Beelden

Beelden – hals over kop

 

STEEDS DIT BEELD

Steeds dit beeld

van de hand en van het voorhoofd,

van het schrift, dat

aan het denken terugviel.

Als de vogel in het nest,

zo rust mijn hoofd in mijn hand.

Te prijzen bleef de boom,

als niet overal woestijn zou zijn.

Onsterfelijk voor de dood.

Het zand is ons

onzinnig erfdeel.

Kon toch deze hand,

waarin de geest zich vlijt,

vol zaad zijn.

Morgen is een andere termijn.

Wisten jullie, dat onze nagels

eens tranen waren?

We schrammen de muren met ons wenen,

dat zich heeft verhard als onze kinderlijke harten.

Iedere redding komt te laat,

als het bloed de wereld overstroomd heeft.

Ons resten slechts de armen,

om zwemmend de dood in te halen.

(Aan gene zijde van de zee, over de bergkammen

een piepkleine niet geïdentificeerde planeet,

handen verenigd, ronde handen overvol,

aan de zwaartekracht ontsnapt.)

Wanneer wij het geheugen terugontvangen –

zal dan de liefde eindelijk haar leeftijd kennen?

Geluk van een oud gedeeld geheim.

Aan het al klampt zich nog

de hoop van het eerste woord;

aan de hand het verfrommelde blad.

Tijd is er enkel voor het ontwaken.

Edmon Jabès

Beelden, beeldenverering, beeldenstorm, beeldtaal, beeldwoord. Beeld én beelden. Symbool én symbolen: dood en levend, het land en het water, de aarde en de hemel, wachtend en schrijvend, leegte en tekst, zand, glas, modder, boom en moeras, wanhoop en hoop, cynisme en ironie, lachen op de rand van de afgrond, wachten met springen, in de verte een land, een horizon, een krijsende meeuw. Ze lacht ons uit en ze lacht met zichzelf. Waar is het houvast waar we zo naarstig op zoek naar zijn? Welke beeld geeft ons de zekerheid die wij smachtend verlangen? Tijd van het einde, vervulde tijd, gekomen tijd waarin alle beloftes waarheid worden? Apocalyps, onthulling van de waarheid, van Godswil? De Messias in aantocht,  de martelaren beloond, nu voorgoed? Vrede op aarde?

Voor mensen van zijn welbehagen? Uitverkorenen of geldt het dan voor iedereen? Paradijs op sokken, intocht via de bomgordel, allen eraan.

Dit! is semiotiek – proces van betekenisgeving – een grote semiose – nooit af, nooit gestopt – altijd dynamisch zelfs als is ze statisch en liggen waarheden vast. Verankerd, in de grond geslagen als met de pinnen van de circustent. Als een religie verankerd met touwen, met vast hamerslagen telkens weer vastgezet, na elke hevige storm weer met man en macht gered. Dat zijn onze dogma’s, niet de tekst op het maagdelijke papier, de in letters gegoten overtuigingen, bevochten en bekritiseerd door vele monden met evenzovele hoofden. Nee het zijn de telkens weer verankerde emoties en gevoelens – onze hoop op redding die enkel kan verlopen volgens het patroon van het vastgesnoerde bootje dat ons brengen moet naar de overkant: een veerbootje aan een ketting op een woeste rivier. Zonder dat bootje is de overtocht onzalig, onveilig, niet gegarandeerd. Vergeten is de route verderop, het lage water, de zandbanken waarover ook een veilig heenkomen mogelijk is.

Maar wat weten wij, hoever reikt onze kennis, onze herinnering, onze ervaring. Onze ratio beschermt ons niet tegen domheid, niet tegen kortzichtigheid, niet tegen valse zekerheid. Ons verstand kijkt niet verder dan de zichtbare horizon, de berekenbare afstand, de vermoedbare weg die wij zouden kunnen gaan en die is afgelegd. Veel blijft intuïtie, ook al willen we daar niet aan. Hoe de liefde schriftelijk vast te leggen, proefondervindelijk te bewijzen en objectief te garanderen? We worden links en rechts ingehaald door onze emoties en dan begint ons leven pas. Niet in het laboratorium van de wetenschap, in de dissertaties van de onderzoekers, hoeveel geld er ook tegenaan wordt gegooid.

Ons gevoel duwt ons voort, stuwt ons, maakt gehakt van onze plannen en mooie voornemens. Ons gevoel is de motor onder ons bestaan. Ons gevoel duwt weg wat in de weg staat, en hindert ons om stil te staan, te beschouwen, te laten rusten, te overwegen en af te wegen. Ons gevoel wil actie, wil hier en nu, wil weten, wil zekerheid, wil houvast. Enkel in het beleving, in het gaan voor die banaan, voor inzet en overgave, voel je de energie, blijf je in beweging, loop je niet vast in je vertwijfeling die stiekem aan boord sluipt en die – als je haar toelaat – zand in de motor gooit, een staak in de wielen steekt.

Want ook leven en beleving aarden in de dood. Glijden af naar de koude dood, de stilte van het zwijgen, de rust van de kist. Het lichaam heeft hier weet van en ook de ziel maar het gevoel wil hier niet aan. Het pleegt verzet, verzet zich hevig, zoekt het in vertier en in actie. Wie wil ontwaken? Wie kan, wie durft ontwaken? En weten: het is goed.

Beeldwoord. Nu schrijf ik het. God. Stil.

Het zwijgen van de taal is luider dan

wat winterwind in kale bomen kan

veroorzaken: het minste takgetril

breekt wat beweging niet verlangt. De wil

om dit te lezen als symbool, daarvan

bevrijd te zijn, gedacht systeem, als plan –

beeld of bedoeling maakt toch geen verschil?

Beijzeling. Het licht, gefilterd in de

vitrages, tekent letterlijk de linde-

boomtoppen tussen hier en ginds. Daarin

grammatica en de syntaxis vinden.

In de slaap geeft hij het aan zijn beminden:

beelden. Wie waakt ontwaakt in woordbegin.

C.O. Jellema