“In de eindeloze desolatie van die dag”

De vraag naar God

Het grootste deel van mijn leven ben ik gefascineerd door de vraag naar God. Alle menselijke invullingen ‘wie en wat God is’ of ‘zou moeten zijn’, stroken in principio niet met het tweede  gebod dat in de vertaling van de Naardense bijbel zo luidt: 

Niet zul je voor jezelf maken een snijbeeld of welke gestalte ook die is in de hemelen boven, die is op het aardland beneden of die is in de wateren onder het aardland!”  Of in de woorden van Marc Alain Ouaknin die over de tien geboden schrijft: “Je zult geen andere goden hebben buiten Mij. Je zult voor jezelf geen afgodsbeeld maken, noch een afbeelding van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde is of in de wateren onder de aarde. Je zult je daarvoor niet terneerwerpen.” [Exodus 20:3-5]

Gaat het hier alleen over concrete en door mensenhand gemaakte beelden van materiaal: hout, steen, metaal, (plastic)? Of ook over beelden in de vorm van voorstellingen (met verf, foto, digitaal), over symbolen met (abstracte) eigenschappen (almachtig, eeuwig, oneindig, absoluut goed, rechtvaardig etc.), of over concrete gestaltes zoals we die kennen uit de menselijke relaties, zoals vader, moeder, vriend, vriendin bijvoorbeeld? Een persoonlijke God die een ‘Vader’ voor je is en die ook via de ‘Zoon’ benaderbaar en voorstelbaar is? Je merkt het al, hier staat veel op het spel, zeker voor de mensen die spreken over een ervaarbare en ‘persoonlijke’ God. In het tweede gebod in Exodus wordt dat allemaal niet met zoveel woorden gezegd. Het genoemde ‘snijbeeld of welke gestalte dan ook is wel een uitnodiging om zelf kritisch te gaan lezen en te reflecteren op ons gedrag als wij het woord God achteloos inzetten voor onze eigen doeleinden en onze eigen voorkeuren. Marc Alain Ouaknin stelt en hij opent perspectieven die in onze oren misschien nieuw klinken als hij spreekt over de vruchtbaarheid van de Tora die aan elke generatie opnieuw wordt doorgegeven en die in elke generatie opnieuw moet worden gelezen en geïnterpreteerd: 

De vruchtbaarheid van de Tora daarentegen komt van de dialectiek van mannelijk en vrouwelijk die bestaat tussen de geschreven en de mondelinge Tora.

Laten we het eerst nog eens herhalen: in het Hebreeuws bestaan alleen maar medeklinkers, geen klinkers. Er is geen interpunctie, zodat je niet weet waar het begin of het einde van de zin is. Voor een deel moet de lezer zelf zijn pauzes in de tekst uitvinden en dat betekent dus ook dat hij zelf zijn woorden, zijn zinnen en zijn ritme uitvindt. Er zijn echter bepaalde momenten waarop er lege plekken in de tekst voorkomen, ‘gaten’ die aangeven dat er een overgang is naar een volgend gedeelte. Zo’n gedeelte tussen twee Open plekken heet een parasja.

In tegenstelling tot de letters en de geschreven tekst die van mannelijke aard zijn, geven de witte plekken en de leegtes de aanwezigheid van het vrouwelijke aan. De lezer wordt als het ware uitgenodigd om ze te ‘bevruchten’ en zo de betekenis te laten verschijnen. De witte plekken zijn er als een uitnodiging om de mogelijke betekenissen van de tekst te ‘openen’, de dikte van de tekst, dat wil zeggen de verschillende lagen waaruit hij bestaat, te ontdekken. Volgens de traditie bevatten deze witte plekken of leegtes een ruimte waarin men negen letters zou moeten kunnen schrijven. Negen is het aantal maanden, nodig om een zwangerschap te voldragen. In verschillende talen is het woord ‘negen’ afgeleid van het Latijnse novem dat weer verband houdt met novus – nieuw, zoals bijvoorbeeld in het Franse neuf wat nieuw en negen betekent. De lezer kan in het woord ‘negen’ dan ook een uitnodiging tot vernieuwing horen. En zie, daar hebben we nu precies zo’n aanmaning van de traditie waaraan wij trouw willen blijven, Want het gaat erom de traditie opnieuw in werking te stellen.

