De Zwerver en de Ziel
Alleen als gij haar neemt – o, dood –
zal ik haar altijd bij mij weten.
Wij hebben nooit elkaar bezeten
dan in uw avondrood.
Want wij zijn hier van wind en licht
als van een ijl verraad omgeven;
zij zingen tot het gouden leven
naar eigen schaduw zwicht.
Van wat op aarde bloeit en straalt
is niets zoo waar na lang ervaren
als – naar de ritselende blaren –
het blad, dat daalt.
Het wordt zoo donker in mijn droom;
over de landen waait de regen…
Een mensch, die ging voorbij de wegen,
ligt aan de laatste zoom.
En naast hem zij, die ziet hem aan –
is dit het einde en alles logen? –
Nog zingt de wind tusschen hun oogen
zijn ijle waan.
Elkander altijd vreemd – o, dood –
konden wij toch elkander niet vergeten;
maar ik zal haar in alle leven weten,
als gij haar neemt – o, dood.
A. Roland Holst
Sonnet
Mijn schip vaart eenzaam bij de droeve klacht
der meeuwen door de woeste oceaan;
hij valt het aan en beukt, en nimmer wacht
het dreunen van de golf en de orkaan.
Dan wenden naar het reeds verloren strand
herinneringen het betraand gezicht
en de afgetobde hoop buigt, overmand,
zich over de gebroken riem, en zwicht.
Mijn geest, op ’t achterschip rechtop en groot,
zingt luid, uitblikkend over zee en lucht,
bij ’t piepen van de ra en ’t stormgerucht:
‘Wij roeien, makkers, die wanhopig zijt,
naar de ijle haven der vergetelheid
en naar de blanke klippen van de dood.’
Giosuè Carducci
vert. R. Valkhoff
De zwerver en de lente
I
Achter mijn oogen
sta ik gevangen –
wijkende jubelt verlangen
zonder meêdoogen.
Waar kan ik heengaan?
’t is om het even –
maar niet dit leven
buiten den dood.
Bloemen-omwemeld
moet ik onthemeld
staan, en alleen staan,
aan de alom bloeiende wrake bloot.
Mij kwelt de smerte
der dorre bladen,
die langs de paden
nog over zijn…
bloeiende vlagen
doen hen opjagen;
tot in mijn herte
ritselt hun pijn.
Wee mij, gevangen
en geen ontkomen;
door nieuwe droomen
aan de oude nood
overgeleverd
in bloemen gekneveld…
nog roept verlangen
van uit den dood.
Hoe dwong deez’ dwang van
bloeien en welken
mij toch weer telken-
maal waar ik dacht
uitweg te vinden?
de bloesemwinden
zongen een zang van
te wreede macht.
Heeft mij ooit zwerven
hiervan ontheven?
Binnen dit leven
dwong mij die nood.
Achter mijn oogen
machtloos bewogen
sta ik te sterven
ver van den dood.
II
Wat is den dood er aan gelegen
of ik mijn arm zelf werp in de bloemen neer?
Er bleef geen uitweg meer:
bijna te weenen wankel ik de wegen
langs, en de dag is over, en het gaat
ten avond, maar waar zal ‘k mijn angst versteken?
De branding van het leven hangt te breken
uit alle heemlen en in mijn gelaat
brijzlen mijn oogen open, en mijn herte
komt weerloos en gelijk een wonde bloot…
De bloesemwind waait uit het avondrood
en tot mij in en door mij naar de verten
achter mij waar het opgaan van de maan
al staat te wachten…
O, nu de dagen tot ver in de nachten
zweven en zwenken, waarheen zal ik gaan,
waarheen ontkomen
nu dit ontbloeien mij al zingen doet
boven mijn angst uit, en mijn bloed
door de weeromvlaag van verloren droomen
bevlogen, rilt van de zalige pijn
van weer tot lust te zijn verraden…
o, het geweld dezer genade
van weer verloren en verrukt te zijn!
o, deze liefde van te leven
uit het verlangen naar den dood…
een vogel jubelt uit het avondrood…
Mijn hart, mijn hart, waarheen ons te begeven?
1917.
A. Roland Holst
Bij een water
In het helder eenzaam water
staar ik zonde en leed voorbij;
zachtaan donkerder en later
gaan de wolken onder mij.
Welke droomen – geesten? – waren ‘t
die mijn strijd hebben gesticht:
‘k zie alleen mijzelf van starend
aangezicht tot aangezicht.
Een oud blad komt neergedwereld
uit geritsel dat ik hoor;
rimpelende gaat een wereld
met mij onder mij te loor
zonder vroeger, zonder later.
Geheimzinnig helder blijft
weldra weer het eenzaam water.
Waar het, neergedwereld, drijft,
voelt mijn hart, in het bezinnen
van een heimwee oud en groot,
dat het den dood gaat beminnen
en het leven om den dood.
1921.
A. Roland Holst
Flowers of Every Color
I was told to bring flowers of every color
And whatever time despoiled,
And a night when the moon is whole
As new coins from the Emperor’s mint
Whose form was not defaced.
(And our hearts were quickened
For their form was not defiled.)
I was told to bring bars of unformed clay,
The love of the Philistine captains,
A Dagon struck down on the steps of their temple,
A baby dying in the palms of Baal-Zebub,
And those who’ve gone down to the dust
And send up a glimmer from among the dead.
I was told to bring whatever I could find,
The leftover spoils of every baited trap.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
Ballade Des Äußeren Lebens
Und Kinder wachsen auf mit tiefen Augen,
Die von nichts wissen, wachsen auf und sterben,
Und alle Menschen gehen ihre Wege
Und süße Früchte werden aus den herben
Und fallen nachts wie tote Vögel nieder
Und liegen wenig Tage und verderben.
Und immer weht der Wind, und immer wieder
Vernehmen wir und reden viele Worte
Und spüren Lust und Müdigkeit der Glieder.
Und Straßen laufen durch das Gras, und Orte
Sind da und dort, voll Fackeln, Bäumen, Teichen,
Und drohende, und totenhaft verdorrte…
Wozu sind diese aufgebaut? und gleichen
Einander nie? und sind unzählig viele?
Was wechselt Lachen, Weinen und Erbleichen?
Was frommt das alles uns und diese Spiele,
Die wir doch groß und ewig einsam sind
Und wandernd nimmer suchen irgend Ziele?
Was frommts, dergleichen viel gesehen haben?
Und dennoch sagt der viel, der ‘Abend’ sagt,
Ein Wort, daraus Tiefsinn und Trauer rinnt
Wie schwerer Honig aus den hohlen Waben.
Hugo von Hofmannsthal

Ballade van het uiterlijk leven
En kind’ren groeien op met vragende ogen,
Die van niets weten, groeien op en sterven,
En alle mensen gaan hun eigen wegen.
En zoete vruchten, aan den boom voldragen,
Vallen des nachts als dode vogels neder
En zijn bedorven binnen weinig dagen.
En altijd waait de wind en telkens weder
Zijn wij van vele woorden dof geworden
En voelen lust en matheid onzer leden.
En straten gaan door ’t gras en steden, dorpen
Zijn hier en daar vol fakkels, bomen, vijvers,
Soms dreigende, soms dodelijk verdorde…
Waarom zijn zij gebouwd? en zij gelijken
Elkander nooit en zijn ontelbaar vele;
Waartoe dient lachen, wenen en bezwijken?
Wat doen ons deze dingen, deze spelen,
Ons eenzamen, die zich vergeefs vermoeien
En zwervend zonder doel hun noodlot delen?
Alles gezien te hebben, wat kan ’t baten?
En toch zegt hij al veel, die ‘avond’ zegt,
Een woord, waaruit heimwee en treurnis vloeien
Als zware honing uit de holle raten.
Hugo von Hofmannsthal
Vertaling H.W.J.M. Keuls
De kleine noordenwind
Ik vroeg de kleine noordenwind, wees een goed kind
Sla geen deuren en raampjes bij me dicht
Want in het huis waar ik waak, sterft mijn liefde
En tussen de tranen kijk ik naar haar, die net ademt
Hallo tuinen, hallo beekjes
Hallo kussen en hallo omhelzingen
Hallo havenhoofden en de blonde kusten
Hallo eeuwige geloften
Het verdriet verstikt me, want in deze wereld
Verloor ik de zomers en kwam ik in de winter
Zoals een schip dat zijn ankers lost en wegdrijft
Zie ik de kusten verdwijnen en wordt de wereld kleiner
Mikis Theodorakis – liederen
In memoriam Slauerhoff
Soms kon de zachtheid die hij steeds verbeet
nog schuw een uitweg naar zijn oogen vinden:
een mild licht door die scherven, waarin leed
door wrok was stukgebroken tot ellenden.
*
Dit schreef ik in den trein naar waar hij lag
te sterven, terwijl ik de wilde duinen
van ons verleden jaar verdwijnen zag.
Waar de getemden wonen en hun tuinen
verzorgen, vond ik hem, wel al voorgoed
geveld en als een wild, dat aangeschoten
ligt en in langzame stilte leegbloedt,
maar – en hoe ver dan ook van zijn genooten –
toch als groot wild nog – want zij zijn groot wild,
dichters als hij, en de eigen jagers tevens:
vluchtend, verwoed door zichzelf nagesneld
tot in de grimmige uithoeken des levens.
En dan, gedreven in een laatste nauw,
maakt het wild keer; zal de jager prooi worden?
het is er stil en laat, de lucht hangt grauw,
en wat er eenmaal heeft gebloeid, verdorde.
Zij staan, weerzijdsch gevaar, er oog in oog,
loerend, op sprong: ’t lang mes, de korte tanden
getrokken en ontbloot, de schouders hoog,
de schonken laag, tegenover elkander.
Maar plotseling, suizend en onzichtbaar,
is daar een grooter jager aangekomen;
de jacht heeft uit: zij liggen bij elkaar
thans, en hun vijandschap is hun ontnomen.
Handen en klauwen saamgevlochten, ligt
terwijl de lucht nu breekt – een enkel wezen
in dien uithoek, alreeds vervuld wellicht,
en zeker van tweespalt voorgoed genezen.
*
Zoo naar de ziel, de sombre, want zij was
hem somber en gelijk een onderwereld.
Maar naar het lichter hart, dat niet genas,
zie ik die kamer weer, en buiten dwerelt
herfst in den welverzorgden tuin al. Stil
komt nu de zuster van het rusthuis binnen
omdat hij belde, en vraagt hem wat hij wil,
en schikt de dekens en het koele linnen.
En dank’bre zachtheid, die hij steeds verbeet,
komt nog een uitweg door zijn oogen vinden,
en heelt de ellendescherven weer tot leed,
het goede leed van wie vergeefs beminden.
Roland Holst
A Mother Walks Around
A mother walks around with a child dead in her belly.
This child hasn’t been born yet.
When his time is up the dead child will be born
head first, then trunk and buttocks
and he won’t wave his arms about or cry his first cry
and they won’t slap his bottom
won’t put drops in his eyes
won’t swaddle him
after washing the body.
He will not resemble a living child.
His mother will not be calm and proud after giving birth
and she won’t be troubled about his future,
won’t worry how in the world to support him
and does she have enough milk
and does she have enough clothing
and how will she ever fit one more cradle into the room.
The child is a perfect tzadik« already,
unmade ere he was ever made.
And he’ll have his own little grave at the edge of the cemetery
and a little memorial day
and there won’t be much to remember him by.
These are the chronicles of the child
who was killed in his mother’s belly
in the month of January, in the year 1988,
“under circumstances relating to state security.”
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
Who Does Not Speak Of Easter Bright
Who does not speak of Easter bright
A feast of youth renewed
The children march into the war
And they march into their death
With courage, mighty hearts stood firm
They held the narrow ways
The flag was flying high above
The partisan woman led the way
Tens of thousands came at once
Khaki-clad regulars
To slaughter all the children there
Yet they were halted here
With machine guns and armored steel
With cannons piled in rows
Not one of them returned again
We are not to blame for this
One against ten, for six long days
We held our ground so fast
They never broke through our defense
Despite their raging blasts
They hurled at us their poisonous
And deadly gas and smoke
They burned our capital to ash
Just like the Germans once
They murdered all our leaders then
Without a word or plea
Our women and our little ones
Kneeled down before their knees
They opened graves in secret dark
And buried all the dead
They neither caught nor ever killed
Our faithful partisans
Who does not speak of Easter bright
A feast of youth renewed
The children march into the war
And they march into their death
Mikis Theodorakis – liederen
Translation: Marinos
De stervende
Wie praat daarbuiten in zon en wind
van den ouden tuin?
de stem van een, die ik heb bemind,
kon niet lichter en lieflijker zijn.
En wie is de vreemde, die met haar praat?
o, huiverend harte mijn,
de stem van een, dien ik heb gehaat,
kon niet schooner en donkerder zijn.
Moest dan alles een droom, dien de wind verhaalt
aan het licht en het loover, zijn?
de wind gaat liggen… de avond daalt…
en het zal over zijn.
1921.
Roland Holst
De doode
De dag breekt aan; hoe is het vredig
en niets verwoest; het regent zacht.
De vijand zong de veste ledig
en is verdwenen in den nacht
met hem, die zonder taal of teeken
dit onbewoonde achterliet;
en spoorlooze eeuwen zijn verstreken
van toen vannacht dit is geschied
tot nu wij, hier gekomen zijnde,
de veste vinden zonder naam,
en zonder strijd de strijd ten einde.
De stille regen aan het raam
wordt stiller, en klaart op; een merel
fluit buiten in den ouden tuin.
Waar is de droefheid van de wereld?
Een stiller en een ouder zijn
is al wat wij hier nog ervaren,
en een vermoeden, dat zijn stem
verdwijnend zingt achter de jaren.
Ons rest nog enkel dit van hem
terug te leggen uit onze armen
in de aarde, die naar liefde en recht
met haar zacht gras zich zal ontfermen
over de muren die zijn geslecht.
1921.
Roland Holst





All of my things
All of my things have remained (intact) as if
I died since a long time now
Dust is spread everywhere
and I’m tracing crosses with my finger.
All of my things recall
an hour we spent together,
because of which, I forget about my books
that one, which the clock still relives.
The hour was happy back then
it was like a depicted sunset.
I have been dead so many years now
and the window has been left closed.
Nobody, not even the sun, is entering anymore.
My deserted house echoes
that specific hour , still sounding
that alone, night and morning.
I don’t know what is this place now
I don’t know who is the one tracing crosses
all of my things have remained ( intact) as if
I died since a long time now.
Mikis Theodorakis – liederen
De prins weergekeerd
Ligt ergens nog die helm? en dat kuras,
bestaat het nog? Geringschat, ongedragen,
laat dit tijdperk, wat eens van geest en ras
getuigde, roesten. Joelen, spot, weeklagen,
heesch natellen van goud: onder de lage
wolken klinkt anders niet; de rest werd asch.
De rest: de handen van een prins, het hoofd
dat eenmaal uit genotzucht vastberaden
het edel hart bevrijdde in een geloof
en in een op genade of ongenade
strijden, tot geestdrift met beheerschte daden
uit keurbende’ een volk oogstte, schoof aan schoof.
Konden de grooten, die – hun jeugd voorbij –
bezield oorloogden, na een reeks geslachten
weer jong terugkomen, en stond ook hij
zoo en thans weergekeerd, en hier, bij machte
ons te verstaan naar daden en gedachten,
hoe zou hij ons dan aanzien, u en mij?
