God en spreken over God

God en spreken over God

Tijdens een bijeenkomst met collega’s kwam naar voren dat spreken over wat je gelooft en waar je religieus gezien staat een hachelijke bezigheid kan zijn omdat je door je open opstelling in deze je kwetsbaar toont. Waar komt dat gevoel vandaan, dat kwetsbare, als je spreekt over datgene wat je dierbaar is en wat je ten diepste gelooft? Ben je bang voor afwijzing, voor kritiek, voor je moeten verdedigen? Voor het blootgeven van je diepste verlangens en motivatie en dan weten dat de ander daarmee aan de haal kan gaan omdat hij of zij er heel anders in staat? Spreken we daarom misschien weinig of zelfs te weinig over onze diepste inspiratie en de kern van ons geloven?

Okee, je kunt worden ‘afgeschoten’, belachelijk gemaakt, er kan kritiek op je standpunt, op je argumenten en op je houding worden geleverd maar moeten we daarom dan maar zwijgen? Tegenstanders, mensen die anti-standpunten verkondigen, vaak met grote felheid, zoals sommige atheïsten laten zien, zullen er altijd blijven. Dat is niet erg. Dat houd je bij de les. Dat scherpt je verstand en kan voor diepgang zorgen, voor minder oppervlakkigheid en goedkoop geloof. Goedkoop geloof is van het soort dat van God een Sinterklaas maakt, dat een wezen naar eigen beeld, naar eigen verlangen en behoeftes schept, en dat dan teleurgesteld is als het niet uitkomt wat wordt verwacht. Goedkoop is de “Lückenbüsser”-God die de gaten moet opvullen in de argumentatie, als men er even niet uitkomt, bijvoorbeeld als gevraagd wordt ‘waar komt alles vandaan?’ en het antwoord is dan God.
Zo eenvoudig ligt het allemaal niet. Een god gevormd naar de verlangens van de kinderziel mag dan mooi en eenvoudig klinken, het mag een zekere charme hebben, in onze samenleving kom je daar niet mee weg. Godsdienst en het dienen van God is een zaak voor volwassenen. Kinderen kunnen die verantwoordelijkheid nog niet dragen.

Geen beelden maken, in welke vorm dan ook, ook niet met woorden, zo luidt een van de opdrachten van die God. Maar als we al spreken over God hebben we als het ware al een beeld, dichten wij die God al eigenschappen toe en hebben we al een soort van voorstelling. Zo zit je meteen gevangen in een paradox: een God die verbiedt over God als God te spreken in de vorm van beelden, die verbiedt om Hem af te beelden in welke vorm dan ook. De reden is simpel: elk beeld is onvolmaakt, elk beeld geeft de illusie van een houvast, elk beeld geeft toegang tot een vorm van vermoede en gedachte (voorgestelde) beheersing van de werkelijkheid. Beelden geven dus houvast. Ze vormen de opstap, het bruggetje om de confrontatie met de werkelijkheid aan te gaan en er je weg in te vinden.

Maar hoe hou je het vol: een God aanhangen die op geen enkele, ik herhaal geen enkele, manier te vangen is in beelden, niet te beschrijven, niet te omschrijven omdat geen enkele manier recht doet aan zijn wezen. Heeft hij wel een wezen, kunnen we de woorden uit ons taalgebied, zoals existentie, wezen, godheid, het numineuze, het sacrale, het goddelijke, wel toepassen op die God of zeggen ze meer over onze houding en onze condition humain dan over God? God existeert niet want hij is geen wezen dat existeert zoals wij mensen existeren. Existentie is een categorie uit het zijn van de dingen: de dode en de levende dingen. God valt daarbuiten. Hij is met deze categorie niet te benaderen want dat zou hem naar het niveau halen van de mens. Maar wat moeten we dan als ons zelfs de woorden ontbreken?

In de boeken uit de bijbel merk je af en toe dat hiermee geworsteld wordt. Zo is er niet een naam van God maar zijn er tallozen. Allemaal namen die naar eigenschappen verwijzen en die bepaalde kwaliteiten aanduiden zonder dat God hiermee wordt vastgelegd. Het geheel aan wisselende namen is meer dan de som der delen, is meer dan wat wij met ons mensenverstand kunnen vatten. Daarom, zo vermoed ik, hebben we maar de abstractie God bedacht, als een soort van samenvatting van al die namen en die eigenschappen. Het boek Psalmen en ook de profetische boeken laten heel goed zien hoe gevarieerd er over God gesproken kan worden. Dichtbij de menselijke ervaring, dichtbij het eigen hart maar ook gruwelijk ver weg en afstandelijk. Elohim, een van de namen voor God maakt dit laatste duidelijk: de God die aan het begin staat van het universum wat in het scheppingsgedicht in Genesis een wordt uitgedrukt op poëtische wijze. Maar wie of wat is Elohim, welke band heb ik met die God, met die kracht, dit begin van alles? Kan ik daar een band mee hebben en kan ik dat wel aan vanuit mijn existentie gedacht?

Jezus brengt God in zijn leven en zijn tijd dichterbij door te spreken over de Vader. Maar ook dat is een begrip dat verschillende ladingen heeft en die zijn niet allemaal even positief. Zo is op elk woord, elke beschrijving wel iets aan te merken. Maar wat moeten we dan? Hoe kunnen we Gods grootheid en zijn gebod om niet af te beelden eerbiedigen zonder in beschrijvingen te vervallen? Is er wel een weg buiten de taal, buiten onze beleving van de werkelijkheid via de taalkundige verwoording? Ik vermoed dat we hiermee hopeloos vastzitten. Hopeloos verstrikt in de valstrik van de vogelvanger: taal is de lijm aan onze poten, het net is de taal waarmee we fluiten, het lot is de taal waarmee we om hulp schreeuwen om te worden bevrijd. Bevrijd me van de taal. Of zoals Eckhart al zei, de mystieke meester uit Duitsland, “God bevrijd me van God”! Daarmee moeten we het maar doen, met deze paradox. Echt iets voor volwassenen gelovigen. Niks in handen en toch hopend op alles.

John Hacking

23 september 2016