In het ‘tradere’, het doorgeven van de traditie, (dat laatste klinkt eigenlijk al veel te massief, het vindt eerder plaats in ‘hapklare brokken’ en het is altijd ook een vorm van ‘verraad’), in dat wat we ontvingen, speelt de nieuwe context ook mee. Als de mondelinge traditie overgaat in een schriftelijke is ook hier de betrouwbaarheid van de tekst gebaseerd op het gezag van de doorgevers, en op het gezag van de rabbijnen die de tekst interpreten en toepassen in het hier en nu. Dat hier en nu is een ander hier en nu dan dat uit de tijd van Mozes of van Jezus van Nazareth. Maar staan blijft dat de Tora toegang blijft tot het leren kennen van God via zijn naam en de verhalen die over Hem worden verteld.

God en het zelf – autonomie en heteronomie

God leren wij in de Tora kennen via zijn naam. Kennen is misschien een te groot woord. De naam verwijst, wijst in een richting, de betekenis van de naam is een clue, een hint om over deze naam te reflecteren en erop te broeden. Hoe meer warmte hoe sneller en hoe concreter je bij een kerngegeven komt: de naam is onherleidbaar, de naam is een verwijzing naar  de oneindigheid die wij vanuit onze eigen ervaringen niet, of beter nooit, zullen leren kennen, hoogstens als een abstractie. Waarom niet? Omdat we lichamelijk zijn en onze lichamelijke existentie is beperkt en relatief, ze is ingebonden tussen twee momenten: het moment van onze geboorte en het moment van ons overgaan in de dood. Het lichaam is de woonplaats van ons zelf en via dat zelf zijn we ons bewust en ontwikkelen we een zelfbewustzijn en een bewustzijn van de wereld om ons heen waar we deel van uitmaken en waarin ook andere zelven een plaats hebben. Het lichaam is een zelfplaats, een autotopos, algemeen een autotopie. Als autotopie is er sprake van een zekere autonomie: het zelf is het middelpunt van zichzelf en gaat over dit zelf. In martelingen bijvoorbeeld probeert men dit zelf te breken door het lichaam en de geest op allerlei manieren bloot te stellen aan fysiek en geestelijk geweld. De marteling is erop gericht de autonomie van het zelf af te breken. Maar dat is een extreem geval. Maar dat maakt wel duidelijk hoe het zit ten aanzien van het lichaam en het zelf dat het lichaam bewoont. Het zelf in het lichaam en als lichaam bezit geen absolute autonomie. De autonomie van het zelf wordt begrensd door de autonomie van andere zelven. En in de context van de Tora is deze begrenzing een door God gewilde zaak. De tien woorden zetten daar op in. God is heteronoom, zijn woorden (wetten – geboden) komen van elders, van buiten het zelf. Ze bevestigen de natuurlijke staat van de mens die afhankelijk is van de andere zelven: als hij wordt geboren, als hij opgroeit en ook als hij tenslotte ziek wordt en een keer zal sterven. Doen alsof je als zelf in de kracht van je leven niemand en niets nodig hebt is een leugen, een vorm van zelfbedrog. De door God voorgestelde leefregels in de tien woorden vormen een basis, een begin en een manier van samenleven waarin elk zelf wordt gerespecteerd. De 613 geboden die daarop volgen zijn hulpmiddel, handleiding om uiteindelijk de tien woorden tot grondvest van je denken en handelen te maken. Je beroepen op het strikt navolgen van de 613 geboden en regels en daarbij neerkijken op al die anderen die dat niet zo nauw nemen is een vorm van hovaardigheid, hybris en zelfoverschatting. God is geen boekhouder. God is geen maffiabaas die absolute gehoorzaamheid eist. De geboden zijn hulpmiddel om uiteindelijk de zelven bij elkaar te houden opdat al die zelven zullen bloeien in gemeenschap. Dan wordt God gediend en is zijn heteronomie normerend.