De dag gaat uit; niets wordt er meer gehoord
dan uit ver dorp kindren die spelend schreeuwen –
Maar hier staat in wak licht, dat, nog doorgloord
van eeuwen her, kwijnt door ophanden sneeuwen,
dit beeld van voor hij vocht, dat na vier eeuwen
thans op wat inkeer zich afvroeg, antwoordt.
Zwijgzaam en terughoudend, haast alweer
afgewend, is de blik; de zijdlingsche oogen
dralen mismoedig, ziende heinde en ver
de hevigen ontzield, de zielsbewoognen
ontmand, en zijn arm volk, den geest verloochnend,
vallende uiteen in benden, her en der.
Zooals den oogopslag houdt ook dien mond
hoog misprijzen teleurgesteld omwreveld –
De korte winterdag heeft uit, en rond
dit huis, waar hoop aan wanhoop zich benevelt,
ligt het voormaalge in stilte en ijs gekneveld,
en wat de toekomst bergt, blijft ondoorgrond.
1932.
A. Roland Holst
The Hope of the Poet
What’s up with you,
O young poets,
that you write so much about poetry
and the art of the poem
and the use of materials,
God forbid
writer’s block
should descend upon you
and wreak havoc.
For lo, a remedy is at hand
to banish all grief:
to repose at the breakfast table
with its slightly faded oilcloth,
mooning at the windowpane
till the noon hour draws nigh.
And should slumber seize you, banish it not,
nor set at naught the taste of honey and butter.
Thou shalt not multiply poems and poesies,
nay, thou shalt do no work at all,
and should thy heart find ease,
conceal it for many days
lest any eye behold.
For why dost thou make haste, my dear,
to take the slippery poem by the horns
or goad it between the ribs
the way a lone Bedouin lad shall lead
his tarrying ass?
After all, any good that may come of this
in the best of all possible worlds,
even after appeals to the mayor’s office,
is a grave dug just for you
in the Writers Section
of the cemetery on Trumpeldor Street,
a sixty-meter dash
from Bialik’s Tomb.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
EINDE
De zon scheen als weleer. Zijn dagen
waren geteld, de zon bescheen
zijn handen die gevouwen waren
in zijn schoot en de zon bescheen
het vergezicht dat stil en open
lag tot in alle verten heen.
Hij keek tot hij met open ogen
en voorgoed in zichzelf verdween.
A. Roland Holst
Een Lied van den Dood
De wijde zee en de gouden wind
hebben den tijd verloren.
Ik weet van een eenzelvig kind,
dat der zaligen zingen kon hooren.
Vanachter den wind, door den leegen tijd
zong het tot in zijn herte –
een ijle, verloren blijmoedigheid,
een vreemde, vlijmende smerte –
zij zongen zijn oogen leeg en wijd,
de zaligen van de verte.
Zij zongen in ’t vuur: een eenzaam geluid
ving aan om de muren te loopen;
zij zongen aan ’t venster, zij zongen luid
zijn deur op den donker open;
een regen de wolk van zijn leven uit
zongen zij al zijn hopen.
Hem bleef geen ding meer: de groote maan
scheen in zijn leege oogen.
In blauw, koud licht is hij uitgegaan
door een duistre verrukking bewogen –
Zij zongen hem uit de wereld vandaan,
zij zongen zonder meedoogen.
Luider en luider zongen zij,
ijle, duizele vlagen –
zij zongen, zij jubelden zoo nabij,
dat het was of hun oogen hem zagen –
luider en luider jubelden zij
dat lied van den dood in zijn dagen.
Tusschen aarde en maan, vervreemd, verblind,
een wolk op een storm van droomen –
door sombre vreugden vervoerd, ontzind,
is hij luidzingend gekomen:
de machtige zee, de donkere wind
hebben hem genomen…
A. Roland Holst
Requiem after Seventeen Years
The cantor was reading psalms.
The trees whispered like a flock of black priests.
We were not much taller than the gravestones
And we knew there would be no resurrection in our day.
At a distance, there stood a ladder
For the ascent of the holy and pure, who are as the very sapphire
(Most of them lay at our feet),
And our lives were like a locust at the border of sun and shade.
But when the drowned girl passed through all the chambers of the sea,
We knew it is the sea that fathers the rivers.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
ΜΙΛΩ
Μιλώ για τα τελευταία σαλπίσματα των νικημένων στρατιωτών
Για τα τελευταία κουρέλια από τα γιορτινά μας φορέματα
Για τα παιδιά μας που πουλάν τσιγάρα στους διαβάτες
Μιλώ για τα λουλούδια που μαραθήκανε στους τάφους και τα σαπίζει η βροχή
Για τα σπίτια που χάσκουνε δίχως παράθυρα σαν κρανία ξεδοντιασμένα
Για τα κορίτσια που ζητιανεύουν δείχνοντας στα στήθια τις πληγές τους
Μιλώ για τις ξυπόλυτες μάνες που σέρνονται στα χαλάσματα
Για τις φλεγόμενες πόλεις τα σωριασμένα κουφάρια στους δρόμους
τους μαστροπούς ποιητές που σέρνονται τις νύχτες στα κατώφλια
Μιλώ για τις ατέλειωτες νύχτες όταν το φως λιγοστεύει τα ξημερώματα
Για τα φορτωμένα καμιόνια και τους βηματισμούς στις υγρές πλάκες
Για τα προαύλια των φυλακών και το δάκρυ των μελλοθανάτων
Μα πιο πολύ μιλώ για τους ψαράδες
Π’ αφήσανε τα δίχτυα τους και πήρανε τα βήματα του
Κι όταν Αυτός κουράστηκε αυτοί δεν ξαποστάσαν
Κι όταν Αυτός τους πρόδωσε αυτοί δεν αρνηθήκαν
Κι όταν Αυτός δοξάστηκε αυτοί στρέψαν τα μάτια
Κι οι σύντροφοι τους φτύνανε και τους σταυρώναν
Κι αυτοί γαλήνιοι το δρόμο παίρνουνε π’ άκρη δεν έχει
Χωρίς το βλέμμα τους να σκοτεινιάσει ή να λυγίσει
Όρθιοι και μόνοι μες στη φοβερή ερημία του πλήθους.
I SPEAK
I speak about the last toots of the defeated soldiers
About the last rags from our holiday dresses
About our children who sell cigarettes to the passers-by
I speak about the flowers that withered on the graves and the rain rots them
About the houses that gape windowless, like toothless skulls
About the girls who beg, showing the wounds on their chests
I speak about the barefoot mothers who crawl in the ruins
About the burning cities, about the piled carcasses in the streets
About the pimp poets who crawl on the doorsteps at night
I speak about the endless nights, when light drops off at dawn
About the loaded trucks and the steps on wet tiles
About the prison courtyards and the tears of the moribund
But most of all, I speak about the fishers
Who left their nets and took his steps
And when He got tired, they did not rest
And when He betrayed them, they did not decline
And when He was glorified, they turned their sigh
And the comrades would spit on them and crucify them
And they serenely take the endless path
Without letting their sight darken or bend
Upright and lonely in the terrible desolation of the crowd
Mikis Theodorakis – liederen
Twee Dooden
De stormwind bracht in het westergloren
den dag ten onder en brandend om;
zij, in de woeste duinen verloren,
zongen een lied van Elysium.
Waar is het lied en de weg, dien zij traden?
De wind deed hun stem en hun spoor vergaan;
zij hebben elkanders droom verraden,
zij lieten elkander de wrok van een waan;
de leege duinen zijn zonder paden:
zij kwamen nooit bij de golven aan.
Hoevele jaren bloeiden en dorden
over dit eenzaam kustgebied?
Zij zijn een oud verhaal geworden
van mij aan mijzelven en anders niet:
een val van den wind in de bladerenhorden,
en langs de golven een somber lied.
Ik kwam alleen aan het strand en de golven –
het westergloren is voorbij;
de nacht waait duister, ik ga en luister
naar het eenzame tij,
en denk aan een graf in mijn hart gedolven
en aan twee dooden, zij aan zij.
A. Roland Holst
Moest liefde aan dood door lusten zijn gebonden
omdat zij leven’s lach niet heeft gesmaad?
werd dan om vreugd dat argeloos gelaat
door hartstocht’s plotselinge kus geschonden?
En moet dezelfde drift die snelle wonden
van smaad in ruwbegeerde lijven slaat,
’t lichaam van liefde geeslen tot zij haat
als het verbijstrend zelfbeeld heeft gevonden?
O, tijd van levenontwrichtende smarten!
Stilte weet slechts dat hoop en liefde zwijgen,
en elk geluid is wanhoop’s angst die spreekt.
Toch wil ‘k der lusten schelle lokking tarten,
’t hoofd aan bezinning’s koude borsten neigen
en, denkend, wachten of nu alles breekt.
A. Roland Holst
Antoine de Saint-Exupéry, In Memoriam
A terrible glowing moon
reminded me in the middle of the night
how in the year nineteen forty-three
Antoine
de Saint-Exupéry died.
It’s been twenty-one years now
and bits of paper are whirling in the wind.
For twenty-one years
the sea keeps turning blue each spring,
twenty-one years
and all his bones decomposed into sand.
Twenty-one,
twenty-one,
and whoever’s alive now is alive without him.
Twenty-one years ago
his plane plunged into the Mediterranean
teetering between the rough winds of spring.
It’s not the same world anymore,
grass and wind,
wind and sand
That’s the look of a world
in which there is no
Saint-Exupéry.
People don’t live forever,
even we won’t forever,
but if he’d been rescued
that time
in March, in the year nineteen forty-three,
he’d be with us still
a glowing speck,
lily in the wind,
laughter in the clouds.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
Twee Menschen
‘Omdat de golven moeten breken
de schoonen, de hoogen –
o, laat mij nu geen waan gedogen,
en, aan mijn hart uw hoofd, de waarheid spreken…
Maar sluit uw oogen…
Hoort gij de zee achter mijn hart?
Eens zal ik heen zijn,
en zal alleen de wind nog zijn gebleven;
en gij zult voor de zee alleen zijn,
misschien te moe om nog te streven…
O, het is hard,
maar omdat alle schoone golven moeten breken
wil ik dit spreken
tot aan het laatste woord.
Wat is de liefde dan één roep gehoord
in deze ontzetbre stilte van verlangen?
dan één gelaat gezien, gelijkelijk bevangen
van vrees in deze leegten van het licht?
En dan de zegen van den droom, die zwicht
naar het nabije en het tezamen dooven
van de begeerten, en het goed gelooven
dat alles hierheen leidde…
O, laatste schuilhoek die de tijd bereidde –
O, hoop, dat hier de stem ons niet zou vinden
die van den aanvang riep –
O, hoop, o, blinde –
want eenmaal komt de groote wind weer vrij,
en eenmaal gaat verlangen de beminde
voorbij –
Hoort gij de zee achter mijn hart?
Dan zal ik heen zijn,
en gij zult met de zee alleen zijn;
de golven zullen breken in uw hart.
En aan uw lippen zal de pijn,
en aan uw oogen zal de blindheid zijn
van het bittere schuim.’
Toen sprak zij, die haar oogen niet ontsloot:
‘Ik weet het àl; maar zwijg nu stil.
Wat kan mij deren, die de liefde wil
tot in den dood…’
A. Roland Holst
Μάνα Μου Και Παναγία
Ο ήλιος ήσουν κι η αυγή
της νύχτας μου φεγγάρι
της μάννας μου ήσουν η ευχή
της Παναγιάς η χάρη
Έφυγες και κλαίει ο άνεμος το κύμα
κλαίνε τ’ άστρα κι η νυχτιά
κλαίει κλαίει κι η Παναγιά
Στον πυρετό ήσουνα δροσιά
κερί μες στο σκοτάδι
άστρο στην κοσμοχαλασιά
βασιλικός στον Άδη
My Mother And The Virgin Mary
You were the sun and the dawn,
You were my night’s moon,
You were my mother’s blessing,
The grace of the Virgin Mary
You left and the wind and waves are crying,
The night and the stars are crying,
My mother is crying over the grave,
The Virgin Mary is crying, crying too
You cooled off the fever,
(You were) A candle in the dark,
A star in this crazy world
And basil in hell
Mikis Theodorakis – liederen
De Stervende Geliefden
Laten wij dit zacht zeggen: dat wij allen
eens als een ritsling in den schemer worden;
zij, die zich nu de lendenen omgorden,
zullen eens deinzen, wankelen, en vallen.
En waar is troost, dan in vermoeid vergeten,
in zacht bedwelmen en de zoete logen
der glimlach en der halfgeloken oogen
van wie zich in elkanders armen weten?
En stiller wordt het om hen heen, en duister,
en dorre blaren ritslen om hun haren;
en als een ritseling van najaarsblaren
is tusschen hen een aarzelend gefluister
van woorden, die nog tusschen wake’ en droomen
als late vlokken sneeuw neerdwarlen bleven –
van woorden, die verdwaalden uit het leven
en alleen zachtheid hebben meegenomen.
En dan het zwijgen en het eindloos trage
dichtgaan der oogen, die elkander vulden;
alleen een glimlach blijft om onvervulde
daden en dagen, die zij nimmer zagen…
Wees stil, wees stil: dit zijn verbannen vorsten,
die hebben troon en ijdle pracht vergeten;
hoe zouden zulken nog ons leven weten
van machtelooze vreugde en daadloos dorsten?
Zij zijn hier veilig; hier kan niets hen vinden
dat van het leven is, want beiden deden
van vreugde’s wenkende onbereikbaarheden
afstand, en niets kan meer hun bond ontbinden.
Niets dan de dood, en zie, dit is hun sterven:
dit eindloos langzaam, in vermoeid beminnen
streelend bedwelmen van elkanders zinnen,
dit zacht weggaan van alles zonder derven.
Wees stil, en hoor: reeds roepen hen de bloemen
die wij elkaar een volgend voorjaar schenken;
en later, als wij niet meer aan hen denken,
zullen de beken nog hun namen noemen
murmelend langs ons waar wij zacht ons neder
vlijen in gras en bloemen aan den oever.
O, lief, mijn lief, is één ding vreemder, droever,
voor wie dit weten, dan zacht lenteweder?
Zullen wij dan gedenken, dat wij leven
van wat hun zachte dood hun heeft onthouden?
dat hoog in ’t licht de vooglen op de gouden
drang van hun nooitvervulde vreugden zweven?
dat kussen, die zij niet meer geven konden,
dan uit hun lippe’ als bloemen tot ons komen,
en hooge wolken zweven, wijl hun droomen
ook nimmer dan in tranen de aarde vonden?
dat uit de tegenspoeden, die hen deerden,
wij dan elkaar met milder weemoed vullen –
dat wij ons uiterst uur beleven zullen,
wellicht, wijl zij eenmaal vergeefs begeerden…
Zullen wij dit gedenken? Zie, zij sterven
sluimerend, en zij zullen niet meer weten,
en wij, verheerlijkt nog, gaan hen vergeten
waar wij naar licht van later dagen zwerven.
Zie, hoe zij vreemd en schoon zijn in het duister:
zij sluimren samen naar den dood, en zonder
rimpeling gaan zij in het groote wonder
over… zie, mijne liefde, mijn vuren luister,
de dorre blaren in hun haren… neem er
zacht een uit weg om aan uw hart te dragen,
en te gedenken in de lentedagen:
wij worden alle’ een ritsling in den schemer.
