia levert het niet veel nieuws op, hij herhaalt zich en vervalt opnieuw in een jammerklacht. Bij Mozes is het een nieuw begin van de tocht met God, Elia wordt uiteindelijk weggenomen van de aarde. De koppige hardvochtigheid van Elia kan zelfs God niet wegnemen. Mozes, daarentegen krijgt God zover om zijn barmhartigheid te tonen aan het volk.

Beide verhalen maken duidelijk dat de afstand tussen God en mens essentieel is. In deze verhalen wordt die afstand overbrugd door een gesprek. Het woord slaat de brug. Niet het natuurgeweld waarmee het voorbij gaan van God gepaard gaat. Als er geen gesprek is tussen God en mens omdat de mens niet in de gelegenheid is om God te ontmoeten zoals in deze verhalen is de afstand nog groter. De afstand tussen God en mens is een kerngegeven uit de bijbel. Telkens weer laten de verschillende bijbelse verhalen zien hoe de acteurs deze afstand benutten om zichzelf te profileren en om deze afstand te overbruggen of in stand te houden met een bepaalde bedoeling. Je zou veel verhalen kunnen bestuderen vanuit deze metaforiek van de ruimte en de afstand. Hetzelfde geldt echter ook voor het geloofsleven. Als je van mening bent dat God verinnerlijkt is, deel uitmaakt van jouw leven en jouw lichaam dan loop je het gevaar te denken dat God aan jouw kant staat. Wat dit kan betekenen hebben we gezien in diverse oorlogen. In feite is dit het zoveelste bewijs van totalitair handelen. God in jou vraagt om een wereld die dit accepteert. Een wereld met God. In feite wil je dan uitbreiding van jouw innerlijke God, een uitbreiding van het lichaam over de wereld; de inzet is totaal.

De verinnerlijking van God draagt dus grote gevaren met zich mee omdat de afstand God – mens radicaal wordt opgeheven. Zo verliest de mens als het ware God en ook zichzelf, want hij wordt zelf god. God laat zich niet opsluiten in een lichaam, niet in een beeld of metafoor, en niet in verhalen. God is transcendent, dat wil zeggen dat hij zich onttrekt, met andere woorden hij is onttrokken aan de menselijk ervaarbare werkelijkheid. Elke poging om God in te lijven is dan ook tot mislukken gedoemd en de offers die gebracht worden bij zo’n poging zijn altijd hoog. De geschiedenis laat dat zien: overal waar mensen in naam van God als godenkinderen de tronen bestijgen stijgt ook het aantal slachtoffers van dit proces. De wereld wordt er niet beter van.

Wat is het alternatief? Simpel, afstand houden en bewaren. Vanuit de mens is de afstand niet te overbruggen. Dus het blijft wachten op God, op zijn initiatief. De bijbelse verhalen, hoe exemplarisch, blijven voor ons concrete leven uitzonderingen, leerverhalen, om te leren hoe wij de afstand vanuit ons menszijn niet moeten overbruggen. Ze laten ons zien hoe wezenlijk de afstand is tussen God en mens en dat wij zelf helemaal op eigen benen zijn gesteld. De mens is vrij, dat laten ze zien, maar God is  niet onbewogen. Hij zou graag zien en horen dat wij in zijn sporen wandelen, sporen die Hij heeft uitgezet via deze verhalen en via zijn voorschriften.

Maar we blijven vrij en zelf verantwoordelijk. Een beeld maken van God als een soort Sint Nicolaas, en hopen dat hij veel wensen vervuld is dus een illusie, een drogbeeld, het zetten naar jouw hand van God. En de werkelijkheid laat zien: het werkt ook niet. De Sint bestaat niet en ook een God als Sint niet. Word volwassen, zeggen de verhalen van Mozes en Elia, ga zelf je weg, neem je verantwoordelijkheid. God is in de buurt, maar op afstand. En dat is goed zo.

John Hacking (2004)

DSCN5899