God en het woord van de taal en de taal van het boek

Marc Alain Ouaknin richt zijn aandacht op de taal, op de manier waarop wij via de taal de werkelijkheid leren kennen en leren begrijpen. Maar de taal is geen statisch geheel, ze is geen harnas, geen gevangenis. De taal hebben we niet zelf bedacht als autonoom wezen. Onze (beperkte en ingeperkte) autonomie mogen we dan wel te pas en te onpas aan de taal ontlenen omdat we zo  vaak ons gelijk willen halen, we hebben de taal in onze ontwikkeling ontvangen als een geschenk. Door de taal ontdekken we pas wie we zijn en waar we voor staan en willen staan. De taal is een amalgaam van betekenislagen, een sediment van neergeslagen beleefde en verwoorde ervaringen. De taal is tevens een dak dat ons beschermt tegen de stormen die in de wereld woeden en die ons alle bestaansgrond kunnen ontnemen. In de taal kunnen we getuigen van onze avonturen en vinden we telkens weer opnieuw houvast. In de taal wordt naast het verleden de verlangde en gewenste toekomst zichtbaar. Onze woorden zijn de verkenners daarvan en ze gidsen ons een nieuwe tijd binnen, een morgen dat leert van het gisteren en hoopt om niet dezelfde fouten te maken. Helaas te vaak een illusie. Zeker als de taal wordt ingezet als een dwangbuis om betekenissen te verankeren in het zelf van de mens, zodat er geen ontsnappen meer mogelijk lijkt.

Ouaknin verwijst naar de dichter om dat dak van de taal te duiden:

‘Wij leven onder het dak van de taal’, zegt Paul Celan, de in Polen geboren, in het Duits schrijvende dichter. Het ‘plafond van de woorden’ stelt ons gerust. Het is als een dak boven ons hoofd dat ons zekerheid geeft en ons vertrouwd is. We hebben met de woorden een geruststellende vertrouwdheid zolang ze niet bewegen, niet aan zichzelf ontvluchten.

Maar dat brengt het risico met zich mee dat iedere uitwijking naar het onverwachte of het ‘ongehoorde’, dus iedere mogelijke vlucht naar wat niet vertrouwd is, wordt verhinderd. De Kabbala leert ons juist dat we de woorden van hun dak moeten ontdoen, als het ware als dakpannen één voor één, lettergreep voor lettergreep weghalen en zo het creatieve lezen teweegbrengen: lezen dat de stukken eraf vliegen.

Om het eerste en het tweede gebod te kunnen ontvangen, is het een eerste vereiste de vragen die worden gesteld door de woorden ‘Ik ben Adonai, JHWH’ goed te verstaan, om het ware woord te zoeken, het woord dat komende is, het woord dat nog niet onder het gebruikelijke dak van de taal woont, het woord dat deel uitmaakt van de transcendentie. We moeten de woorden dus lettergreep voor lettergreep uit elkaar halen om de strijd tegen het dagelijks gebruik, tegen de slijtage ervan, aan te binden om hun schitterende inhoud, de glans van het ‘hierna’ en het ‘hierboven’, vrij te maken. Wij zeiden het al eerder, het woord Chorev, de andere naam voor Sinai, betekent vernietiging.

In de woestijn vervallen alle zekerheden. In de woestijn is er niet zo veel om je aan vast te houden en is elke dag een strijd om te overleven. Toegepast op het geestelijke deel van ons bestaan: in de woestijn kun je niet aankomen met vaste overtuigingen die tegen elke vorm van kritiek moeten worden verdedigd. De woestijn laat je ervaren dat alles wat je denkt en doet ook anders kan. Je vaste grond die je meent te hebben in een huisje in het dorp of stad is in de woestijn een illusie. Een bubbel die wordt doorgeprikt. In de woestijn leer je pas wat je taal waard is, en wat de naam van God zou kunnen gaan betekenen. De glorie van het goddelijke (Kabod in het Hebreeuws) kan in de woestijn pas gaan schitteren en heeft hier (op uitzonderingen na) geen last van afgoderij en valse voorstellingen. Het gouden kalf (als leider en als nieuwe gids) was géén lang leven besloten, de dienaren ervan hebben het lange levenseinde niet gehaald. 