A. Roland Holst
Terzinen Über Vergänglichkeit
I
Noch spür ich ihren Atem auf den Wangen:
Wie kann das sein, dass diese nahen Tage
Fort sind, für immer fort, und ganz vergangen?
Dies ist ein Ding, das keiner voll aussinnt,
Und viel zu grauenvoll, als dass man klage:
Dass alles gleitet und vorüberrinnt
Und dass mein eignes Ich, durch nichts gehemmt,
Herüberglitt aus einem kleinen Kind
Mir wie ein Hund unheimlich stumm und fremd.
Dann: dass ich auch vor hundert Jahren war
Und meine Ahnen, die im Totenhemd,
Mit mir verwandt sind wie mein eignes Haar,
So eins mit mir als wie mein eignes Haar.
II
Die Stunden! wo wir auf das helle Blauen
Des Meeres starren und den Tod verstehn,
So leicht und feierlich und ohne Grauen,
Wie kleine Mädchen, die sehr blaß aussehn,
Mit großen Augen, und die immer frieren,
An einem Abend stumm vor sich hinsehn
Und wissen, daß das Leben jetzt aus ihren
Schlaftrunknen Gliedern still hinüberfließt
In Bäum’ und Gras, und sich matt lächelnd zieren
Wie eine Heilige, die ihr Blut vergießt.
III
Wir sind aus solchem Zeug, wie das zu Träumen,
2Und Träume schlagen so die Augen auf
Wie kleine Kinder unter Kirschenbäumen,
Aus deren Krone den blaßgoldnen Lauf
Der Vollmond anhebt durch die große Nacht.
… Nicht anders tauchen unsre Träume auf,
Sind da und leben wie ein Kind, das lacht,
Nicht minder groß im Auf- und Niederschweben
Als Vollmond, aus Baumkronen aufgewacht.
Das Innerste ist offen ihrem Weben;
Wie Geisterhände in versperrtem Raum
Sind sie in uns und haben immer Leben.
Und drei sind Eins: ein Mensch, ein Ding, ein Traum.
IV
Zuweilen kommen niegeliebte Frauen
Im Traum als kleine Mädchen uns entgegen
Und sind unsäglich rührend anzuschauen,
Als wären sie mit uns auf fernen Wegen
Einmal an einem Abend lang gegangen,
Indes die Wipfel atmend sich bewegen
Und Duft herunterfällt und Nacht und Bangen,
Und längs des Weges, unsres Wegs, des dunkeln,
Im Abendschein die stummen Weiher prangen
Und, Spiegel unsrer Sehnsucht, traumhaft funkeln,
Und allen leisen Worten, allem Schweben
Der Abendluft und erstem Sternefunkeln
Die Seelen schwesterlich und tief erbeben
Und traurig sind und voll Triumphgepränge
Vor tiefer Ahnung, die das große Leben
Begreift und seine Herrlichkeit und Strenge
Hugo von Hofmannsthal

Minne en Dood
Er is in alle minne groot
het donker zingen van den dood
en elk die voor een mensch of voor
een droom zijn lichter lust verloor,
omdat hij maar één ding belijdt,
weet dat dit waar is ten allen tijd.
Want die de minne krijgt, hij vindt
zijn dak op aard, maar voor wie mint
werd niet gebouwd, en zoo hij al
met vreugd een woon betrekken zal
en zingen in de deur, en rozen
strooien rondom, en roode rozen
doen om zijn hoofd, of – zoo hij is
van stiller hart en ongewis
in vreugd en peinzend van nature –
de wijn zal drinken van zijn uren
aandachtig, en de rozen nemen
in strakker handen, omdat hij
achter hun vuren geur en gloed
de sombre treurnis al vermoedt
van zware, bronzen chrusanthemen…
’t is al gelijk en eenderlei –
eens heeft dit uit en wordt het tij
duister en koud, en om zijn oord
komen de dooden, en hij hoort
den wind achter het vuur, en ziet
buiten zijn raam dat oud verdriet
van regen door de schemering –
en allen die het zoo verging
in moede donkere eeuwigheid
worden zijn broeders, en de tijd
valt weg en om zijn muren komen
zij, en zij zingen duistre droomen
over zijn bloed, allen tezaam
zingen zij uit zijn hart een naam
teloor, en een gelooven gaat
ten onder, en de hoop verlaat
zijn hart, en hij wordt een van dezen,
een schim, een windverloren wezen
tusschen twee werelden, vergaan
voorbij de woningen, vandaan
van wegen, wijkende verdwenen
in ledige eeuwen, een meeuw, alleene
teloor, verstervende kreet van wee
vanuit den regen, van boven de zee…
O, dat dit zoo moet zijn, en toch
overal weer dat zoet bedrog
van licht en bloemen, en bijwijlen
het komen en verheugend verwijlen
bij een, die zingend werkt en lacht
of hij in licht vertrouwen wacht
de wereld van het open leven:
zijn raam staat wijd naar buiten, even
legt hij zijn arbeid neer en kijkt
uit in het koele licht: het lijkt
of in den stillen uchtenddag
ergens gezongen wordt; een lach
komt in zijn oogen en die schijn
of hier het rijk zou kunnen zijn
voorbij den tijd en zonder duur
of doel en tusschen droom en vuur
een lichte waak en een ijl spel
van liefde bij de schemerwel
der wijsheid, en een varen later
jubelend tusschen maan en water
voorbij de kusten van den tijd
in doellooze blij moedigheid
onder de zeilen – o, het leven
waarin de wezens overzweven
naar aanverwanten in een huiver-
zalige duizeling en zuiver
als melodiën elk in de ander,
en waarin ziel en bloed elkander
vinden als wind en zee in hooge
geboorten en de schoon bewogen
golven, en geen kan overleven
de schoonheid, en het aangeheven
lied is het zegevierend teeken
van de vervulling, en het breken
der vreugde, die zichzelf niet wist
te vieren, in een sneeuwen mist
van schuim dat in het licht vergaat,
een laatste fonkelende daad
van wateren, een overgeven
grootelijk- o, te kunnen leven
als golven- o, te kunnen sterven
als golven-
maar hier is het sterven
traag èn verlaat, en schuw met schaamte,
sluipt hier de ziel uit het geraamte
van deze woning, waar haar staat
onthemeld werd en met de smaad
en listen van het bloed besmet,
en onderworpen aan de wet
der schuwe lusten, want hier is
tweespalt en het alom gemis
der vrije schoonheid, en hier wordt
de droom verraden en gestort
in kuilen, en de liefde zwijgt;
hier is de twijfel en hier dreigt
tegen het argeloos gezicht
der ziel alom in wind en licht
een ijl gevaar, een vreemd verraad,
dat met de vreugde binnengaat
in lachende oogen en de mond
die zingt, en waar zij eenmaal stond,
de blanke, de droomende, de beminde,
onder de bloesemende linde
blij en verbeidend, daar is nu
alles voorbij, en stil en schuw
vallen de blaren, en er is
een ritselende treurenis
onder het lage doodendak
der lucht en op een naakten tak
zit oud en zwart een raaf, en krast
spottend de vraag der minne en krast
het antwoord spottend: nimmer, nergens –
Dan is het stil, alleen is ergens
een klacht die ritselt: wee, wie mint
binnen de blaren, binnen den wind –
hij zal vergaan als een blad op den wind,
kleumende, zwervende, onbemind…
Te loor, voorbij…
Wat is die stem, dat duister tij,
dat hem die mint drijft en doet gaan
voorbij de wegen en vandaan
van de verblijven waar de beminden
bloeien en welken, en de winden
tegen der eenzaamheid – wat is
de donkere geheimenis
die de aarde dwingt tot achterlaten
der bloemen en der hooge staten
van wouden en den avondgloed
van stille meren, en haar doet
zwichten in leege eentonigheden
van heuvelen naar onbetreden
kusten en stranden en een mist
van schuim en regen – o, wat is ‘t
dat uit den jubelenden toover,
den zomerdroom van licht en loover
ruischende woningen en de vele
levende bloeiende prieelen
der vogelen, er een doet zwerven
voorbij het zingen en het sterven
voorbij der bloemen, een meeuw, een alleene,
een witte vogel, een ziel, verdwenen
over de heuvelen, verloren
en zonder lied, en alleen te hooren
voorbij het einde uit mist en kilte
een kreet…
O, branding, waar de stilte
tegen de kusten van dit rijk
in breekt – o, ondoorgrondelijk
gezang van wateren, waarmee
’t geheim, dat allen hier omsluit,
wordt ingeluid –
Het is de groote dood, de zee, de zee…
Er is een leed dat nooit in woorden spreekt,
maar zwijgend opent de gesloten deuren
der ziel, en ingetreên hen sluit voor ’t treuren
van moede troost, die haar te volgen smeekt.
Zij die ’t hart nooit met snelle smarten breekt,
maar langzaam gaat door werelds droef gebeuren,
zij is het die het zijn ontneemt al kleuren,
het oog doet staren, en ’t gelaat verbleekt.
Zij is in droever dagen doodengang,
haar nadering maakt jonge harten bang,
haar adem kilt jeugdgloeiende gezichten.
Maar nu ik weet hoe boven ’t zilvernaakt
der nacht’lijke aarde hoog de vrijheid waakt,
voel ‘k drang naar boven, waar zoovelen zwichten.
A. Roland Holst
Επιτάφιος
Γιε μου, σπλάχνο των σπλάχνων μου, καρδούλα της καρδιάς μου,
πουλάκι της φτωχιάς αυλής, ανθέ της ερημιάς μου, (δις)
Πού πέταξε τ’ αγόρι μου; πού πήγε; πού μ’ αφήνει;
Χωρίς πουλάκι το κλουβί, χωρίς νεράκι η κρήνη. (δις)
Πώς κλείσαν τα ματάκια σου και δε θωρείς που κλαίω
και δε σαλεύεις, δε γροικάς τα που πικρά σου λέω; (δις)
Πού πέταξε τ’ αγόρι μου; πού πήγε; πού μ’ αφήνει;
Χωρίς πουλάκι το κλουβί, χωρίς νεράκι η κρήνη. (δις)
……..
Μαλλιά σγουρά που πάνω τους τα δάχτυλα περνούσα
τις νύχτες που κοιμώσουνα και πλάι σου ξαγρυπνούσα,
Φρύδι μου, γαϊτανόφρυδο και κοντυλογραμμένο,
-καμάρα που το βλέμμα μου κούρνιαζε αναπαμένο,
Μάτια γλαρά που μέσα τους αν αντίφεγγαν τα μάκρη
πρωϊνού ουρανού, και πάσκιζα μην τα θαμπώσει δάκρυ,
Χείλι μου μοσκομύριστο που ως λάλαγες ανθίζαν
λιθάρια και ξερόδεντρα κι αηδόνια φτερουγίζαν.
…….
Μέρα Μαγιού μου μίσεψες, μέρα Μαγιού σε χάνω,
άνοιξη, γιε, που αγάπαγες κι ανέβαινες απάνω
Στο λιακωτό και κοίταζες και δίχως να χορταίνεις
άρμεγες με τα μάτια ου το φως της οικουμένης.(δις)
Και μου ιστορούσες με φωνή γλυκιά, ζεστή κι αντρίκια
τόσα όσα μήτε του γιαλού δε φτάνουν τα χαλίκια
Και μου ‘λεες πως όλα αυτά τα ωραία θα ‘ναι δικά μας,
και τώρα εσβήστεις κ’ έσβησε το φέγγος κ’ η φωτιά μας.
……
Βασίλεψες, αστέρι μου, βασίλεψε όλη η πλάση,
κι ο ήλιος, κουβάρι ολόμαυρο, το φέγγος του έχει μάσει.
Κόσμος περνά και με σκουντά, στρατός και με πατάει
κ’ εμέ το μάτι ουδέ γυρνά κι ουδέ σε παρατάει.
Την άχνα απ’ την ανάσα σου νιώθω στο μάγουλό μου,
αχ, κι ένα φως, μεγάλο φως, στο βάθος πλέει του δρόμου.
Τα μάτια μου σκουπίζει τα μια φωτεινή παλάμη,
αχ, κ’ η λαλιά σου, γιόκα μου, στο σπλάχνο μου έχει δράμει.
Και να που ανασηκώθηκα· το πόδι στέκει ακόμα·
φως ιλαρό, λεβέντη μου, μ’ ανέβασε απ’ το χώμα.
Τώρα οι σημαίες σε ντύσανε. Παίδι μου, εσύ κοιμήσου,
και εγώ τραβάω στ’ εδέρφια σου και παίρνω τη φωνή σου.
……
Είσουν καλός κ’ είσουν γλυκός κ’ είχες τις χάρες όλες,
όλα τα χάδια του αγεριού, του κήπου όλες τις βιόλες.(δις)
Το πόδι ελαφροπάτητο, σαν τρυφερούλι ελάφι,
πάταγε στο κατώφλι μας κ’ έλαμπε σα χρυσάφι.
Νιότη απ’ τη νιότη σου έπαιρνα κι ακόμη αχνογελούσα,
τα γερατειά δεν τρόμαζα, το θάνατο αψηφούσα.
Και τώρα πού θα κρατηθώ, που θα σταθώ, που θα ‘μπω;
που απόμεινα ξερό δεντρί σε χιονισμένο κάμπο;
……..
Στο παραθύρι στέκοσουν κ’ οι δυνατές σου οι πλάτες
φράζαν ακ
έρια τη μπασιά, τη θάλασσα, τις τράτες (δις)
Κι ο ίσκιος σου σαν αρχάγγελος πλημμύριζε το σπίτι
και κει στ’ αυτί σου σπίθιζε η γαζία του αποσπερίτη (δις)
Κ’ ήταν το παραθύρι μας η θύρα όλου του κόσμου
κ’ έβγαζε στον παράδεισο που τ’ άστρα ανθίζαν, φως μου (δις)
Κι ως στέκοσουν και κοίταζες το λιόγερμα ν’ ανάβει,
σαν τιμονιέρης φάνταζες κ’ η κάμαρα καράβι (δις)
Και μες στο χλιό και γαλανό το απόβραδο – έγια-λέσα –
με αρμένιζες στη σιγαλιά του γαλαξία μέσα (δις)
Και το καράβι βούλιαξε κ’ έσπασε το τιμόνι
και στου πελάγου το βυθό πλανιέμαι τώρα μόνη (δις)
………
Να ‘χα τ’ αθάνατο νερό, ψυχή καινούρια να ‘χα,
να σου ‘δινα, να ξύπναγες για μια στιγμή μονάχα,
Να δεις, να πιείς, ναν το χαρείς ακέριο τ’ όνειρό σου
να στέκεται ολοζώντανο κοντά σου, στο πλευρό σου.
Βροντάνε στράτες κι αγορές, μπαλκόνια και σοκάκια
και σου μαδάνε οι κορασιές λουλούδια στα μαλλάκια (δις)
Με τα χεράκια σου τα δυο, τα χιλιοχαϊδεμένα,
όλη τη γης αγκάλιαζα κι όλ’ ήτανε για μένα.
Βροντάνε στράτες κι αγορές, μπαλκόνια και σοκάκια
και σου μαδάνε οι κορασιές λουλούδια στα μαλλάκια (δις)
………
Γιε μου, ποια Μοίρα σ’ το ‘γραφε και ποια μου το ‘χε γράψει
τέτοιον καημό, τέτοια φωτιά, στα στήθια μου ν’ ανάψει; (δις)
Γλυκέ μου, εσύ δε χάθηκες, μέσα στις φλέβες μου είσαι.
