“Lange-weile”

„Langeweile“, Martin Heidegger besteedt er in 1929 heel wat tijd aan om dit begrip in zijn college filosofie te onderzoeken. Voor Heidegger is “Langeweile” de toegang tot ons zelfverstaan in de confrontatie met het feit dat we existeren, dat we bestaan. Het is een soort van ‘naakte’ toegang hiertoe, naakt omdat er niets meer tussen zit, geen kleding, geen aankleding, geen omhulsel. Als we ons vervelen, (eigenlijk is dit geen goede vertaling want ze doet aan de diepte en complexiteit van het begrip tekort), als we helemaal niks om handen hebben en we geconfronteerd worden met onszelf in de tijd die maar niet voorbij lijkt te gaan, omdat we geen afleiding hebben, omdat we niets doen en niets te doen hebben, dat ervaren we wat het zeggen wil ‘dat we bestaan’, dat we er zijn, zomaar, zonder directe zin, zonder opzet, zonder doel, zonder reden. We zijn er, we ‘treffen ons aan’ in ‘ledigheid’. Het is een ervaren van leegte die ons terugwerpt op onszelf. Wij zelf zijn onszelf genoeg, of misschien zelfs op dat moment wel teveel. Deze ervaring kun je negatief beoordelen, maar misschien is het ook wel een kans, een manier om zo dicht op je eigen huid te zitten dat je ervan kunt leren. Dat proces beschrijft Heidegger. Hij ziet het als mogelijkheid, als kans om de ‘naakte existentie’ als basiservaring te kunnen beleven en te kunnen doorstaan. Ik vermoed dat Heidegger blij was met deze ontdekking, hij besteedt meer dan 150 pagina’s aan de beschrijving ervan in zijn colleges. 

Als we naar het begrip zelf kijken levert een Duits woordenboek het volgende op: 

Langeweile: Gefühl des Nichtausgefülltseins, des Überdrusses, Mangel an Abwechslung’, mhd. lange wīle, langweilen ‘Langeweile bereiten’, reflexiv ‘Langeweile haben’; langweilig ‘uninteressant‘

Het begrip staat ook in relatie met de volgende ervaringen/begrippen (in het Duits):
Einsamkeit, Eintönigkeit, Ekel, Frustration, Gleichgültigkeit, Leere, Monotonie, Routine, Synonym, Unterforderung, aufkommen, aufkommend, bleiern, breitmachen, entfliehen, erhaben, gediegen, gepflegt, gähnen, gähnend, lähmend, pur, quälend, tödlich, verbreiten, verströmen, vertreiben, Ödnis, Überdruss.  

(Bron: https://www.dwds.de/wb/Langweile)

In Nederlandse woordenboeken komt verveling voor als vervelen, een selectie: 

Vervelen: ‘niet boeien, te veel zijn’; Middelnederlands vervelen ‘vermenigvuldigen; lastig, onaangenaam zijn’ (verveilde ‘stoorde, was onaangenaam’ ca. 1350, vervelen ‘vermenigvuldigen’ ca. 1465), ‘genoeg krijgen van; vermoeien, teveel zijn; tot last zijn, hinderen; door eentonigheid oninteressant of saai worden, vervelen’ 

Vervelen heeft ook met verlangen te maken, al zou je dat op het eerste gezicht misschien niet zeggen omdat het woord een andere betekenis heeft voor ons:
Verlangen: Zoals vervelen eigenlijk betekent: te veel worden, zo betekent verlangen oorspronkelijk: te lang vallen. In het Middelnederlands bestond een werkwoord langhen, dat alleen in de derde persoon werd gebruikt: mi langhet betekende: ik verlang. In een zijner liefdessonnetten schrijft Hooft woordspelend dat verlangen daaraan zijn naam ontleent ‘dat ic de tijt die ic vercorten wil, verlang’. Ditzelfde langen vindt men ook in erlangen, een deftig woord voor verkrijgen. 

http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/vervelen

In het Duitse “Langeweile” zit dit begrip lang opgesloten, en zou je ook kunnen lezen: lange (ver)weilen, (ergens) lang verblijven (bij…). Dat hoeft niet persé negatief uit te vallen. Hier hoeft geen sprake te zijn van verveling, van overdaad, van teveel worden, van “Überdruss”. 

Als we verwijlen bij jezelf, er is geen enkele afleiding, er is niets anders en niets meer dan jezelf, nu eens verstaan als kans, als mogelijkheid tot zelfkennis, een vorm van zelfreflectie die precies doorheen het gebrek aan afleiding kan doorstoten tot een diepere “zelf-laag”, namelijk de ervaring van je eigen existentie in de werkelijkheid als zodanig, wat levert dat dan op? En moet het wat opleveren? Of is het een effect van dit zelfervaren wat je niet kunt forceren, niet kunt plannen, zelfs niet kunt wensen? Leidt deze confrontatie met jezelf in deze “Langeweile” tot een ervaring die je het gevoel geeft voor een afgrond te staan, een leegte aan je voeten? Dat zou kunnen, dat is dan een afgrond in jezelf. Een afgrond (Abyss), een afgrondelijke diepte, een oneindige put, een zwart gat, die je misschien nooit had vermoed en die zich nu opeens opendoet. De dichter Roberto Juarroz verwoordt dit zo:

[IV/14]

Todo pozo es una entrada al abismo.