Tora als wegwijzer om al doende en lezend samen toekomst te vinden

De tekst lezen en doorleven doe je samen. Het hangt niet af van mijn persoonlijke kwaliteiten. Hangt het van jou af, dan kun je spreken van afgoderij want jouw mening wordt dan wet. Ouaknin zegt dat “de Tora is geschreven om te worden doorgegeven, opdat het mannelijk karakter van de bijbel vruchtbaar wordt in en door het vrouwelijke van het commentaar. En ook om niet alleen de tekst maar ook het ‘ik’ te breken en aan de anderen aan te bieden, aan de kinderen, aan de leerlingen, aan allen die bereid zijn een nieuwe ervaring te beleven.”

De relatieve autonomie van het zelf wordt zo een bouwsteen en de bevestiging ervan vindt niet plaats door een (absolute) nadruk op de vaste elementen ervan, een ronddraaien om zichzelf, een narcistische egoistische zelftrip, of op nationaal niveau: USA op 1, Nederland op 1, etc. maar door een verwijzing naar de samenhang met al die andere bouwstenen die samen een gebouw vormen. Het cement van de interpretatie en het commentaar op de tekst (het vrouwelijke bij Ouaknin) maakt het gebouw pas mogelijk. Niet alleen het ik wordt gebroken, en de zelf-beperkende kortzichtigheid daarvan, ook de tekst wordt gebroken en opnieuw geheeld en geduid opdat nieuwe betekenissen en nieuwe ervaringen aan het licht mogen treden: een nieuwe mens die wordt geboren, een mens die toekomst heeft op de weg van God. 

Ouaknin benadrukt de rol van de dialoog, het gesprek dat samen tussen de zelven moet worden gevoerd en geleefd als hij wijst op de mondelinge overlevering die later in de traditie in Talmoed en Midrasj schriftelijk is neergeslagen: 

Wat de lezer van de Talmoed en de Midrasj al meteen vanaf het eerste moment treft, is het belang van de dialoog bij het in gang zetten van het denkproces. Het komt slechts zelden voor dat een onderwerp niet controversieel is. Als een leraar een bepaalde uitleg voorstelt, gebeurt het heel vaak dat hij wordt tegengesproken en aan het twijfelen, ja zelfs van zijn stuk wordt gebracht door zijn gesprekspartner. 

De dialoog, machloket in het Hebreeuws, is van essentieel belang. Er wordt duidelijk door uitgedrukt dat er geen sprake kan zijn van een afgesloten tekst, van de eens en voor altijd gegeven waarheid.

Daarom is de kortzichtigheid van de mens en het benadrukken van het eigen gelijk meer dan een vergeeflijke domheid. Omdat we het meeste niet kunnen overzien, omdat we geestelijk en lichamelijk beperkt zijn en nauwelijks kunnen bevroeden hoe complex en divers de werkelijkheid ons tegemoet treedt in al die verschillende gestaltes, is het niet erg slim om te doen alsof we de waarheid in pacht hebben en alsof onze versie van lezen en interpreteren de enige ware weg is naar de waarheid, en naar de wil van God. Deuteronomium 6,4-5 stelt onomwonden: “Hoor, Israël!-de Ene is onze God, de Ene alleen! Liefhebben zul je de Ene, je God, met heel je hart, met heel je ziel, en met al je macht!” Dat is een levensopdracht die nooit is afgesloten en die alles van je vergt tot aan het (bittere) einde van je bestaan. Daar hoort geen betweterij en arrogantie bij, geen zichzelf op de borstklopperij en afgeven op anderen die het anders zien. Het getuigenis “De ene is onze God, de Ene alleen”  is ook de basis geweest om in een andere context en meer dan duizend jaar later de basis te vormen voor een nieuwe stroming – de Islam: “De Arabische tekst is als volgt:

أَشْـهَدُ أَنْ لا إِلـهَ إِلاّ الله ، وَأَشْـهَدُ أَنَّ مُحَمّـداً رَسـولُ الله “Ik getuig dat (er) geen godheid is (dan) alleen God en ik getuig dat Mohammed de gezant van God is.”(https://nl.wikipedia.org/wiki/Sjahada)

Tora als incarnatie van God – het boek als levende gestalte

Het boek, (en het volk van het boek), een begrip waar ook de filosoof en dichter Edmond Jabès heel veel woorden aan gewijd heeft ook al was hij persoonlijk niet gelovig, is nadat de mondelinge overlevering werd vastgelegd in geschriften, het centrum geworden in de geloofsbeleving van de volgelingen, de leerlingen, de gelovigen, een centrum als deur naar God. Een ladder, een trap, een weg de hoogte en de diepte in, een nooit aflatend lezen dat steeds maar verder en verder wil. In die zin is het boek, is de Tora al vanaf het begin bij God – en is het later pas door mensenhand op schrift gesteld. Geïnspireerd en wel. Ouaknin verwijst hiernaar als hij stelt:

Wat dit betreft zou men vanuit een ander gezichtspunt, dat verwant is met de christelijke traditie, maar dat zich daarvan tegelijkertijd op essentiële wijze onderscheidt, de veelvuldigheid van commentaren en interpretaties naar voren kunnen brengen. Het gaat om de idee van de incarnatie. 

Dit idee is voor de joden minder ongewoon dan men over het algemeen denkt. In beide tradities verschijnt God in de geschiedenis, de oneindigheid verschijnt in het eindige. Voor de christenen wordt God mens, het Woord wordt vlees, het is een incarnatie in het vlees.

Voor de joden wordt God tekst. Hij manifesteert zich in een tekst en zijn begrenzingen. Een kabbalistische tekst zegt: ‘God en de tekst van de Tora zijn slechts een en dezelfde.’ De Tora is dus niet een boek met gegevens omtrent God, zij heeft het niet alleen over God, maar in haar manifesteert het goddelijke zich.

Tegelijkertijd echter is het voor de leraren van de joodse traditie onmogelijk de tekst gewoon maar te nemen zoals hij is, hem om zo te zeggen in hun zak te steken en dan te doen geloven dat men de Oneindige in bezit heeft, dat men Hem beheerst. Als de aansporing ‘Je zult geen ander god hebben buiten Mij’, zo wordt begrepen, namelijk als een bezit, dan bevinden we ons opnieuw op het terrein van de afgodendienst. Het is de verantwoordelijkheid van de mens om aan de Oneindige Diens staat van oneindigheid terug te geven en te weigeren Hem te nemen zoals Hij is, definitief vastgelegd in Zijn tekst. We moeten de tekst aanpakken met uitbundig enthousiasme en grenzeloze nieuwsgierigheid, hem fijnmaken, hem kneden, hem in alle richtingen draaien om er betekenis aan te geven tot in het oneindige.

Lezen is eigenlijk grazen en daarna het gelezene in al onze magen verwerken zoals een koe herkauwt en door al die magen heen uiteindelijk melk het resultaat is. En land van melk en honing. Dat vraagt van ons dat we niet te snel tevreden zijn, dat twijfel er mag zijn, dat elke vraag belangrijk is en dat elk antwoord dat geen vragen meer oproept de dood in de pot is, een doodlopende weg. Geestelijke voorgangers en zij die hun interpretatie als (enige) ware aanbieden die dat niet beseffen en er niet naar handelen, zijn als kooplieden in oud ijzer: hun waar is voor bijna niemand nog bruikbaar en zij die het wel willen aannemen hebben niet meer dan een hoopje toekomstig schroot en roest in handen. 

Tora geen woorden alleen maar ook daden

In een gepolariseerde samenleving waar velen denken het gelijk aan hun kant te hebben en waar haat de benzine vormt om het eigen ego te voeden en het gevoel te hebben om nog iets voor te stellen, lijkt begrip en tolerantie, het inhouden en eerst nadenken voordat je spreekt en schrijft, steeds lastiger te worden. Een aantal van oorsprong Joodse spreekwoorden luiden: 

“Goede manieren en zachte woorden hebben menige moeilijkheid overwonnen.” “Een vriendelijk woord dat vandaag van de boom valt, kan morgen vruchten dragen.” “Vriendelijke woorden kosten weinig, maar bereiken veel.” Alle burgers, alle politici, alle gelovigen zouden dat weer eens veel meer moeten proberen. En je hebt niets te verliezen en het kost je niets.