Γιε μου, στις φλέβες ολουνών, έμπα βαθιά και ζήσε (δις)
Giannis Ritsos
Grafschrift
Mijn zoon, het hart van mijn hart,
de vogel van de armoedige tuin, de bloem van mijn woestijn,
Waar is mijn jongen heen gevlogen? Waar is hij heen gegaan? Waar laat hij me achter?
De kooi is zonder vogel, de bron is zonder water.
Hoe konden je oogjes sluiten en zie je me niet huilen
en beweeg je niet, hoor je de bittere woorden die ik je zeg niet?
Waar is mijn jongen heen gevlogen? Waar is hij heen gegaan? Waar laat hij me achter?
De kooi is zonder vogel, de bron is zonder water.
……..
Krullend haar waar ik met mijn vingers doorheen streek
de nachten dat ik naast je sliep en wakker werd,
Mijn wenkbrauw, een sikkelvormige, gebogen
boog waar mijn blik rustig op rustte,
Meeuwenogen die de verre
ochtendhemel weerspiegelden, en ik vocht tegen een traan die ze zou vertroebelen,
Mijn naar muskus geurende lippen die bloeiden als bloemen
tussen stenen en droge bomen en fladderende nachtegalen.
…….
Op 1 mei haatte je me, op 1 mei verlies ik je,
lente, zoon, die je liefhad en waar je naartoe klom
Op die zonnige plek keek je rond en zonder verzadigd te zijn
zoog je met je ogen het licht van het universum uit .
En je vertelde me met een zoete, warme en mannelijke stem
zoveel dat zelfs de kiezels van het strand er niet bij konden komen
En je vertelde me dat al deze mooie dingen van ons zouden zijn,
en nu doofde je uit en het licht en ons vuur gingen uit.
……
Jij heerste, mijn ster, de hele schepping heerste,
en de zon, een volkomen zwarte warboel, heeft haar licht verslonden.
Mensen lopen voorbij en stoten me omver, een leger vertrapt me
en mijn blik wendt zich niet af en laat je niet los.
Ik voel de nevel van je adem op mijn wang,
ah, en een licht, een groot licht, zweeft in de diepte van de weg.
Een stralende hand veegt mijn ogen af,
ach, en jouw woorden, mijn liefste, hebben een rol gespeeld in mijn ingewanden.
En zie, ik stond op; mijn voet staat nog steeds;
een vrolijk licht, mijn liefste, heeft me van de grond getild.
Nu hebben de vlaggen je aangekleed. Mijn kind, je slaapt,
en ik trek je broers naar me toe en neem je stem af.
Je was goed en lief en je bezat alle gratie,
alle strelingen van de weide, alle viooltjes van de tuin.
De voet, licht betreden als een teder hert,
stapte op onze drempel en straalde als goud.
Ik nam jeugd van jouw jeugd en glimlachte nog steeds,
ik vreesde de ouderdom niet, ik trotseerde de dood.
En nu, waar zal ik me vasthouden, waar zal ik staan, waar zal ik binnengaan?
Waar ben ik gebleven, een dorre boom in een besneeuwde vlakte?
……..
Je stond bij het raam en je sterke ruggen
blokkeerden volledig
de baai, de zee, de trawlers
En je schaduw, als een aartsengel, overspoelde het huis
en daar in je oor fonkelde de gloed van de avond
En ons raam was de deur naar de hele wereld
en het leidde naar de hemel waar de sterren bloeiden, mijn licht
En terwijl je stond en de zon zag opkomen,
verbeeldde je je als een stuurman dat de kamer een schip was
En in de grijze en blauwe avond – zei ik –
bewapende je me in de stilte van het sterrenstelsel binnenin
En het schip zonk en het roer brak
en nu dwaal ik alleen rond in de diepten van de zee
………
Als ik onsterfelijk water had, als ik een nieuwe ziel had,
om het aan jou te geven, om even wakker te worden,
Om te zien, te drinken, te genieten van jouw droom volledig
om vol leven naast je te staan, aan je zijde.
Troepen en markten, balkons en steegjes rommelen
en meisjes plukken bloemen uit je haar
Met je twee kleine handjes, duizendmaal gestreeld,
omarmde ik de hele aarde en het was allemaal voor mij.
De straten en markten, balkons en steegjes brullen
en de meisjes plukken bloemen uit je haar
………
Mijn zoon, welk lot heeft het voor jou geschreven en wie heeft het voor mij geschreven
dat zo’n verdriet, zo’n vuur, in mijn borst zou ontbranden?
Mijn liefste, je bent niet verloren, je bent in mijn aderen.
Mijn zoon, in de aderen van allen, ga diep en leef
Giannis Ritsos
Herdenken
In de donkre regendagen
voor het open raam,
als de droeve winden klagen
denk ik al die verre, vage
dagen weer tezaâm.
En het tasten der gedachten
door verleden’s woôn
waar geen dagen en geen nachten
wisselende glanzen brachten,
zoekt verloren schoon.
Is ’t verloren? – ’t Regenzingen
door den leegen dag
overal om mij, doet dingen
die ik liefhad en die gingen
zijn als dooden lach.
Maar ik weet – niets is verloren
als men nog bemint;
als men in ’t geluid, geboren
met het heden, nog de koren
hooger zangen vindt.
Als het hart zich nog kan laven
aan herinnering
van een avond, die door gave
liefdehand geleid, ten grave
mijmerende ging.
Aan het raam zaten wij beiden
hand in hand, en teer
Mânya, was het aarzlend scheiden
van het bleeke licht, als ’t glijden
van een boot in ’t meer.
Toen steeg nacht tot hooge, breede
welvingen van rust,
en de maanlichtstroomen gleden
deinende, en er werd in ’t heden
eeuwigheid bewust.
In de donkre regendagen
voor het open raam,
als de droeve winden klagen
denk ik al die verre, vage
heengegane liefdedagen
weer tezaâm.
A. Roland Holst
De Ploeger
Ik vraag geen oogst; ik heb geen schuren,
ik sta in uwen dienst zonder bezit.
Maar ik ben rijk in dit:
dat ik den ploeg van uw woord mag besturen,
en dat gij mij hebt toegewezen
dit afgelegen land en deze
hooge landouwen, waar – als in het uur
der schafte bij de paarden van mijn wil
ik leun vermoeid en stil –
de zee mij zichtbaar is zoover ik tuur.
Ik vraag maar een ding: kracht
te dulden dit besef, dat ik geboren ben
in ’t najaar van een wereld
en daarin sterven moet.
Gij weet hoe, als de ritselende klacht
van die voorbije schoonheid mij omdwerelt,
weemoed mij talmen doet
tot ik welhaast voor u verloren ben.
Ik zal de halmen niet meer zien
noch binden ooit de volle schoven,
maar doe mij in den oogst gelooven
waarvoor ik dien…
Opdat, nog in de laatste voor,
ik weten mag dat mij uw doel verkoor
te zijn een ernstig ploeger op de landen
van een te worden schoonheid; eenzaam tegen
der eigen liefde dalend avondrood –
die ziet beneden aan den sprong der wegen
de hoeve van zijn deemoed, en het branden
der zachte lamp van een gelaten dood.
A. Roland Holst
In Zomer
In zomer, in de stille zomerzon
en een lied uit een tuin nabij –
o, hart, dat niet gelooven kon,
hoe kwellen de bloemen mij…
O, voor verbolgen overhand
van storm, en norsch bestier
boven de leegten van dit land
van een zwarte banier –
O, voor de droomen duister en oud
en vlagenden overmoed
van wind, en de zwarte regen koud
over dit eenzaam bloed –
Het feest van de ziel met de duisternis
ingewijd, en de kracht
van die sombere vreugd, die ik eenmaal wist,
mijn hart, dat hier versmacht –
o, voor de kreet van een meeuw uit de mist
en de stem van het schuim in de nacht!
Maar mijn vorst zag de zon, en liet mij, en ging…
en er kwam in een tuin nabij
een vreemde, droomende vrouw, die zingt
tusschen de dood en mij.
A. Roland Holst
ALS JE TERUG ZULT KOMEN
O liefste als je terug zult komen, kus me
O liefste zal ik bij je komen, draag me.
Als deze oorlog ooit nog eindigt, oh mijn liefste
Als deze oorlog ooit nog eindigt, oh mijn liefste
Mijn liefste laat ons dan beminnen,
En in de stad elkaar omhelzen
Op alle pleinen, in de straten.
O liefste als je terug zult komen, kus me
O liefste zal ik bij je komen, draag me
Als deze oorlog ooit nog eindigt, oh mijn liefste
Als deze oorlog ooit nog eindigt, oh mijn liefste
Laat ons beminnen in de mijnen
En laat ons dansen door de kampen
Laat ons gaan slapen op het slagveld
O liefste als je terug zult komen, kus me
O liefste zal ik bij je komen, draag me
Als deze oorlog ooit nog eindigt, oh mijn liefste
Als deze oorlog ooit nog eindigt, oh mijn liefste
Laat heel de wereld dan ons bed zijn
Laat ons beminnen in het zonlicht
Totdat de doden zijn verdwenen. …
…
O mijn liefde die alles verwarmen kan
Zoals mijn hoofd rust in zijn linkerhand,
zoals zijn rechter mij omarmen kan.
Ik heb hem lief, maar niemand weet dat hij mijn liefste is,
Ik heb hem lief, maar niemand weet dat hij mijn liefste is,
Ik heb hem lief maar er is niemand die dit weet.
Ik heb hem lief.
Javocos Kambanelis
Vertaling Lennart Nijgh
Het Vreemde Leed
De zon schijnt op het lichte gras
en een stem jubelt in de verte;
maar blaren van herfsten voor ik was
ritselen door mijn herte.
Hoor, ergens is een mensch die zingt,
de wereld ingezworven;
maar een die zingend voor mij ging
ligt in mijn herte gestorven.
O, liefste, die hem zingen deed –
o, bloeiend geheim van de zoden –
mij dwingt een leed, dat ik niet weet,
met vreemde geboden,
en ik heb geen lied, dan de bloemen, die
bloeien uit graven der dooden.
A. Roland Holst

Vergankelijkheid
I
Waar ’t najaar ritselt door de schemering
daar vonden zij elkaar, en mijmrend stonden
zij hart aan hart, tot hij zijn hoofd neerhing
naar haar geheven weemoed – en toen vonden
de roode droefenissen van hun monden
elkaar, bedwelmend, in één duizeling…
Eindelijk weken uit die duizeling
langzaam de droefenissen van hun monden;
hij hief zijn hoofd, haar weemoed neeg, elk ging
eenzaam weer heen, en waar ze elkander vonden,
en waar zij, hart aan hart, mond aan mond, stonden,
ritselt het najaar door de schemering.
II
En vormen kwijnen en de kleuren dooven
en gaan in aarde’s donkere stilten onder;
en waar zij dalen stijgt het nieuwe wonder
van kleure’ en vorme’ in onderling gelooven.
En eens zal uit de rust der sombre puinen
een toekomst huizen van verlangen wekken;
en handen, die zich nu in wanhoop strekken,
zullen eens bloemen zijn in stille tuinen.
Maar zijn van hen die stierven niet de zangen
altijd in ’t waaien van de schemeringen?
en hoort gij niet hun oude stemmen zingen
het woordenlooze bed van ons verlangen?
En hoor: diep in den nacht het dreunend breken
der golven waar de duistre wacht der rotsen
staat; luister: ’t is hun heerschzucht en hun trots en
hun droom, gebroken tot een uiterst smeeken.
Luister, en neig uw hoofd, en sluit uw oogen,
en laat de scheemring waaien om uw luistren,
en laat de wereld om uw neigen duistren,
en spreek geen woord, en luister onbewogen.
Geen woord, want alle woorden zijn gesproken
en allen zijn verzonken in het zwijgen;
alleen de wind bleef waaien, en het eigen
verlangen hoort gij in zijn zang, gebroken.
III
Ik weet de dagen niet van hen die leven
in windgesloten huize’ en samen sterven,
maar laten allen die hierbuiten zwerven
elkaar, voorbijgaand, milde laafnis geven.
’t Was soms zoo zoet een wijl niet meer te voelen
het waaien langs mijn lippe’ en door mijn haren,
omdat mijn lippen diep in haren waren
en in mijn haren handen bleven woelen.
En wie zoo stonde’ en later zich verloren
omdat hun harten als verdoolde dingen
waren van waaien en van schemeringen,
zullen elkanders adem niet meer hooren,
dan in den wind, want wie naar hem leert luistren
hoort de geheimen van het duister zwijgen;
uit de asch der tijden hoort hij tot zijn neigen
gloeiende lippen de oude lusten fluistren.
O, laten wij die zwerve’ elkander laven
en dan voorbijgaan en ons niet meer wenden,
en sparen wij elkaar de dwaze ellenden
van hen die vrage’ om onverwelkbre gaven.
Want eens moet elk van ons, verlaten, stijgen
die laatste steilte, tot hij diep beneden
de donkre waatren ziet, en hoort den breeden
dreunenden aanvang van dat maatloos zwijgen.
IV
Ik sliep tot ik ontwaakte in dezen droom:
Het was een tuin aan een stil eind der aarde.
Een avond was er vroeger in het dalen
gebleve’ en ’t was of in die oude stralen
eindlijk de stilte haar geheim verklaarde.
En er was ook een vijver waar de laatste
rimpeling lang geleden was verdwenen;
en er was een gevoel of lang al henen
het water een bemind gelaat weerkaatste.
En geen verlangen was daar meer, wel even
een weemoed, die alleen was te verklaren
omdat zooveel dingen verloren waren
ergens en ver in een vergeten leven.
Want eeuwen stierven daar en werden droomen
sinds ik en zij die ik bezong bestonden –
waar was de laatste kus van onze monden?
waar is het blad van langgevelde boomen?
Waar was haar lachen en waar was mijn zingen
dier lentedagen toen wij samen waren?
twee van de ontelbaar wervelende blaren
in verre ritselende schemeringen?
Verloren, weggewaaid, heen en vergeten
ver in de luide wereld waar wij zwierven
en lang geleden elkaar minde’ en dierven…
En in dien avond groeide dit vreemd weten:
Dat – toen zij wit en roerloos is geworden
en zonder adem, en men haar in de aarde
verborg, en al de bladeren der gaarde
over haar laatste stilte woeie’ en dorden –
haar lichaam niet zooals alle andre golven
van ’t leven is gebroken in het leven,
maar van de wereldkust is heengedreven
over de zeeën en niet is bedolven,
maar uitvloeide als een langzame en vermoeide
golf aan een verre kust en is gedronken
door ’t warme zand en er diep is verzonken,
wijl ’t ander water in de zee weervloeide.
En later, niet ver van de zanden waar de
vloei van haar leven zonk, gebeurde ’t wonder:
langzaam en stil en dag aan dag ontstond er
die vreemde tuin aan dat stil eind der aarde.
Haar lichaam werd die tuin, ’t licht van haar oogen
glanst in den vijver, en de late weelde
van zongloed is heur haar dat ik eens streelde –
en zon en vijver blijven onbewogen.
Zoo heb ik dit geweten in mijn droomen,
en daarom zal die tuin er zijn, eens, later –
want droomen zijn op slapend levenswater
rimpeling van een golving die gaat komen.
