Dansend door het leven

Leven in het hier en nu, niet met je gedachten bij gisteren of bij morgen valt voor velen niet mee. Focussen op wat nu plaatsvindt, waar je nu mee bezig bent en wat nu alle aandacht opeist is niet altijd gemakkelijk. Soms kun je opgaan in je bezigheid dat je de tijd vergeet, dat uren omvliegen zonder dat je het in de gaten hebt. Dat kan als je iets doet wat je graag doet en wat je veel voldoening geeft. Vaak gaat dat automatisch om je handelt zonder bedenkingen, zonder remmingen en zonder hinderlijke gedachten die je van je bezigheid afhouden. Anselm Grün trekt een leuke vergelijking als hij de engelen erbij haalt:

“’LEER DANSEN, ANDERS WETEN de engelen in de hemel niets met je te beginnen,’ zegt Augustinus. 

Voor Augustinus is naleving van de geboden niet de eerste voorwaarde om in de hemel te kunnen komen en daar voor altijd te kunnen genieten van de aanwezigheid van God. Veeleer is voor hem de vitaliteit die wij hier ontwikkelen, doorslaggevend voor het feit dat wij ook in de hemel eeuwig leven zullen ervaren. Het dansen is een teken van deze vitaliteit. 

Tijdens het dansen vergeet ik mijzelf. Dan zit ik helemaal in mijn lichaam. Dan voel ik het plezier in mijn eigen lichaam steeds meer. In de dans breng ik mijn verlangen naar vrijheid, naar geborgenheid, naar goddelijke schoonheid tot uiting. 

Augustinus kan zich de engelen uitsluitend als dansende wezens voorstellen. Ze willen ons in de hemel opnemen in de hemelse reidans. De kerkvader Hippolytus noemt Christus de voordanser in de hemelse reidans. De engelen zijn Zijn mededansers. En ze nodigen iedereen die in de heerlijkheid van de hemel komt, uit om mee te dansen en in de dans de pure vreugde, de pure vrijheid en de pure schoonheid te ervaren.” (bron: Boek van Levenskunst)

Het is natuurlijk niet voor niets dat dit dansen ook plaatsvindt in de hemel door de engelen. Natuurlijk dansen wij ook af en toe op aarde. Maar op aarde valt er vaak niet zoveel te dansen als we leven in armoedige en onrechtvaardige situaties. Eerst moet er brood op de plank en een zekere mate van veiligheid, rust en welvaart zijn om te kunnen dansen, om te kunnen ontspannen en genieten. Als sommigen op aarde dansen, en bepaalde (politieke) dansen proclameren, voorschrijven, afdwingen, danst de dood soms stiekem mee. Ik doel op de dodendans die de leiders van deze wereld soms opvoeren om hun gelijk te halen: de oorlogen die worden gevoerd om hun verlangens naar macht en overheersing kracht bij te zetten. Dan is het leven geen levensdans maar een wereldwijde dodendans die tallozen met zich mee sleept de afgrond in. 

Natuurlijk kennen we ook in ons privéleven de dans op muziek, ter ontspanning, je laten meeslepen door melodie en beweging, door passie en door genot. Die dans is geen dodendans maar een vreugdedans, een dans waarin je ziel op kan bloeien en waarin jouw ziel heel makkelijk contact legt met andere dansende zielen. De aanleiding is dan ook een heel andere dan bij de politieke polonaises die politici soms inzetten om zich zelf in het voetlicht te plaatsen zodat ze meer aanhangers, meer stemmen krijgen. De aanleiding is een feest, een blijde gebeurtenis, een heugenswaardig feit om te gedenken. En als er feest is, reden tot feest is er ook vaak muziek en dans. De dans is de uiting van blijdschap, van vreugde om een gebeurtenis. De dans geeft zo als we Augustinus mogen geloven een voorsmaakje van de hemel met de dansende engelen. Als je op aarde alleen maar politieke polonaises hebt gedanst – een lange rij van kortzichtige en bekrompen pasjes om je gelijk in de politieke arena te halen – om niet verder kijkend dan de volgende verkiezingen, weer op de kandidatenlijst te staan, dan is er in de hemel geen plaats! Misschien mag je toekijken hoe de engelen dansen, maar zelf heb je niets geleerd wat je dan kunt toepassen. En als je aardse handelen ook nog geleid heeft tot veel leed van anderen, dan kom je misschien in het vuur terecht waar de vlammen je telkens doen opspringen: een vuurdansje dat niet eindigt. 