Rabbi Nachman, een opvallende en controverse stem in het Jodendom, zoals zovelen, want elkaar tegenspreken om zo de waarheid boven tafel te krijgen is gebruik in religieuze discussies, nodigt de gelovigen uit als ze bidden: “Spreek met God, zoals je spreekt met je vriend”. Zijn motto is vertrouwen. Hij zegt: “Het belangrijkste wat er is, is eenvoudig vertrouwen. Daarmee kan iemand een deel hebben in deze wereld en een deel in de toekomstige wereld.” Hij zegt niet blind vertrouwen, ook niet vertrouwen zonder na te denken, en ook niet vertrouwen zonder tegenspraak. Dan gaat het meestal ook over vertrouwen hebben in mensen. Maar hier betreft het God. De Oneindige, de Onbereikbare. Het lijkt een soort springen over je eigen schaduw. Hoe kun je communiceren met een Oneindige Onbereikbare God als met een vriend? Hier kan alleen de daad verder helpen. Ongeacht wat de wereld, wat de medemens ervan vindt. Het is jou weg, jouw wijze, jouw manier. En als dit voor jou werkt, waarom niet. 

Het is hetzelfde als met poëzie: lezen en schrijven van gedichten maakt een weg vrij, geeft een inzicht, maakt een doorgang, een perspectief op een horizon mogelijk en zichtbaar. Als je poëzie wegzet als onzin, als onzinnig, als spinnerij, als waardeloze fantasie omdat het in je ogen niks oplevert, zul je nooit de kracht ervan kunnen ervaren. Je hebt jezelf dan al afgesloten en verblijft nu in je eigen opgerichte gevangenis. Een gevangenis van een vooroordeel, van kortzichtigheid en eigenlijk een vorm van domheid en ‘verdomming’ waarmee je jezelf geen recht doet. 

Hetzelfde kun je zeggen over hoe je omgaat met het beeld van God dat je zelf hebt en de beelden van God die je in de werkelijkheid tegenkomt. Tora en de studie ervan nodigen je uit om te handelen, de daad staat centraal. Ouaknin stelt dan ook terecht: 

Deze dynamiek in de bestudering van de Tora betekent ook dat de mensen verantwoordelijk zijn voor wie God is. God zal werkelijk God zijn, of niet, al naar gelang de mensen Hem wel of niet God laten zijn of maken dat Hij God is. De aansporing om zich aan de Studie te wijden, maakt het mogelijk voor de Oneindige Zijn Staat van oneindigheid te bewaren, terwijl Hij toch in een  menselijke tekst is belichaamd, een tekst die per definitie beperkt en af is. Als de incarnatie voor de christenen een afgesloten zaak blijft, gefixeerd op de figuur van de Christus – als Jezus de Zoon is en als zodanig wordt vereerd en aanbeden -, is dat voor het jodendom een verheven vorm van afgodendienst. Maar als de figuur van Christus om zo te zeggen fungeert als springplank en naar de Oneindige verwijst, dan ontsnappen de christenen daardoor eveneens aan de afgodendienst. 

In het boek L’idole et la distance (Het idool en de afstand) van de Franse filosoof Jean-Luc Marion kan men duidelijk zien dat zij (de christenen) zich van dit probleem bewust zijn. Volgens deze auteur trekt het idool – het afgodsbeeld – de blik aan en houdt hem vast, terwijl de icoon – het heiligenbeeld – de blik verder stuurt, aan zich voorbij, fungerend als springplank om de gedachten te richten op de Oneindige. Marion beveelt de christenen eveneens aan de blik op de icoon van Christus te richten. In analogie hiermee zou je kunnen zeggen dat ook de joden het risico lopen de tekst te fixeren als een dogma, als een beeld dat de blik fascineert …

In mijn essay God in de leegte (2022). De leegte als theotopie, te lezen en te downloaden op https://mystiekfilosofie.com/essays-god-in-het-landschap-het-lichaam-de-kosmos-en-de-leegte/ in hoofdstuk 4.3 God wel en niet in het Zijn (2) bespreek ik de visie van Jean-Luc Marion en wat de consequenties zijn van zijn kijk op God voor het beeld van God en zijn bestaan in onze werkelijkheid. 

Tegenwoordig heeft het begrip icoon en iconisch een degradatie ondergaan. De verwijzing naar een oneindigheid is inmiddels in het dagelijks spraakgebruik een verwijzing naar een bijzondere ervaring of gebeurtenis geworden zonder dat er nog sprake is van transcendentie of een oneindigheid. Het icoon is binnengehaald in de wereld van het stoffelijke en van al zijn (goddelijke) glorie ontdaan. Een iconische voetbalwedstrijd heeft niks met God, niks met Jezus, niks met Tora te maken. 