Er zullen enkle hooge bloemen zijn en
een stilte alsof verborgen open oogen
ons aanzien en waarin ons de onbewogen
bloemen als zichtbare geheimen schijnen.
En soms zal uit het verre luide leven
een man daar komen en de stilte hooren;
hij zal een zwervend mensch zijn, en geboren
uit wat er dan van mij nog is gebleven –
het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als ’t eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.
En zelve zal hij nooit ten volle weten
waarom hij daar komt en er staat te wachten,
want onze liefde en ons verzworven smachten
zijn in zijn wereld dan al lang vergeten.
Maar soms zal hem de vreemde, nooit verklaarde
stem van den wind roepen, en hij zal komen,
tot hij blijft staan waar ik stond in mijn droomen,
daar in die tuin aan een stil eind der aarde.
A. Roland Holst
DE VLUCHTELING
O, vluchten wil ik nu naar huis
geen prikkeldraad houdt mij nog op
Vlieg, hart van mij, want ik ben vrij
Want over land en over zee wil ik naar huis,
Want over land en over zee wil ik naar huis.
Geef mij toch brood want het is ver.
En ver zal ik nog moeten gaan.
Over het strand, bergen en land
Zo vlucht ik verder, want ik wil zo graag naar huis
Zo vlucht ik verder, want ik wil zo graag naar huis.
O Christen mensen, hoort mij aan.
Gelooft, ik ben geen moordenaar.
Weest niet beducht, ik ben gevlucht
Omdat, omdat ik nimmer mensen doden kon,
Omdat, omdat ik nimmer mensen doden kon.
Altijd wordt op hem gejaagd.
Altijd vindt hij schrik en vrees.
Waar hij ook gaat, overal haat.
O mensen, hoedt u voor de man, hij is gevlucht.
O mensen, hoedt u voor de man, hij is ontvlucht.
O, nooit was iemand zo alleen.
Alleen in het land van Bertolt Brecht.
Hij geeft het op, hem wacht de strop.
Ook nu, ook nu heeft de SS het laatste woord.
Ook nu, ook nu heeft de SS het laatste woord.
Javocos Kambanelis
Vertaling Lennart Nijgh
Αλέξανδρε ( Όταν χτυπήσεις δυο φορές )
Παιδιά σηκωθείτε να βγούμε στους δρόμους
γυναίκες και άνδρες με όπλα στους ώμους
στο τίμιο λάβαρο πάντα πιστοί
στη σάλπιγγα πλάι που μας προσκαλεί
Όταν χτυπήσεις δυο φορές
ύστερα τρεις και πάλι δυο
Αλέξανδρέ μου
Θα ρθω για να σ’ ανοίξω Θα σουχω φαγητό ζεστό
Θα σου `χω ρούχο καθαρό
Γωνιά για να σε κρύψω
Παιδιά σηκωθείτε να βγούμε στους δρόμους
γυναίκες και άνδρες με όπλα στους ώμους
στο τίμιο λάβαρο πάντα πιστοί
στη σάλπιγγα πλάι που μας προσκαλεί
Όταν χτυπήσεις δυο φορές
ύστερα τρεις και πάλι δυο
Αλέξανδρέ μου
Θα δω το πρόσωπό σου
Στα μάτια κρύβεις δυο φωτιές
στα στήθη σου χίλιες καρδιές
μετράνε τον καημό σου
Παιδιά σηκωθείτε να βγούμε στους δρόμους
γυναίκες και άνδρες με όπλα στους ώμους
στο τίμιο λάβαρο πάντα πιστοί
στη σάλπιγγα πλάι που μας προσκαλεί
Όταν χτυπήσεις δυο φορές
ύστερα τρεις και πάλι δυο
Αλέξανδρέ μου
σκέφτομαι το φευγιό σου
Σε βλέπω σε κελί στενό
να σέρνεις πρώτος το χορό
πάνω στο θάνατό σου
Mikis Theodorakis – liederen
Alexander (When you knock twice)
Children rise to flood the streets
women and men with guns on their shoulders
at the sacred pennon(national flag) forever faithful
towards the trumpet that is inviting us
When you knock twice
then three and again twice
My Alexander
I will come to open the door
I will have for you warm food
I will have for you clean clothes
A hiding hole to hide you away
Children rise to flood the streets
women and men with guns on their shoulders
at the sacred pennon(national flag) forever faithful
towards the trumpet that is inviting us
When you knock twice
then three and again twice
My Alexander
I shall see your face
In your eyes you hide two fires
in your breasts a thousand hearts
that count your sorrows
Children rise to flood the streets
women and men with guns on their shoulders
at the sacred pennon(national flag) forever faithful
towards the trumpet that is inviting us
When you knock twice
then three and again twice
My Alexander
I am thinking of your escape
I can see you in a narrow cell
to start first the dance
for your impending death.
Het Leven
Ik stond toen in mijmerij
aan het scheemrende strand van de zee –
de wereld was achter mij,
en de zon zonk voor mij naar zee –
en tusschen de zon en mij
zong de groote zang van de zee.
Er kwamen toen mannen aan
en zij maakten muziek in een rij –
er kwamen ook kinderen aan,
die dansten er huppelend bij –
En ik hoorde de maat van het lied,
die was niet droef en niet blij
want eentonige lach en verdriet
dansten er zij aan zij.
O, dat was de vreemde mineur
van het eeuwige scheemrende wee –
en blij met die droeve mineur
dansten de kinderen mee –
en langzaam verging alle kleur
want de zon zonk in zee.
Toen stierf ook de melodij
en de dans in de schemering mee –
ineens leek het jaren voorbij
dat lied en die dans bij de zee –
o, mijn woelende mijmerij
bij het ruischen dier eeuwige vrêe
en de wereld was achter mij
en de zon zonk weg in de zee –
en tusschen haar graf en mij
zong de groote stem van de zee.
A. Roland Holst
In Memoriam P.v.E.
Voor zijne Moeder
Wat weten wij van nu tot aan dit sterven
dan dat de bloemen welken in de gaarde –
dan dat we elkander in de donkere aarde
neerleggen, eenzaam – en weer verder zwerven?
Wat weten wij dan dat hij witte bloemen
gevraagd heeft toen hij wit en stil ging worden –
omdat de rozen van zijn bloed verdorden?
omdat geen stem zijn vrede meer kon noemen?
O, vreemd vermoeden, dit: te zijn vergeten
het wonder dat zijn sterven kwam behoeden –
wat weten wij dan dat ons schoonst vermoeden
schoon is omdat wij nimmer kunnen weten.
En is dit verward zien, en dit gebroken
tumult van stemmen in het luide, leege,
iets bij het lied waarvan zijn lippen zwegen?
iets bij het licht waarvoor zijn oogen loken?
En toen de lelie van zijn witte zwijgen
door stilte’s handen is omhoog genomen,
wisten wij hem voorbij ons verste droomen
voorgoed, en hoog boven ons duister zwijgen.
Achter zijn rusten stond het venster open
naar stille dennen en een ijlen hemel,
en er was geen geluid meer, geen gewemel
van kleuren, en geen leed meer, en geen hopen –
Neen, niets meer dan zijn stilte waar wij zwegen
en hand in hand naar de ijle hemel zagen,
tot wij nog eenmaal uit het licht der dagen
ons naar de schemer van zijn stilte negen.
A. Roland Holst
Zu einer Totenfeier für Arnold Böcklin
Nun schweig, Musik! Nun ist die Szene mein,
Und ich will klagen, denn mir steht es zu!
Von dieser Zeiten Jugend fließt der Saft
In mir; und er, des Standbild auf mich blickt,
War meiner Seele so geliebter Freund!
Und dieses Guten hab ich sehr bedurft,
Denn Finsternis ist viel in dieser Zeit,
Und wie der Schwan, ein selig schwimmend Tier,
Aus der Najade triefend weißen Händen
Sich seine Nahrung küßt, so bog ich mich
In dunklen Stunden über seine Hände
Um meiner Seele Nahrung: tiefen Traum.
Schmück ich dein Bild mit Zweig und Blüten nur?
Und du hast mir das Bild der Welt geschmückt
Und aller Blütenzweige Lieblichkeit
Mit einem solchen Glanze überhöht,
Daß ich mich trunken an den Boden warf
Und jauchzend fühlte, wie sie ihr Gewand
Mir sinken ließ, die leuchtende Natur!
Hör mich, mein Freund! Ich will nicht Herolde
Aussenden, daß sie deinen Namen schrein
In die vier Winde, wie wenn Könige sterben:
Ein König läßt dem Erben seinen Reif
Und einem Grabstein seines Namens Schall.
Doch du warst solch ein großer Zauberer,
Dein Sichtbares ging fort, doch weiß ich nicht,
Was da und dort nicht alles von dir bleibt,[55]
Mit heimlicher fortlebender Gewalt
Sich dunklen Auges aus der nächtigen Flut
Zum Ufer hebt – oder sein haarig Ohr
Hinter dem Efeu horchend reckt,
drum will ich
Nie glauben, daß ich irgendwo allein bin,
Wo Bäume oder Blumen sind, ja selbst
Nur schweigendes Gestein und kleine Wölkchen
Unter dem Himmel sind: leicht daß ein Etwas,
Durchsichtiger als Ariel, mir im Rücken
Hingaukelt, denn ich weiß: geheimnisvoll
War zwischen dir und mancher Kreatur
Ein Bund geknüpft, ja! und des Frühlings Au,
Siehe, sie lachte dir so wie ein Weib
Den anlacht, dem sie in der Nacht sich gab!
Ich meint um dich zu klagen, und mein Mund
Schwillt an von trunkenem und freudigem Wort:
Drum ziemt mir nun nicht länger hier zu stehen.
Ich will den Stab dreimal zu Boden stoßen
Und dies Gezelt mit Traumgestalten füllen.
Die will ich mit der Last der Traurigkeit
So überbürden, daß sie schwankend gehn,
Damit ein jeder weinen mag und fühlen:
Wie große Schwermut allem unsern Tun
Ist beigemengt.
Es weise euch ein Spiel
Das Spiegelbild der bangen, dunklen Stunde,
Und großen Meisters trauervollen Preis
Vernehmet nun aus schattenhaftem Munde!
Hugo von Hofmannsthal
Auf den Tod des Schauspielers Hermann Müller
Dies Haus und wir, wir dienen einer Kunst,
Die jeden tiefen Schmerz erquicklich macht
Und schmackhaft auch den Tod.
Und er, den wir uns vor die Seele rufen,
Es war so stark! Sein Leib war so begabt,
Sich zu verwandeln, daß es schien, kein Netz
Vermöchte ihn zu fangen! Welch ein Wesen!
Er machte sich durchsichtig, ließ das Weiße
Von seinem Aug die tiefste Heimlichkeit,
Die in ihm schlief, verraten, atmete
Die Seele der erdichteten Geschöpfe
Wie Rauch in sich und trieb sie durch die Poren
Von seinem Leib ans Tageslicht zurück.
Er schuf sich um und um, da quollen Wesen
Hervor, kaum menschlich, aber so lebendig –
Das Aug bejahte sie, ob nie zuvor
Dergleichen es geschaut: ein einzig Blinzeln,
Ein Atemholen zeugte, daß sie waren
Und noch vom Mutterleib der Erde dampften!
Und Menschen! Schließt die Augen, denkt zurück!
Bald üppige Leiber, drin nur noch im Winkel
Des Augs ein letztes Fünkchen Seele glost,
Bald Seelen, die um sich, nur sich zum Dienst
Ein durchsichtig Gehäus, den Leib, erbauen:
Gemeine Menschen, finstre Menschen, Könige,
Menschen zum Lachen, Menschen zum Erschaudern –
Er schuf sich um und um: da standen sie.
Doch wenn das Spiel verlosch und sich der Vorhang
Lautlos wie ein geschminktes Augenlid
Vor die erstorbne Zauberhöhle legte
Und er hinaustrat, da war eine Bühne
So vor ihm aufgetan wie ein auf ewig
Schlafloses aufgerißnes Aug, daran
Kein Vorhang je mitleidig niedersinkt:
Die fürchterliche Bühne Wirklichkeit.
Da fielen der Verwandlung Künste alle
Von ihm, und seine arme Seele ging
Ganz hüllenlos und sah aus Kindesaugen.
Da war er in ein unerbittlich Spiel
Verstrickt, unwissend, wie ihm dies geschah;
Ein jeder Schritt ein tiefrer als der frühere
Und unerbittlich jedes stumme Zeichen:
Das Angesicht der Nacht war mit im Bund,
Der Wind im Bund, der sanfte Frühlingswind,
Und alle gegen ihn! Nicht den gemeinen,
Den zarten Seelen stellt das dunkle Schicksal
Fallstricke dieser Art. Dann kam ein Tag,
Da hob er sich, und sein gequältes Auge
Erfüllte sich mit Ahnung und mit Traum,
Und festen Griffs, wie einen schweren Mantel,
Warf er das Leben ab und achtete
Nicht mehr, denn Staub an seines Mantels Saum,
Die nun in nichts zerfallenden Gestalten.
So denkt ihn. Laßt ehrwürdige Musik
Ihn vor euch rufen, ahnet sein Geschick,
Und mich laßt schweigen, denn hier ist die Grenze,
Wo Ehrfurcht mir das Wort im Mund zerbricht.
Hugo von Hofmannsthal
Het Eiland der Beminden
De harpen slaan, en vangen aan bijzijden
de reien der nu zingende beminden
te ruischen, en een zaligend verblinden
waait, en het bloed
wordt als een zee bevlogen, en de vloed
der dans breekt in het schuim van ijl verblijden.
Zie, de verrukten – zie, de nameloozen,
o, hart, dat nooit van de aarde dorst ontkomen;
zij hebben eenmaal roekeloos der droomen
noodweer getart,
en ingescheept op een ontredderd hart
zingende naar dit eiland zee gekozen.
O, de vergeten eeuwen na die landing…
wat zijn zij in de glinsterende tijden
van de verrukkingen, van het verblijden,
dat dezen bindt?
Hoor, achter hen, ergens in licht en wind,
jubelt de dood nog… hoor, de heldre branding…
A. Roland Holst
Voorzang
I
Het najaar waait de duisterende landen
regenend over, en oneindig groot
zijn de verlatenheden van den dood.
Bleek schuimt de zee over de lage stranden.
En aan het raam, denkend aan al wat vlood,
hoor ik de klacht dier eeuwen om mijn wanden.
De laatste daad viel uit mijn moede handen:
ik zie hen bleek en roerloos in mijn schoot.
Laten wij niet meer hopen, laten wij
nimmermeer smeeken, en o, niet meer smaden –
Dit is het eind, het duisterend getij
van lage wolken en de storm der bladen.
Uit onze handen zijn de laatste daden
gevallen, en de regen waait voorbij.
II
Dwazen, die duur van aardsch geluk bedongen,
dat zingend op geen sterven zich bezint:
waar het nu ritselt, daar werd eens bemind,
waar nu de raaf krast werd eenmaal gezongen.
Wij bouwen, tot het woord ons wordt ontwrongen:
de steden staan op graven in den wind.
En als vergeefschheid zich bevestigd vindt
moet nog de dood ons worden opgedrongen.
Maar wat dan van den droom? Duizenden zwerven
voorbij de wegen naar de bronzen poorten
van gindschen steilen nooit ontsloten tempel.
