Evolutie en schepping

Evolutie en ‘schepping’

Wat is de mens? Is hij het eindresultaat van een lang ontwikkelingsproces dat wij evolutie noemen, een voortdurende aanpassing aan veranderende omstandigheden, van gewenste en ongewenste mutaties? Of is hij het resultaat van een scheppingsproces analoog aan verhalen uit de bijbel? Als hij het eerste is, product van evolutie, is het met de mens zoals hij nu bestaat waarschijnlijk niet gedaan en komen er volgende stappen in deze ontwikkeling. Wat en hoe is natuurlijk niet direct zichtbaar omdat we zover niet in de toekomst kunnen kijken. De dinosauriërs wisten ook niet dat ze uiteindelijk zouden evolueren in vogels. Maar er worden wel al lang ‘sciencefictionachtige’ perspectieven ontwikkeld. Daarover straks meer.

Is de mens resultaat van de schepping, schepsel uit handen van God, dan gelden voor de aanhangers van dit idee (misschien) de wetten van de evolutie niet en is deze mens aanbelandt in zijn eindstadium. Dat is dan ook de meest volmaakte vorm die geen verbetering meer behoeft. Behalve dan de binnenkant misschien: de geest, het geestelijk vermogen, een meer ethisch gedrag, meer menslievendheid en minder agressie tegenover elkaar en de natuur die ons omgeeft en waar we deel vanuit maken. Deze tweede positie, mens als resultaat van schepping, als schepsel is geen empirisch vast te stellen feit. Het is een gelovige vooronderstelling, een assumptie gebaseerd op een verhaal, een overlevering, het is theologie en vooral een stuk poëzie. Want het bijbelse scheppingsverhaal is eerder poëzie dan verslag, eerder een mooi gedicht dan een beschrijving van een werkelijk proces.

Wat is de mens? Nu de mogelijkheden zich aandienen om ook het menselijk genoom te manipuleren zelfs al in de allereerste fases van zijn bestaan kruipen voor- en tegenstanders van deze techniek in de pen om hun mening te ventileren. Voor een aantal christenen bijvoorbeeld is de mens de kroon op Gods’ schepping en wijzen zij elke  vorm van techniek af die gaat sleutelen aan bijvoorbeeld het embryo van een mens. Het staat de mens in hun ogen niet toe veranderingen aan te brengen in deze schepping van God. Tegelijkertijd beschouwen ze de mens ook als heerser over deze schepping want ook dat wordt in deze tekst gesteld. De ontwikkeling van techniek en wetenschap zou zelfs zonder deze aanzet en legitimatie van menselijk ingrijpen in de ‘natuur’ misschien heel anders zijn verlopen. Maar dat is in nevelen gehuld. Je zou je kunnen voorstellen dat de mens dan een geheel andere houding ten aanzien van de omringende natuur zou kunnen hebben aangenomen: minder uitbuitend, minder bedacht op eigen belang en eigen winstbejag, minder verwoestend en meer harmonieus in samenhang ermee. De mens anno 2017 drukt onmiskenbaar zijn stempel op de natuur, op de biotopen van planten en dieren, op het milieu en het klimaat, zozeer zelfs dat onderzoekers deze fase in de geschiedenis kenmerken met het begrip antropoceen.

De (christelijke) houding op basis van bijbelteksten zoals ‘Dan zegent hij hen, God, en hij zegt tot hen, God: draagt vrucht, wordt overvloedig, vervult het land en bedwingt het!- en daalt neer bij de vissen van de zee  en het gevogelte van de hemel, bij alle leven dat kruipt over het land!’ (Gen. 1,28 Naardense bijbel) staat dus niet los van de technische ingrepen in de natuur en de neerbuigende houding van de mens tegenover die natuur. Daarom is het toch vreemd en blijft het verbazing oproepen dat christelijke groeperingen zich verzetten tegen medische technieken die het voorkomen van ziektes en ernstige afwijkingen op het oog hebben zelfs in het stadium van het embryo. Hoe is deze dubbelheid te verklaren? Waarom in het een niet ingrijpen en in het andere meegaan in de manipulatie van planten en dieren, in het uitbuiten van de aarde en de vervuiling ervan? En op menselijk vlak toestaan dat er oorlogen woeden, dat er hongersnoden zijn, armoede heerst, mensenhandel plaatsvindt, slavernij mogelijk was, want de geschiedenis leert ons dat ook de ‘Hollanders’, de kooplieden en handelaars, veelal van calvinistische gezindte, hierin een heel groot aandeel hebben gehad. Misschien is wel een groot deel van de Nederlandse welvaart in de zogenaamde Gouden Eeuw wel gebaseerd op dit onrecht. (Vgl.Gloy, Karen, Die Geschichte des wissenschaftliche Denken, pag. 120 e.v.)