Hetzelfde, maar dan veel ernstiger zien we in het witwassen van onrechtvaardig handelen, in het moorden en verkrachten, het dehumaniseren van mensen met een beroep op God. Het onrecht wordt witgewassen want we hebben recht op land, bezit, macht…want het is ons beloofd. Zie de aanspraken van zogenaamde orthodoxe Joden op de Westbank met een AK47 in hun hand om de overtuiging kracht bij te zetten. Dat is niet orthodox, recht in de leer, dat is blasfemie, want het miskent alles waar Tora voor staat. Niet land, niet de mens, maar de tijd – de levenstijd – is het kostbaarste: de levenstijd om Gods Tora uit te voeren ten behoeve van het heil van alle mensen, niet alleen een klein en select clubje van gelijkgestemden. 

In de eindeloze desolatie van die dag, zo de dichter van Eyck, voltrekt zich een wonder, een verwijzing naar het oneindige in het meest smartelijke moment van een nederlaag. De dood aan het kruis van de rabbi Jezus was geen triomftocht, geen overwinning, geen goddelijke glorie. Het was het resultaat van een mislukking, een falen, een uitkomst in absolute godsverlatenheid. Het was de uitkomst van een dispuut waarin niet de woorden alleen het pleit beslechten, maar de greep naar het wapen en het geweld om de tegenstander de mond te snoeren. De Romeinen die toch al niet veel moesten hebben van al die religieuze discussies en heethoofdige rabbi’s wilden alleen rust in de tent (zo vermoed ik) en een van de ‘onruststichters’ kreeg daarom het voorrecht om dezelfde straf te ondergaan als de ergste crimineel en opstandeling. Honderden anderen waren hem al voorgegaan. Zesduizend anderen zouden jaren later volgen tijdens de neergeslagen opstand van Spartacus. Een blog schrijft: “Ze werden gekruisigd langs de Via Appia, de weg tussen Rome en Capua, een afstand van ongeveer 200 kilometer. U mag het zich voorstellen alsof langs de autosnelweg van Brussel naar Amsterdam aan iedere lantaarnpaal het lijk van een voormalige slaaf hangt te rotten, als prooi voor gieren en honden.” (https://mainzerbeobachter.com/2022/07/18/spartacus-en-crassus/)

El Fulgor

De dood aan het kruis heeft later in verhalen veel nieuwe betekenissen gekregen en tot op de dag van vandaag zijn we er niet over uitgepraat. Het werd niet alleen een soort icoon, een verwijzing, maar voor velen werkelijkheid voor een deur naar oneindig bestaan. Maar dat is voor de goede verstaander en voor hen die durven open te staan. En of het zal gebeuren? Waarom zou je zekerheid moeten hebben over iets wat je je niet kunt voorstellen? Wat buiten je begrijpen valt, en buiten je zelfverstaan? 

De dichter maakt Jan tot getuige, op die desolate dag en in een glimlach ligt de hele hemel, de uiteindelijke belofte opgesloten, iets wat niemand ooit voorzag. 

Want, toen de kreet geslaakt was, en zwart-stil 

De zware lucht rondom weer, wijl ’t gelaat 

Plotseling, in de doodskramp, met een ruk 

Aardewaarts neeg, zag hij, een ogenblik, 

Een glimlach op dat stervend aangezicht, 

Waar alle smart in was verglansd, waarvoor, 

Eén enkele en ondeelbare oogwenk ook, 

De wereld staan bleef: stille licht-triomf 

Der zekerheid in ’t sterke, hoge hart, 

Dat, heel de dag door, zonder éen moment 

Van twijfel, op de glimlach had gewacht. 

Zo stierf de man aan ’t kruis. Hij, Jan, alleen, 

Heeft het gezien, – hij alleen niet geweend. 

P.N. van Eyck

John Hacking 

24 oktober 2025


Bron: 

Ouaknin, Marc-Alain, De tien geboden, Amsterdam 2001 (Boom), pag 53-68

Uit het gedicht: ZIJN GLIMLACH  in Van Eyck, P.N., Gedichten. De tuinman en de dood, Baarn 1993 (De Prom)