Doch daar ook waait de wind en heerscht het sterven,
en harten, eenmaal ruischend van geboorten,
ritselen schuw daar over duistren drempel.
III
De zilvren wind waait door den open nacht
golvend en als een zee: de schuimen slaan
op, waar de gouden duizeling blijft staan
der maan in ’t deinzen van der sterren wacht.
En de aarde is leeggewaaid, naakt en veracht
teruggeworpen als een oude waan;
tusschen haar leegten en de ronde maan
waaien nog schaduwen in schuwe jacht.
Want wervelende werd van overal
zaad en het leven weggewaaid naar ’t hoog en
stralend ijseinde, en nu – oneindigheid –
is er geen ding meer in dit koud heelal
dan maan en wind en mijn wijd open oogen
duizelende langs steilten van den tijd.
IV
Ik, die geboren ben
uit uwen schoot,
voel mij verkoren en
klaar tot uw dood.
’t Eind van mijn zwerven zal
zijn als ik sterven zal
weer in uw schoot.
Maar is mijn zwerven niet
zingen naar U?
is al mijn derven niet
winnen van U?
’t Einde der dingen is
eeuwig. – Mijn zingen is
sterven in U.
Roland Holst

Jeugd
I
Fragmenten
Zooals een vrouw, die hevig mint zich geeft
Zooals een vrouw, die hevig mint zich geeft
in gloeiende overgaaf van lijf en ziel
aan hem, die kwam als antwoord van haar droom,
zoo geeft ook elke dag als hij gewekt
rijst uit de slapen van het toekomst-zijn
aan die hem wekte gansch zijn levensvuur,
en gaat de tijd steeds als een minnaar voort,
die in zijn grootheid wel verlaten moet
wie van zijn liefde leefde, maar hij voert
de krachten die hij wegnam met zich mee –
en elke dag, die zoo verleden werd,
weet dat zijn levensvuur blijft voortbestaan
als deel van hem aan wien hij alles gaf,
en sterft gelukkig, zegenend den naam
van wien uit droom hem wekte tot den dood.
Gelijk de tijd op trotsveerende schreden
het hooggeheven lijf door vuur omgloord
als vorst gaat door het rijk der eeuwigheid,
en nevels scheuren voor zijn gloedvol licht,
en steeds in ’t voortgaan hij de krachten neemt
van door zijn zonlicht leeggebrande dagen,
zoo ging ook Erik’s geest met hoogen tred
door de eerste grensgebieden van het rijk,
waarover hij geboren heerscher was,
en dat, hoewel nog nevelenomhuld,
hij voelde groot te zijn, en ruim, en hoog,
want zwel end woeien winden langs hem heen
vol van de wijdruischende ruimtezang,
en als zij kwamen uit het nevelrijk
dat voor zijn tocht lag, en nog immer niet
zich aan hem openbaarde, voelde hij
in ’t volle, ruime van dien ademtocht
dat wat hij binnenging wel groot moest zijn
en vol van leven dat hij nog niet wist.
En steeds vroeg hij den dag, lichtende rijzend
uit nevels die zijn voortgang scheuren deed,
of hij gezien had wat daar verder was,
en of ooit bij één zon zichtbaar zou zijn
dood en de wereld van zijn menschbestaan,
of ooit een dag zou rijzen bij zijn komst
die hem zou toonen in één val van licht
wat in die raadseldichte neev’len was. –
Maar al de dagen die hij zag en vroeg
wisten geen antwoord. –
A. Roland Holst
Des alten Mannes Sehnsucht nach dem Sommer
Wenn endlich Juli würde anstatt März,
Nichts hielte mich, ich nähme einen Rand,
Zu Pferd, zu Wagen oder mit der Bahn
Käm ich hinaus ins schöne Hügelland.
Da stünden Gruppen großer Bäume nah,
Platanen, Rüster, Ahorn oder Eiche:
Wie lang ists, daß ich keine solchen sah!
Da stiege ich vom Pferde oder riefe
Dem Kutscher: Halt! und ginge ohne Ziel
Nach vorwärts in des Sommerlandes Tiefe.
Und unter solchen Bäumen ruht ich aus;
In deren Wipfel wäre Tag und Nacht
Zugleich, und nicht so wie in diesem Haus,
Wo Tage manchmal öd sind wie die Nacht
Und Nächte fahl und lauernd wie der Tag.
Dort wäre alles Leben, Glanz und Pracht.
Und aus dem Schatten in des Abendlichts
Beglückung tret ich, und ein Hauch weht hin,
Doch nirgend flüsterts: »Alles dies ist nichts.«
Das Tal wird dunkel, und wo Häuser sind,
Sind Lichter, und das Dunkel weht mich an,
Doch nicht vom Sterben spricht der nächtige Wind;
Ich gehe übern Friedhof hin und sehe
Nur Blumen sich im letzten Scheine wiegen,
Von gar nichts anderm fühl ich eine Nähe.
Und zwischen Haselsträuchern, die schon düstern,
Fließt Wasser hin, und wie ein Kind, so lausch ich
Und höre kein »Dies ist vergeblich« flüstern!
Da ziehe ich mich hurtig aus und springe
Hinein, und wie ich dann den Kopf erhebe,
Ist Mond, indes ich mit dem Bächlein ringe.
Halb heb ich mich aus der eiskalten Welle,
Und einen glatten Kieselstein ins Land
Weit schleudernd, steh ich in der Mondeshelle.
Und auf das mondbeglänzte Sommerland
Fällt weit ein Schatten: dieser, der so traurig
Hier nickt, hier hinterm Kissen an der Wand?
So trüb und traurig, der halb aufrecht kauert
Vor Tag und böse in das Frühlicht starrt
Und weiß, daß auf uns beide etwas lauert?
Er, den der böse Wind in diesem März
So quält, daß er die Nächte nie sich legt,
Gekrampft die schwarzen Hände auf sein Herz?
Ach, wo ist Juli und das Sommerland!
Hugo von Hofmannsthal
De kleine waterplek
Soms ga ik al vermoeden, dat de zee
omdat zij sterk verschijnt – wel mijn heel leven
de onstuimige waarheid blijven zal, waarmee
ik hier de wereld kan weerstreven
bij tij en ontij, maar dat ik ten laatste
het wezen van den grooten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zoo stil den wilden avondval weerkaatste.
A. Roland Holst
Een ochtend
Gouden windstilte van den tijd…
Werd eindlijk tusschen dood en leven
de lange veete van het sterven opgeheven?
O, wereld, onbegrijpelijk herleid
tot dit verhemeld vergezicht…
Wat is er dieper dan het licht
en geheimzinniger dan helderheid –
De afgrond des lichaams niet, noch welk verborgen oord
der ziel ook, noch de geest, die door geboorte of val
trotsch en rampzalig de onderwereld toebehoort
en de neerslachtigen beheerschen zal;
noch de neerslachtigen, die van hun lot
hem als de god
eeren gebukt, in oproer haten, overgloord
van den brandgloed, dien hij het licht ontstal.
Van dezen geen. Maar wel ten allen tijd
uit de’ ongelijken strijd
de oogopslag van den eenzame –
o, blik,
heilige wond, die niet te heelen is,
in dit zwaar vleesch, stalende bres –
tot met een snik
heimwee, het ontoereikende, ten hemel schreit.
Roland Holst
Nog te jong
(Naar Victor Hugo)
Een aardig meisje zong. Met uitgeteerde wang
Lag, in het naast vertrek, de moeder op haar sponde,
En sloeg ter dood benauwd een hollen blik in ’t ronde.
Wij zaten bij dat bed en hoorden dat gezang.
Het kind was vijf jaar oud. Het zong zo lief. Wij moesten
Wel luistren, dat de kranke ’t zag.
Het meisje zong de ganse dag;
Zij lag de ganse nacht te hoesten.
Sinds gistren dekt het graf haar lief en schoon gelaat.
Het meisje zingt reeds weer. En waarom zou het zwijgen?
De droefheid is een vrucht, die God niet groeien laat
Aan nog te tere twijgen.
Nicolaas Beets
Goden en zangers
Peinzend en brandend zijn de eenzamen
over de duistrende wereld verschenen;
langs de banen, die zij namen
waait het nog, en verder henen
stormt en daalt hun avondrood.
De enkelen, die hen herkenden,
hooren de wouden nog ruischen, en dwalen
westwaarts, bannend eigen ellenden
in dier grooteren verhalen
van weedom en trots en dood.
A. Roland Holst
Sünde des Lebens
Wie die Lieder wirbelnd erklingen!
Wie sie fiedeln, zwitschern und singen!
Wie aus den Blicken die Funken springen!
Wie sich die Glücklichen liebend umschlingen!
Jauchzend und schrankenlos,
Sorglos, gedankenlos
Dreht sich der Reigen,
Der Lebensreigen. –
Ich muß schweigen,
Kann mich nicht freuen,
Mir ist so angst …
Finster am Bergesrand
Wandelt die Wolke,
Hebt sich des Herren Hand
Dräuend dem Volke:
Und meine Augen, sie sehens alleine,
Und meine Sorgen verstehens alleine …
Es fiel auf mich in der schweigenden Nacht,
Und es läßt mich nicht los,
Wie dumpfer hallender Glockenlaut,
Es folgt mir durch die Frühlingspracht,
Ich hör es durch der Wellen Getos:
Ich habe den Frevel des Lebens geschaut!
Ich sah den Todeskeim, der aus dem Leben sprießt,
Das Meer von Schuld, das aus dem Leben fließt,
Ich sah die Fluten der Sünden branden,
Die wir ahnungslos begehen,
Weil wir andere nicht verstanden,
Weil uns andere nicht verstehen.
O flöge mein Wort von Haus zu Haus,
Dröhnend wie eherne Becken,
Gellend durch das Alltagsgebraus,
Die Welt aus dem Taumel zu wecken,
Mit bebendem Halle
Zu fragen euch alle:
Dichter im Lorbeerkranz,
Betrogner Betrüger,
Wärmt dich dein Ruhmesglanz,
Macht er dich klüger?!
Deuten willst du das dämmernde Leben,
Im Herzen erlösen das träumende Streben?
Kannst du denn noch verstehen,
Was du selber gestern gedacht,
Kannst du noch einmal fühlen
Den Traum der letzten Nacht?
Wenn deine Seele weinet,
Weißt du denn auch warum?
Dir ahnt und dünkt und scheinet, –
Oh, bleibe lieber stumm.
Denn was dein Geist, von Glut durchzuckt, gebar,
Eh dus gestaltet, ists schon nicht mehr wahr.
Es ward dir fremd, du kannst es nicht mehr halten,
Kennst nicht seine tötenden Gewalten:
Endlose Kreise
Ziehet das leise
Unsterbliche Wort,
Fort und fort.
Wie es tausendfach gedeutet
Irrlichtgleich die Welt verleitet,
Schmeichelnd die Seelen betöret,
Tobend die Seelen zerstöret,
Ewig seine Form vertauschend,
Durch die Zeiten vorwärtsrauschend,
Nachempfunden, nachgehallt,
Seellos wogt und weiterwallt,
Ewig unverstanden taumelt,
Ruh- und friedlos immerzu,
Deines Geists verfluchtes Kind,
Unsterblich wie du!
Gatte der jungen Frau,
Hast du es auch bedacht,
Als um dich liebelau
Rauschte die erste Nacht,
Als du sie glühend an dich drücktest,
Daß du vielleicht ihre Seele ersticktest?
Daß vielleicht, was in ihr schlief,
Nach einem Andern angstvoll rief,
Um dens ihr unbezwinglich bangte,
Nach dem ihr ganzes Sein verlangte?
Daß dein Umfangen vielleicht ein Zerbrechen,
Daß dein Recht vielleicht ein Verbrechen? …
Nimm dich in acht!
Seltsame Kreise
Spinnen sich leise
Aus klagenden Augen
Und sie saugen
An deinem Glück!
Einen Andern
Hätten die Kreise
Golden umgeben,
Kraft ihm entzündend,
Liebe verkündend;
Dich aber quälen sie,
Schweigend erzählen sie
Dir von Entbehrung,
Die du verschuldet hast,
Dir von Entehrung,
Die du geduldet hast,
Und von Wünschen, unerfüllbar,
Und von Sehnsucht, die unstillbar
Ihr betrognes Herz durchbebt,
Wie die Ahnung des Verlornen,
Die um blasse Kinderwangen
Und um frühverwelkte Blumen
Traurig und verklärend webt.
Reicher im goldnen Haus,
Fühlst du kein Schauern?
Dringt nicht ein Stimmgebraus
Dumpf durch die Mauern?
Die da draußen frierend lungern,
Dich zu berauschen, müssen sie hungern,
Ihre gierigen Blicke suchen dich,
Ihre blassen Lippen verfluchen dich,
Und ihr Hirn mit dumpfem, dröhnendem Schlag,
Das schmiedet, das schmiedet den kommenden Tag.
Priester, du willst die Seele erkennen,
Willst Gesundes vom Kranken trennen,
Irrt dein Sinn oder lügt dein Mund?
Was ist krank?! Was ist gesund?!
Richter, eh du den Stab gebrochen,
Hat keine Stimme in dir gesprochen:
Ist das Gute denn nicht schlecht?
Ist das Unrecht denn nicht Recht?
Mensch, eh du einen Glauben verwarfst,
Weißt du denn auch, ob du es darfst?
Wärest du tief genug nur gedrungen,
Wär dir derselbe Quell nicht entsprungen?
Keiner ahnet, was er verbricht,
Keiner die Schuld und keiner die Pflicht.
Darfst du leben, wenn jeder Schritt[105]
Tausend fremde Leben zertritt,
Wenn du nicht denken kannst, nichts erspüren,
Ohne zu lügen, zu verführen!
Wenn dein bloßes Träumen Macht ist,
Wenn dein bloßes Leben Schlacht ist,
Dunkles Verderben dein dunkles Streben,
Dir selbst verborgen, so Nehmen wie Geben!
Darfst du sagen »Ich sehe«?
Dich rühmen »Ich verstehe«?
Dem Irrtum wehren,
Rätsel klären,
Du selber Rätsel,
Dir selber Rätsel,
Ewig ungelöst?!
Mensch!
Verlornes Licht im Raum,
Traum in einem tollen Traum,
Losgerissen und doch gekettet,
Vielleicht verdammt, vielleicht gerettet,
Vielleicht des Weltenwillens Ziel,
Vielleicht der Weltenlaune Spiel,
Vielleicht unvergänglich, vielleicht ein Spott,
Vielleicht ein Tier, vielleicht ein Gott.
– – – – – – – – – – – – – – –
Wohl mir, mein müder Geist
Wird wieder Staub,
Wird, wie der Weltlauf kreist,
Wurzel und Laub;
Wird sich keimenden Daseins freuen,
Frühlingstriebe still erneuen,
Saftige Früchte zur Erde streuen;
Freilich, sein spreitendes Dach zu belauben,
Wird er andern die Säfte rauben,
Andern stehlen Leben und Lust:
Wohl mir, er frevelt unbewußt!
Hugo von Hofmannsthal
Najaar
De nacht vaart door de roepende kruinen heen
zwaar en onheuchelijk; ik loop beneden.
Sinds gistren is het een leven geleden
dat de zomer verdween.