Anselm Grün wijst nog op een ander soort dans: de laatste dans voor je sterven. Indianen kenden dit al – een krijgsdans voordat ze op oorlogspad gingen. De laatste dans van jou met je grote tegenstrever die uiteindelijk je ziel zal losmaken van je lichaam. De dood die op je wacht als je leven naar het einde loopt. Grün noemt dit niet een dans, maar ik neem de vrijheid om hier ook over dansen te spreken. Dansen in je eentje, alleen gelaten met jezelf, want sterven doe je helemaal alleen en het proces dat daaraan vooraf gaat kent zijn eigen dynamiek en moeilijke momenten. Een ars moriendi, de kunst om te sterven, om zo te sterven dat ook dat laatste proces recht doet aan de persoon die je bent ook al verandert het lichaam de condities en lijkt het aan de buitenkant alsof het alleen maar negatief is wat er gebeurt. Grün schrijft over deze “ARS MORIENDI

JE EIGEN DOOD VOOR ogen houden bevrijdt je van angst. Ze vroegen een oudvader eens waarom hij nooit bang was. En hij antwoordde dat dit kwam omdat hij zich dagelijks zijn eigen dood voor ogen hield. De training in het sterven is waarschijnlijk de meest beslissende geestelijke taak op hoge leeftijd. Er verschijnen vandaag de dag veel boeken die vertellen over bijna-doodervaringen. Mensen die al klinisch dood waren, vertellen wat ze hebben beleefd. Ze zijn allemaal niet meer bang voor de dood en leven nu veel bewuster en intenser. Ze voelen wat voor een geheim het leven is. Ze ervaren iedere dag opnieuw dat het leven een geschenk is. Zo krijgt hun leven een andere kwaliteit. Leven in het aanschijn van de dood zou ons een nieuwe kwaliteit van leven kunnen schenken, een nieuwe waakzaamheid en behoedzaamheid van het hart. 

Maar tegenwoordig zijn de mensen niet alleen bang voor de dood en voor datgene wat er na de dood gebeurt, maar ze zijn nog veel banger voor een situatie waarin ze hulp nodig hebben en moeten worden verpleegd. Het is onze eer te na wanneer wij constant afhankelijk zijn van de hulp van anderen, wanneer we geestelijk verward zijn en niet meer voor vol worden aangezien. Ik stel me steeds weer voor hoe dat dan bij mij zou zijn wanneer ik verward ben, alleen nog maar hulpbehoevend, wanneer mijn intelligentie weg is, wanneer ik niet meer kan denken, schrijven of spreken. Het is niet erg makkelijk voor mij om me dat voor te stellen. Maar als ik me afvraag: ‘Waardoor word je dan gedragen, wat is jouw waarde?’ dan voel ik: er is in mij een onaantastbare waardigheid die niemand mij kan ontnemen, ook de ziekte niet, ook het verward-zijn niet. De ziekte zou dan werkelijk een training zijn om te leren vertrouwen. Ik kan niets meer vasthouden, ik moet alles loslaten, ook mijn verstand. Ik kan mij alleen nog maar in Zijn handen laten vallen en erop vertrouwen dat het zo goed is. Een tante van mij, die als lerares non was geworden en altijd erg veel had gepraat, kon de laatste vijf jaren van haar leven geen woord meer zeggen. Je merkte dat ze zich steeds meer terugtrok, dat juist zij het praten – dat zo waardevol was voor haar – moest loslaten om een diepere dimensie te bereiken. In het zwijgen werd haar gezicht opeens stralender en transparanter.” (bron: Boek van Levenskunst)

Misschien is die laatste dans, de laatste fase van het leven wel zo bijzonder omdat er buiten jou niet veel meer overblijft om je mee bezig te houden. Je wordt helemaal op jezelf terug geworpen, je valt samen met je daimon zou Frans Rosenzweig zeggen – helemaal zelf, helemaal op zichzelf, helemaal dansend met jezelf – rondzwierend in je eigen zelf. Wat is er dan nog buiten jou aan wereld? Er is alleen een onbekend niets, een leegte waaraan je je kunt overgeven. Geef je jezelf niet over, dan kan die leegte, dat niets, (ook een verborgen naam voor God), je misschien beangstigen, doodsangst aanjagen, je benauwen. Ik heb meegemaakt hoe stervenden soms dagenlang aan het worstelen waren omdat zij zich niet konden overgeven aan wat ging komen. Uiteindelijk verloren ze die strijd, het lichaam moest het opgeven, het lichaam had gewoon geen kracht meer om de opstandige geest in dat lichaam te gehoorzamen. Wat er met die geest in dat lichaam gebeurde, dat weet ik niet, maar de dood trad in en het leven was voorbij. Er zijn dus vele manieren van dansen, en ook vele manieren waarop de laatste dans wordt gedanst. De dans met je dood, de dans met het leven en in je leven. Je overgeven aan de dans kun je niet afdwingen. Je overgeven aan (een) God ook niet. Je laten gaan in de dans, vol vertrouwen loslaten, dat je in Gods handen zult vallen, is genade. Het is een cadeau dat je niet kunt kopen, niet kunt forceren, niet kunt afdwingen. Maar misschien kun je wel al oefenen, kun je zo in je leven dansen, dat dit vertrouwen als het ware erin gegoten wordt, alsof dit vertrouwen als vanzelf gestalte aanneemt tijdens het dansen. Daarvoor zul je moeten dansen, niet alleen, niet op jezelf, maar samen met anderen en samen voor anderen. Je zult zien, ze leren je dansen als de pasjes niet meteen lukken, en jij kunt hen helpen om zich over te geven en om te genieten. Bang zijn is nergens voor nodig. Elke dans eindigt tenslotte een keer. Waarom dan niet dansend door het leven gaan met alle kracht, inspiratie en energie die in je zit? Je ziel zal je dankbaar zijn.

John W. Hac

7 december 2018

Bron: Anselm Grün, Boek van de levenskunst, Kampen 2003 (Lannoo/Ten Have)