No importa que tenga fondo

o aparente tenerlo:

un pozo es siempre la apertura a lo sin fondo.

Espacio para caer o para hundir, 

textura diferente del espacio,

tiene el pozo una connivencia

secreta con el hombre.

Y aunque se lo rellene, 

aunque se plante en él un árbol

o se afirme un cimiento,

todo pozo resulta irrevocable: 

Su corregido espacio

no será nunca el mismo.

¿No será acaso un pozo

el fundamento de todo?

¿No será todo un pozo?

[IV/14]

Elke put geeft toegang tot de afgrond.

Het doet er niet toe of hij een bodem heeft

of de indruk wekt die te hebben:

een put is altijd de opening naar het bodemloze.

Ruimte om in te vallen of te verzinken,

afwijkende textuur van de ruimte,

de put heeft een geheime 

overeenkomst met de mens.

En al wordt hij volgegooid,

wordt er een boom in geplant

of een stevige basis in gemaakt, 

elke put blijkt definitief:

zijn gecorrigeerde ruimte

zal nooit dezelfde zijn.

Een put zal toch niet 

het fundament van alles zijn?

Alles zal toch niet een put zijn?

  

De confrontatie met jezelf in de vorm van verveling zie ik dus als een kans ook al kan zich een afgrond aan je voeten openbaren. Dat is de kennismaking met het ‘Niets’ in je leven, het niets, de leegte die noodzakelijk is opdat er überhaupt iets kan bestaan. In zwarte gaten is er waarschijnlijk geen leegte omdat de materie daar op elkaar is geperst of omdat de krachten daarin zo groot zijn dat er niets anders mogelijk is dan die krachten zelf. Om te existeren is er ruimte om je heen nodig. Is er leegte om je heen noodzakelijk, net zoals de lege ruimte tussen de letters. Als je alle letters bij elkaar en op elkaar veegt is er slechts een zwarte vlek. Onleesbaar, onbegrijpelijk, geen taal die dan bestaat. Geen zin en geen betekenis die dan mogelijk is. Ook betekenis en zinvolheid is gebaat bij ruimte, bij lege ruimte, bij leegte, dus bij het niets. Het landschap kan ons die ervaring heel goed bemiddelend doen ervaren: de leegte van een akker, de uitgestrektheid van de voren in de aarde tot aan de horizon. Het gedicht wachtende aarde van mijn schoonmoeder die een paar jaar geleden overleed maakt dit duidelijk. 

Wachtende aarde.

Ik sta verloren in het wijde land

Waar nog de grauwe grond bezond moet worden

en waar de wind, al zingend, hand in hand

de vlakke velden dicht aaneen wil gorden.

’t Oneindig land dat overal wil einden,

maar bij het einde weer opnieuw begint,

het is ’n water dat na elke golf weer deinde,

het is ’t lachen van het liefste kind.

Ik hef mijn hand op naar een naakte tak

die zwaar en zwijgend wacht als ’t land daaronder

op ’t ademen van een nieuw getij,

want zonder dit zachte suiz’len van de ademtocht

die brak door kille eenzaamheid

kan ’t nieuwe leven geen bloesem

en geen jonge vruchten geven.

Els de Wert-Ritzen (geschreven op 18 jarige leeftijd in 1943)

In dit gedicht wacht niet alleen de aarde. Een mens geconfronteerd met zichzelf, midden in de oorlog, midden in alle onzekerheid, wacht op een lente, een nieuw begin, een einde aan de uitgestrektheid van het voortduren van de winter. Daarvoor is geestkracht nodig, een ademtocht die de eenzaamheid doorbreekt, die de confrontatie van het zelf met zichzelf zin verleent, inspireert en tot bloei brengt. In poëtische taal is hier eigenlijk “Langeweile” in al zijn ambivalentie samengevat. De Duitse kunstenaar Anselm Kiefer beschouwt zijn kinderjaren waarin hij zich verveelde als voedingsbodem voor zijn latere inspiratie. Toen werd er onbewust van alles in hem gezaaid, net als een akker voor de lente. Mijn eigen kindertijd herinner ik mij bij mijn oma waar mijn moeder elke week ging schoonmaken. Als kind stond ik vaak buiten als het regende onder het afdak van het kleine huisje. Er was niks te doen. De regen viel. Van het hoge dak van de schuur aan de overkant naast de hoop stalmest viel de regen in lange stralen op de grond. Soms urenlang. Die ervaring staat me nog heel goed voor de geest. Er was geen afleiding, alleen maar wachten. Kijken en wachten. Maar wie weet wat deze momenten hebben opgeleverd in mijn leven? Welke beelden ze nu oproepen en waartoe ze misschien nog zullen inspireren. Lang verwijlen bij jezelf, je bestaan, je er-zijn, de moeite waard om uit te proberen in deze tijd van afleiding. 

John Hacking

18 december 2018

Bron: Juarroz, Roberto, Vertikale poëzie. Een keuze uit verticale poëzie I t/m XIII. Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu, Amsterdam 2002 (Wagner & Van Santen)