Ik denk aan al wat heerschte en ziende blind
wervelend her, der, werd uiteengedwereld:
de woestheid en de moeheid dezer wereld,
aan eeuwen, aan den wind,
steden en tronen die niet meer bestaan,
aan koningen, die uit een westwaarts vluchten
omzagen naar een brandgloed in de luchten,
puinen, de wilde maan,
die boven ’t onheil uitwaait en verdwijnt,
aan het teloorgaan, vreemd, gelijk de wolken
en spoorloos, van de droombevlogen volken,
aan der werelden eind –
dat eind ook, dat zich nu voorzeggen laat:
een bleek, elkander overweer aanklagen
van deze menigten in hun versagen
onder de in aantocht blinkende voorvlagen
van einde’s dageraad…
en aan een oud verhaal, dat ik nog weet
van haar en mij… aan liefde en dood en droomen…
ons allen op het noodlot meegenomen
van de sombere planeet.
Adriaan Roland Holst
HOOGLIED
O, mijn liefde is zoeter dan honing is,
Zoals een bloem het zonlicht het liefste is.
Zo lief is hij mij, die mijn koning is.
Ik heb hem lief, maar niemand weet dat hij mijn liefste is,
Ik heb hem lief, maar niemand weet dat hij mijn liefste is,
Ik heb hem lief maar er is niemand die dit weet.
Ik heb hem lief.
O meisjes van Auschwitz, oh meisjes van Dachau,
Vertel me toch waar m’n liefste is,
Vertel me toch, waar m’n liefste is,
Vertel me toch, waar hij is.
Ik heb hem lief.
We hebben hem vandaag voorbij zien komen.
Van waar hij kwam kan hij nog dromen
Maar niemand weet waarheen hij gaan zal.
O, mijn liefde die alles verwarmen kan.
Zoals zijn hoofd rust in mijn linkerhand.
Zoals zijn rechter mij omarmen kan.
Ik heb hem lief, maar niemand weet dat hij mijn liefste is,
Ik heb hem lief, maar niemand weet dat hij mijn liefste is,
Ik heb hem lief maar er is niemand die dit weet.
Ik heb hem lief.
O meisjes van Mauthausen, oh meisjes van Belsen,
Vertel me toch waar m’n liefste is,
Vertel me toch, waar m’n liefste is,
Vertel me toch, waar hij is.
Ik heb hem lief.
We hebben hem een gele ster zien dragen.
Hij kreeg hier geen antwoord op zijn vragen.
En nooit zal hij hier een antwoord krijgen.
O, mijn liefde die alles verwarmen kan.
Zoals zijn hoofd rust in mijn linkerhand.
Zoals zijn rechter mij omarmen kan.
Ik heb hem lief, maar niemand weet dat hij mijn liefste is,
Ik heb hem lief, maar niemand weet dat hij mijn liefste is,
Ik heb hem lief maar er is niemand die dit weet.
Ik heb hem lief.
Javocos Kambanelis
Vertaling Lennart Nijgh
Song Of Songs (English)
Beyond the bleak and frozen square,
above the yellow linen star,
no heart will ever beat again
because the beautiful have lost
their way to paradise.
All the whys have lost their reason,
Braves the will to flight.
If there is a God in heaven,
where was he, sleeping?
Oh, children of Auschwitz,1
oh, children of Dachau,2
oh, come tell me what became of love,
oh, come tell me what became of love,
oh, come tell me what became of love.
They journey past the land of no returning
where no one could imagine or endure
and there, love begged of God
to sleep no more.
Above the tortured, blackened valleys,
beyond the northern crimson sea,
no bird could ever sing again
because the bitter moon has wept away
the summer sun.
You can rake away the ashes,
but the deed is done.
If there is a God in heaven,
where was he, sleeping?
Oh, children of Mauthausen,
oh, children of Belsen,
oh, come tell me what became of love,
oh, come tell me what became of love
If there is a God in heaven,
where was he, sleeping?
Mikis Theodorakis – liederen

You Can’t Kill a Baby Twice
By the wastewaters of Sabra and Shatila,
there you transported human beings, respectable
quantities of human beings,
from the animal kingdom
to kingdom come.
Night after night.
First they shot
then hanged the lot,
the rest they butchered with knives.
Terror-struck women scrambled up, frantic,
on a mound of earth:
“They’re butchering us down there,
in Shatila.”
A thin tail of newborn moon was hanging
over the camps.
Our own soldiers lit up the place with searchlights
till it was bright as day.
“Back to the camp, marsch!” the soldier commanded
the shrieking women of Sabra and Shatila.
After all, he had his orders.
And the kids were already laid out in the fetid waters,
their mouths gaping,
at peace.
No one will harm them now.
You can’t kill a baby twice.
And the moon’s tail grew fuller and fuller
till it turned into a talent of gold
Those sweet soldiers of ours,
there was nothing in it for them.
Their one and only desire
was to come home in peace.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
Free Associating
What does she have to say?
What does she have to say?
What else does she have to say?
She’s got a perverted desire for suffering.
Well, in our country we have such lovely landscapes,
vineyards perched on the mountainside,
the shadow of clouds on the plain
and light
and a fenced-in plot of land;
and three rows of olive trees too,
uprooted as a punitive measure.
And three old women, their teeth rooted out.
Because of old age, of course, what else?
Violence isn’t everything.
Why, of all things, on a bright clear Shabbat,
a perfectly happy Shabbat,
does the memory of that man
have to sneak up again, the one they beat to death?
Ye shall not kill that man and his son both in one day.
The blot of a light cloud
has settled down over the plain.
In Zikhron Ya’akov, the vineyards are bursting
with the nectar of grapes.
Our storehouses are filled with grain
our wadis with water,
but turn over any stone
and out creeps a scorpion.
The Song of Nature.
And that Arab they beat to death.
Actually broke his body with their blows.
But not in Zikhron Yaakov
and not in Mazkeret Batya,
those sleepy old towns of the Baron de Rothschild
that blend so nicely into the landscape.
What does she have to say?
What does she have to say?
She’s just looking for ways to suffer,
to say a bad word.
She’s not one of us,
she can’t see what’s good and beautiful in life.
She won’t see us the way we are.
Anu banu artza:
We Came to Build the Land.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
Rectangular Picture in an Oval Frame
Mosya, my boy-uncle,
you must know I wouldn’t boast before you
nor act holier-than-thou.
I’m ill at ease with you
and it’s more than I can bear,
keeping you alive all by myself, seventy-eight years
after your death.
You are a picture hanging in an oval frame.
The frame maker had quite a time
fitting it around the retouched rectangular photo.
And now you are hanging in a prominent place
in my room.
On purpose, so I’ll be asked: Who’s that?
And many do ask: Is that your father?
And I give a practiced smart-aleck answer,
not at all spontaneous:
Why on earth my father?
He’s hardly even my uncle.
Which is to say: You died, struck down at a time when I
hadn’t yet appeared in your mind’s eye.
Maybe you’d have been too selfish (I’d rather say: touchy)
to take note of me even if you’d lived a long time
and had truly become my uncle, my love.
I think that only my father, two years your junior, loved you.
The rest found you an arrogant braggart
but do the rest matter?
Id rather have formed my own opinion
if you had only waited,
if you had managed to control the impulse
to self-destruct because of an aching mind.
Had you waited another fifteen years
you might have been steeled by my love,
the love of a baby girl
who grew and matured to a ripe old age
and still remembers you with loving-kindness
and tells who you are and what you were,
and most of all thinks that a man like you, at whatever age,
is a heartbreaker of a man.
Mosya, my uncle, nineteen, when he died heartbroken.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
ANTONIS
Er voert een stenen trap omlaag
Omlaag tussen stenen en doden.
De Wiener Graben wordt het graf
Van Partizanen en Joden.
Ze dragen de stenen op hun rug
De stenen waaraan ze bezwijken.
Uit deze hel keert niemand terug,
De levenden zijn hier al lijken.
Hier hoorde Antonis toen een stem
Waarop niemand antwoord kon geven.
O kameraad, oh kameraad,
Help mij hieruit ik wil leven.
Maar hier in de diepte van de mijn
Mag niemand om menselijkheid vragen.
Want medelijden wordt hier pijn,
Zwaarder dan steen om te dragen.
De Jood is gevallen in de mijn
en lag waar zovelen reeds lagen.
Antonis heeft zijn stem gehoord
En het dubbel gewicht toen gedragen.
Antonis is mijn naam ik draag
De last van degenen die vallen
Als je een man bent, kom omlaag
En draag deze last met ons allen
Javocos Kambanelis
Vertaling Lennart Nijgh
Het gestorven kind
De moeder zingt:
Ik sliep vannacht mijzelve vrij
uit wolk van dit verdriet –
tot ik, voorbij den tijd ontwaakt,
keek in een leeg gebied,
en hoorde tusschen maan en sneeuw
zijn stem, maar zag hem niet.
Hij zong; ik voelde dat hij stond
voor mij, en zag mij aan –
het werd mij daar zoo licht, ik kon
zijn zingen niet verstaan;
ik wist alleen nog dat mijn kind
zong tusschen sneeuw en maan.
Hij zong zoo ijl, hij zong zoo blij,
dat ik niet treuren mag
om hem, die zingen kan en nooit
de donkre dagen zag –
O, als wat ik hem gaf maar niet
versmaad begraven lag…
Wat ik hem gaf… neen, neen, wat hij
mij zond – o wonderlijk –
een licht blad van een roos, die bloeit
nog buiten mijn bereik:
een teeken van zijn liefde, die
mij wacht in een ver rijk.
A. Roland Holst
De vijftiende
Kom aan mijn hart, mijn vijftiend kind!
Ik heb u net zo lief als ’t eerste;
Rijke ouderharten zijn de teerste;
En voel hoe u een vader mint.
Kom in den kring, mijn kleine pop,
De wijden kring van kleinen en groten!
Hij heeft met blijdschap zich ontsloten;
Hij neemt u met gejubel op.
Doe niet als kleine Willem deed,
Die, voor hij lopen kon of praten,
Ons zonder reden heeft verlaten
En heenging, tot ons bitter leed.
Doe wat de dochtertjes hier doen,
Die allen ’t zelfde voorbeeld geven;
Blijf vriendlijk lachen, bloeiend leven,
En houd uw vaders grijsheid groen.
Nicolaas Beets (1814-1903)
uit: In mijn dichten is mijn hart (Prometheus, 2026)
Uit een oud dorp
Een vreemdelinge – niemand kende haar –
is op haar doortocht in dit dorp gestorven;
voor kort kwam zij alleen naar hier gezworven,
op weg waarheen – geen wist het, noch vanwaar.
De winter Hep ten einde; zacht al riep
donker en zacht – het voorjaar door de tijden
van het vallen der avonden; men zeide
van haar, dat haar leven ten einde liep.
Doch zij had lang al kunnen gaan, zij was
enkel nog hier daar zij een ander wachtte;
zij wist zich hem te redden nu bij machte,
nu haar verlangen tot den dood genas.
Maar hij kwam niet; zij ging niet langer uit,
zij was te moe geworden om te loopen;
maar altijd liet zij haar klein venster open;
daar riep een vogel hem met blij geluid.
Maar hij kwam niet. Toen kwam haar einde: groot
scheen de maan in waar zij lag te zieltogen.
Er was niets meer buiten haar open oogen
dan het raam, open op dien lichten dood.
Zij zag ernaar, zij prevelde de naam
van den verlorene; met lange halen
en juublend uitslaan zongen nachtegalen
den dood naar binnen door het open raam.
Toen kwam, grootsch, geheimzinnig en van ver,
de wind aan door den nacht; het lied verstomde –
In den morgen, toen de menschen haar vonden,
regende het. Zij was al eeuwen her.
A. Roland Holst
Het onweer
Geheimer oordeel dreigend onweer duistert
uiterste kustgebieden, en de wegen
zijn stil geworden rond het afgelegen
hart, waar een eenzame nog schuilt en luistert.
Lang, zonder woord, stond hij aan ’t raam, en zonder
antwoord; toen nam zijn strakke wacht een ende,
want de Verborgene sprak aarzelende
somber en peinzend in een verren donder…
En hij, die uitzag, huivert, en naar binnen
keert hij zich waar zijn stille doode neerligt,
en wacht er de uitspraak en het openend weerlicht,
en smacht dat de voltrekking moog beginnen
over zijn schuld: hij, die aan zijner droomen
duistre vervoering haar aanhankelijk leven
ontredderd in vereenzaming gedreven
prijsgaf, hij roept, dat de vergelding kome…
En hoor, als uit een voortijd wordt de bange
omtrek bevlogen, en een groot vervolgen
kondigt zijn aantocht aan, en de wind verbolgen
vlaagt om de muren om, en een wild verlangen
grijpt dezen mensch, onder te gaan, te breken
door wat haar brak, reddeloos om te komen
onder dit noodweer van der eigen droomen
terugvlaag op hemzelven, en een smeeken
breekt door hem uit, een somber alvergetend
aanroepen van den dood, en naar het westen
strekt hij zijn handen nu van daar ten leste
de ziel de duistre voortijden ontketent
over het hart, over het hart, en buiten
roepen de zwarte boomen hun ellende
noodlottig op den wind dier naderende
weerwraak, en regen vlaagt tegen de ruiten…
Toen heeft een oogenbliklijk allerzijden
ontladen licht hem ten gericht ontboden:
dat raam, en hij daarachter, en de doode
stonden ontdekt tot in het eind der tijden.
A. Roland Holst
De neergezondene
O, Doode, die mijn liefde meenaamt in uw dood,
waar ligt gij, dat ik weet waar ik zou willen sterven?
Mijn hart werd een gebroken hart, en al te groot
en koud wordt deze barre wereld voor mijn zwerven.
De lente, die het leven nieuw bezielen komt,
komt met dat oud lied van uw liefde mij vernielen –
Zij zingt al; maar mijn ziel, ontboden en verstomd,
daalt de onderwereld in naar de gefaalde zielen
April, 1929.
A. Roland Holst
Na jaren
Als ik na jaren de eenige zal wezen,
die dan nog wel eens aan haar denkt, en zacht
haar naam zegt, en haar brieven zit te lezen,
tot mild verwijt daarin hem onverwacht
van oude tranen blind maakt en hij prevelt
‘O, waarom ben je dood, zoo lang al dood,
en heb ik mij aan leven weer beneveld -’
dan bid ik nu al het ver avondrood,
dat ik dan zien zal, of de zomerregen,
die haar zoo lief was na den heeten dag,
dat zij het – ach, hoe diep al weggezegen
dan in haar doodslaap – nog bespeuren mag
als een geheim bezocht worden in droomen
bij schroomvolle omwege van oud berouw,
tot er een glimlach om haar mond gaat komen
om trouw, bezonken uit zoo lange ontrouw.
1945.
A. Roland Holst

In memoriam Charles Edgar du Perron et Menno ter Braak obierunt Idibus v mcmxl
I
Omdat ook hier de aan bod gekomen wereld
hun wereld brak, gingen zij, broederpaar,
gelijk zij, door de voorvlagen omdwereld,
zich weerden naast elkander – naast elkaar
den dood in, dit bloedjaar.
Zij wisten van geen wijken, van geen zwenken,
binnen het streng perk dat het lot hun bood.
Het leven sloeg, slaags rakend met hun denken,
hen daar tot mannen, en thans heeft de dood
tot menschen hen vergroot.
En, de nacht in van zijn spoorlooze ontferming,
droeg hij, met hen, hun taal weg uit dit oord –
Haar nam hij in voorloopige bescherming:
bij hem alleen geldt van dat goede woord
de zin nog onverstoord.