Kortom hoe hypocriet kan een mens zijn door niet te willen morrelen aan de orde door God vastgesteld en anderzijds om in deze orde wel kansen te zien om de aarde uit te buiten? Ik kan dat niet verklaren. Het is ook in mijn ogen een vreemde vorm van perceptie van de werkelijkheid. De bijbelse God schept door sprekend te onderscheiden, te differentiëren. God schept vanuit een chaos, een Tohuwabohu, een woest en leeg begin. In een tweede verhaal wordt de mens geboetseerd uit aarde en de partner zijn vrouw uit zijn rib. Maar het boek 2 Makkabeën 7,28 zegt: “Ik bid u, mijn kind, dat gij ziende naar de hemel, en naar de aarde, en aanziende al wat daarin is, wilt erkennen dat God deze dingen uit niet gemaakt heeft, en dat het menselijk geslacht zo geworden is.” Hier wordt gesteld dat God de wereld schiep uit niets, creatio ex nihilo, en ook het menselijk geslacht. Kerkvaders hebben hierover gedelibereerd, waaronder Ireneus, en in de middeleeuwen was dit een belangrijk theologisch thema. De afstand tussen God en schepsel is bij een schepping uit het niets nog groter dan in het verhaal uit Genesis waar de mens geschapen is naar Gods evenbeeld: “God schept de –rode– mensheid in zijn beeld, in het beeld van God heeft hij hem geschapen; mannelijk en vrouwelijk heeft hij hen geschapen.”(Gen 1,27 Naardense bijbel). Kortom als wij deze teksten bij elkaar plaatsen is er volgens mij geen grond om op basis hiervan te kunnen beweren dat er restricties zijn ten aanzien van het eigen scheppend handelen van mensen. Dat veel handelingen negatief zijn en dat ze verkeerd kunnen uitpakken is inherent aan het menselijk handelen. Ethiek is de wetenschap om dit aan de kaak te stellen en regulerend op te treden. Voorwaarden te formuleren en controlemechanismen in te bouwen in samenhang met de wetgevende overheid. Een ander argument dat heden ten dage ook een belangrijke rol speelt is het feit dat een kleine minderheid van gelovigen niet de meerderheid van niet gelovigen hun wil kan doen opleggen op basis van polyinterpretabele teksten uit een ver verleden die voor niet gelovigen geen gezag hebben.

Als de mens niet het eindstadium is in het proces van evolutie, kortom als hij poëtisch wel schepsel Gods genoemd kan worden, maar feitelijk niet, staat ons nog heel wat te wachten in de menselijke geschiedenis. Stanislaw Lern onderscheidt in 1964 in zijn futuristische boek Summa technologiae een aantal fases in dit proces van natuurlijke ontwikkeling. Hij spreekt over kosmogonische  ingenieurskunst en pantocreatie die nieuwe wereld gaat scheppen met bestaande materialen binnen de natuurlijke mogelijkheden ervan. Met kleine stappen wordt de huidige bestaande wereld veranderd. De mens wordt onderdeel van een perfectioneringsproces. Stap een is de konserverende ingenieurskunst. Hier gaat het om behoud van gezondheid, opheffen van ziektes, vervangen van organen door kunstmatige substituten etc. Veroudering en dood blijven echter bestaan net als de lichaamsbouw van de mens. In een tweede fase die genetische ingenieurskunst wordt genoemd wordt ingegrepen in de menselijke evolutie door doelbewuste manipulatie en sturing. Een biologische auto-evolutie is de richting met als doel optimalisatie van de mens (zonder ziektes en andere beperkingen) zowel lichamelijk als geestelijk. Door geleidelijke verandering komt Homo Sapiens 2.0 of 3.0 in zicht. Tenslotte is er een derde fase in dit proces waarbij het hele construct mens wordt aangepast. Een bijna onsterfelijkheidsmogelijkheid komt in zicht. Het idee van robotisering van de mens – toepassing van andere materialen om het menselijk lichaam gestalte te geven – is hier aan de orde. Evenals de verbinding van het menselijk brein met de computer. Ook valt te denken aan het verwijderen van menselijke onderdelen die niet geschikt zijn voor een leven buiten de aardse atmosfeer: bijvoorbeeld zuurstof afhankelijke en voedselafhankelijke systemen, warmteregulatie, etc. De mens wordt zo schepper van natuur en ‘natuurlijke’ omstandigheden zonder er zelf nog afhankelijk van te zijn. (Vgl.Gloy, Karen, Die Geschichte des ganzheitliche Denken, pag 140 e.v.)

Karen Gloy heeft in haar boeken over de geschiedenis van het wetenschappelijk denken en over de waarheid van wetenschappelijke theorieën, laten zien hoe onze menselijke ontwikkeling, ook de in wetenschap, grillig verloopt. Evolutionaire processen ontleend aan de biologie spelen ook in de vinding van waarheid binnen de wetenschap een rol. Er zijn geen eenduidige rechte lijnen te trekken in de ontwikkeling van de mensheid. Veel veranderingen vinden plaats met vallen en opstaan, met grote misstappen, met manipulatie, veel geweld en veel rampen. Kortom de evolutie met voortdurende veranderingen, mutaties, aanpassingen en mislukkingen houdt ons een spiegel voor. We kunnen hiervan leren. We kunnen ook zo van onze fouten leren en van onze foute aannames. De toekomst zal het uitwijzen. Waarschijnlijk leven we zelf als individu niet lang genoeg om hierover een goed oordeel te kunnen vormen. Ons menselijk leven is (nog) te kortstondig en te beperkt om een meta-conclusie te kunnen trekken. Bescheidenheid is dus op zijn plaats. Ook ten aanzien van onze claims als gelovige ten aanzien van Gods wil. Als menselijke mier past ons die bescheidenheid.

John Hacking

27 oktober 2017

Gloy, Karen, Wahrheitstheorien, Eine Einführung, Tübingen Basel 2004 (A. Francke Verlag)

Gloy, Karen, Die Geschichte des wissenschaftliche Denken. Verständnis der Natur, München 1995, Köln (Komet)

Gloy, Karen, Die Geschichte des ganzheitliche Denken. Verständnis der Natur, München 1996, Köln (Komet)