Zoo is, voorzoover iets het hier nog zijn kan,
het goed, want geen van beiden was in staat
verder te leven ook maar in den schijn van
knechtschap – en dat is waar het thans om gaat
voor wie zijn van hun maat.
Hun zin was niet mijn zin, en tot de jaren
waarin wij vrienden werden, wist ik niet
dat ik eens woordvoerders zooals zij waren
met trots zou nooden binnen het gebied,
dat mij de wereld liet –
en nóg wel laat, – ik zeg het haast met schaamte,
denkend aan hen, en aan die wereld, waar
zij inderhaast niet meer dan hun geraamten
aan gunden waar zij stonden naast elkaar,
voor de afreis kant en klaar.
Dat de een den dood moest roepen, die den ander
toen snel ontbood – ’t is bijzaak voor wie blijft
binnen een Troje dat ontploft in branden
en met als Helena een dor wild wijf
dat jammerschreeuwt en kijft.
Dat is wat zij, in hun perk, niet voorzagen –
noch dat de Ontembre thans tegen de Stad
haar meest gehate horden op gaat jagen:
door wat haar loochent in een wild bloedbad
stortend wat haar vergat.
Zoo bar werd de ontrouw, dat zij door bezeten
ketters haar wraak ontketent, en het haar
koud laat of dezen weten of niet weten
wat of zij doen, als zij de wereld maar
brengen in doodsgevaar.
‘k Voorvoelde ’t jaren lang en nu het doorbreekt
loop ik vol leven, ik sta blank en wacht
de springvloed, en mijn oog smeekt en mijn oor smeekt,
dat ik het waar mag nemen voor de nacht
valt waar het graf mij wacht.
II
Zou ’t nog een wijle er helder zijn? een avondstonde
gelijk er vroeger in het leven wel eens was?
Zij komen er wellicht dan op de heimweeronde
die dooden nog wel houden, met langzame pas
aanwaden door het diepe gras.
Geslaakt uit de oude tweedracht met de wereld, komen
zij nader daar, verdiept in een nieuw vraaggesprek,
langs nog van overzee beschenen steile boomen,
naar waar, ontkomen tot den dood, ik mij uitstrek
dichtbij een ronde waterplek.
En vlijen zich na een verheugd maar onverwonderd
weerzijds verwelkomen aan mijne zijde neer
alsof er niets gebeurd was, en wij praten onder
het zwatelen dier nog verlichte populieren weer,
lachend oneenig als weleer.
Minder oneenig wel, waar denken, geen belust zijn
op eigen spel meer over, jong en eeuwenoud,
langs de grensdreven dralen blijft van dit bewustzijn,
eer het zijn verderleven zonder voorbehoud
aan de geheimen toevertrouwt.
Dan, als het gouden stervensuur die grens ten laatste
prijsgeeft, en enkel nog de boomtoppen beschijnt,
die zoo stil werden of een spiegel hen weerkaatste –
komen wij, zonder meer te spreken, overeind
en gaan tot we aan dat water zijn:
een hemeldiep betooverde afgrond: avondwolken,
ondergezonken tot een ander wereldrond
houden er het geheim van de aarde en van haar volken,
maar in een zoo oud licht, dat elk van ons doorgrondt
hoe kort de mensch er maar bestond,
en hoe bijkomstig er zijn wereld was. – Wij staren
ademloos in die spiegel van het leven neer
en worden eenzaam – en als ik, omdat de blaren
met de avond weer gaan zwatelen, mijn oogen weer
omhoogsla, zijn zij er niet meer.
III
Wat doet de ziel vooruit te droomen
op dit bar pleit? er midden in
lagen zij dood, en zonder droomen
stonden hun vrouwen midden in
een leeg begin.
Naast haar, bij hem die werd ontboden
stond ik. Streng sloot nog stugge moed
zijn mond af, als van een die noode
er dan het zwijgen maar toe doet,
omdat het moet.
Zoo ligt geen naar de ziel verloste –
daar lag een man, tot mensch vergroot,
die opkwam voor de volle kosten
zijns levens, en die stierf in nood.
Hem hield de dood
onder zegel van mond en oogen:
vlakbij nog: ontoegankelijk;
vereenzaamd; wars van mededoogen:
een nog niet buiten ons bereik
voorbeeld gelijk.
Want elk vrij mensch moet zich klaar maken
te blijven staan zooals hij lag:
binnen bereik; niet te genaken,
staande schijndood; geen schild; geen vlag:
zoo overdag.
Maar elk gaat, als de nacht komt vallen,
staan aan zijn open raam en slaat
zijn oogen op, en weet door allen
zich aangezien, en ondergaat
waar het op staat.
Dan haalt, aan ziel’s nog open ramen,
tegen der horden slavenkracht
de vrije moed van den eenzame
zijn hart op aan de wereldnacht
waarin hij wacht.
Al zal het hen in schijn berouwen,
zij houden zoo – hun lot hun eer –
stand, zonder schild, maar met betrouwen.
En al gewagen zij niet meer
van God, den Heer,
Hem is dat zeker om het even
als Hij hen zoo maar houden mag.
En ik dank het, wordt mij gegeven
mijn laat leven nog zoo te leven,
dat ik mijn vriend dien onheilsdag
dood liggen zag.
1940
Adriaan Roland Holst
They’re Freezing Up North
in memory of Baruch Kurzweil
He gets up, walks, stands still, drops dead,
the father of some other woman.
Flicks out a long tongue from a better world,
quick as an acrobat
eerie as a demon.
Most of that history
I didn’t know, didn’t see.
And now in winter it’s very cold here,
for some other woman, not me.
Up North babies are freezing right now,
whoever wasn’t thrown into the pit,
whoever the bullets didn’t hit,
gets tormented some other way.
It’s so cold in the North,
The Near North.
I want to tell him all about it.
He as a good man
before he died what you might call
an unnatural death
If the earth had been given into his hand
he would’ve brandished an old-fashioned sword,
and just to play it safe
pressed his hand, perhaps, to his heart.
He never would’ve let them start.
Who was he, what was he?
A father and master, one might say.
He stands up, falls down, passes away,
chooses to collapse then and there in slo-mo
with a joke about escorting the Sabbath Queen
after Havdalah to the Feast of the Just.
Beyond all this,
appalling pain.
What do I need them all for,
thinking about them all,
remembering them all?
Babies are freezing
in the slanted lashings of the rain.
Mothers are burning
their canvas tents
to make a nice little bonfire in winter.
He stands up, passes on and he’s free.
This bloody mess
is all on my head now,
all on me.
Early November 1982
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
Leafy Greenery
It is the year one thousand nine hundred and ninety
according to the Western reckoning.
An unruly greenery runs over with mercy, fills the window;
flecked with scattered flowers, pinkish yellow
like the bits of an omelet that fell apart.
No big red flower erupts from that green,
a big flower is nowhere to be seen.
The year one thousand nine hundred and ninety
is not the year for big flowers.
In front of that greenery, a shutter with slats open wide,
and in front of the shutter, lace curtains
all flounces and furbelows.
That was the very worst year of my life.
And the green of the trees oozes pity
like Materna Infant Formula
(Ingredients: synthetic mother’s milk, calcium and minerals).
My darling, a year of green shade and light,
a few yards of lacework and a shutter of gaping slats
do not amount to a year in the life.
In the year one thousand nine hundred and ninety
the life drained out of me
like those Dead of the Desert whose bodily fluids dried up
as they waited for rescue.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
A Northern Winter’s Day
How time flies.
I didn’t hear you groan
didn’t see you sit on your haunches
like an Arab,
a man in a Mt. Hermon parka with helmet and socks
who doesn’t really know Hebrew yet
but shares a cigarette with the SLA
salutes the company commander
and rides off on leave in an armored car
a solitary soldier,
then returns
pulls up the elastic band on his socks
and is hit at eleven o’clock in the morning
three and a half minutes before the cease-fire
or a massive artillery barrage
whatever comes first,
by whatever flies out of the barrel of a gun
of someone following an order or his heart’s desire.
And someone or other, whatever his name may be,
took leave of his life at eleven o’clock in the morning
not intending to meet up with it again
in any of the possible worlds.
At the General Staff, there was general frustration
and they scrambled some planes or they didn’t.
And there was great self-sacrifice
on one side or the other.
Three or four mothers were stricken with breast cancer
and at least one mother went into shock
at eleven in the morning
In Metula they prepared trays of shish kebab skewers
and Arab salad for the field reporters who were on their way.
At eleven o’clock in the morning
someone quite frontline took leave of his life
ate no lunch, ate no supper
wrote no letters, made no calls.
Dead as the dead
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
Briefing on the State of Affairs:
Beginning of Summer
At the produce stall they’ve got a ten-year-old working,
not one of our kids, God forbid
—one of theirs, the Arabs,
may their memory be wiped out for good.
They wanna throw us into the sea,
fat chance that’s ever gonna be,
may God’s mercy fall
on us and them all.
No love lost in this land
except among the young
who save up their measly shekels
to move to the States, making sure
to pack the CDs of the top singers
especially the ten in the starting lineup,
but the Jerusalem Beitar soccer team
boosts our morale
whenever they win,
but when Beitar loses
a national day of mourning is declared
in Jerusalem, City of David.
and only the Ultra-Orthodox
rejoice in the open and on the sly
and even spit on the monuments
to our beloved dead.
And you can’t do a damn thing about it,
don’t even try,
better shut your mouth
and who’s got the strength to laugh or to cry.
the heroes are all worn out, all of them,
viped out as the carcass of an ass from Shechem.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
Upside Down and Inside Out
Purim 1996
Bomb explosion on the No. 5 bus line
Heart of freedom, heart of light
Who was dark and who was slight
Who drummed on the drummer girl
hurled her up and made her whirl
Who told us plainly: Blah blah bleep
Rouse ye from your slumber deep
On Dizengoff Square at every light
you can’t go straight, you can’t turn right,
and turning left? Not in this town,
the whole shebang is inside out
—this Purimfest we won’t beat Haman down.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
Das Mädchen und der Tod
Dies flüssig grüne Gold heißt Gift und tötet.
Wie gut es riecht: wie wenn der wilde Wind
In den Akazienbäumen irr sich fängt,
Dann geht man still im Mond auf weichen Blüten …
Vielleicht ist Totsein solch ein lautlos Wandern
Durch fremde leere Länder ohne Schlaf,
Auf stillen Brücken über grüne Wasser
Durch lange schwarze, schweigende Alleen,
Durch Gärten, die verwildern …
Und endlich komm ich an das Haus des Todes:
Im großen Saale ist ein großer Tisch
Aus grünem Malachit; den tragen Greifen.
Da sitzt der Tod zu Tisch und läd mich ein
Und Pagen viel mit feinen schmalen Händen
Und Schuh’n aus schwarzem Samt, die lautlos gleiten.
Die tragen wunderbare Schüsseln auf:
Ja, ganze Pfauen, Fische silberschuppig
Mit Purpurflossen, in den feinen Zähnchen
(Die sind vergoldet) stecken Lorbeerreiser
Und Trauben mit goldrotem Rost und offen
Granatäpfel, die auf weichen Kissen
Von frischen Veilchen leuchten, und der Tod
Hat einen Mantel an aus weißem Samt
Und setzt mich neben sich
Und ist sehr höflich …
Hugo von Hofmannsthal
In memoriam president Roosevelt
Hem nam de Dood eer wij hem danken konden
voor wat er ons aan leven overschoot
na vijf jaar sterven, want hem nam de Dood
toen hier de eerloozen nog gewapend stonden,
die in deze eeuw van bloedend avondrood
ten tweeden male Europa’s menschdom schonden.
Maar niet nam hem de Dood eer hij op aarde
zijn grootsch aandeel verdiend had in ons hart,
noch eer dat beulenvolk, van zonden zwart,
alom het puin van de eigen trots ontwaarde;
en God weet of de Dood hem niet de smart
en weedom van een derde noodweer spaarde.
1945.
A. Roland Holst
Tristis imago
Wat staat gij naast mijn bed, Moeder van gene zijde?
Wat doet gij in mijn kamer in de zwarte nacht?
Kan mijn bestaan zich nooit van uw bestaan bevrijden,
dat gij mijn slaap nog met uw heimelijkheid bevracht?
Wat praat gij tegen mij, Moeder van gene zijde?
Ik wíl niet wakker worden, als gij naast mij staat.
Het hart zal mij stukhameren, als ik moet lijden
het schrikkelijk verwijt op uw geblust gelaat.
Ida Gerhardt
Savior
There once was a man sick unto death
And his sickness waxed exceeding sore.
And he waited long for his savior to come
For he said in his heart: My savior will come.
And his brother did say: His savior will come.
And his uncle did say: His savior will come.
As to their kinsman, they paid him no heed
For they said in their hearts: His savior will come.
And so that man kept wasting away,
Wasting away from day to day.
Still he spake no ill of his brother
For he said in his heart: My savior will come.
And he lay on the bed whereon he would die
With trust in his heart: My savior will come.
All day he spake only: Savior, savior.
Who is not able to pronounce that word?
And his brother said: Indeed he will come,
This day or the next his savior will come,
I trust in my heart his savior will come.
Outside a man howled: “No savior, none!”
And the sick man kept wasting away
Yet all his refrain was: Savior, savior.
Still he would not speak ill of his brother
For he was not able to pronounce those words.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld

Royal Gifts
The King went down with his beloved
Down to the ship’s deep hold
Down to the ship’s deep hold
To choose her a gift from his treasures of gold.
-Sheba, I’ll give thee horsemen and footmen,
A palace of prayer unto thee I plight,
Thy prayer unto God shall I recite,
E’en thy prayer-for love of thee.
Ivory and parrots shall I grant thee.
Elders and sages shall attend thee.
Whatever in wisdom I searched and weighed
Ill reveal unto thee-for love of thee.
Dwarfs and Cushites I shall grant thee,
Chariots of Sheba, its prince and squire.
Thy head shall wheel from my keen desire.
E’en the head stone shall I grant thee.
Chorus:
The head stone, the head stone,
Happy is he who makes it his own.
-O King, that stone is already my own,
The chariots of Sheba, its prince and squire.
My head doth wheel and whirl with desire
To stroke the head stone
To lick the head stone
To crush the head stone.
All my desire I took for my own
And by degrees my desire hath grown
Insatiable, my desire grew bold
Partaking six and sevenfold
I want the head stone
To stroke the head stone
To lick the head stone
Butt my head on the head stone.
My desire shall yet be my ruin.
Behold, the day of my death is upon me.
All my desire shall I pour before thee-
I want the head stone
To stroke the head stone
To crush the head stone.
All this is upon my head now,
My very own head
And neck now.
I knew my desire would be my ruin.
The King is the head stone.
From the ship’s deep hold to the ends of the world,
How vile a thing, his attendants are blind
Can they not see the fire
Going forth from the bramble,
Burning in their King?
The King is the head stone.
Chorus:
The head’s stone, the head stone,
Woe unto him who takes it for his own.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
Samen ingesneeuwd
Oud sneeuwlicht door de ontdooide ruit…
hij staarde in dat dof gloren
van wat hem restte na haar dood:
het leeg lot hem beschoren
sinds hij vergeefs de stilte bad
eens nog haar stem te hooren.
En, in een dagdroom weggevlucht,
wou hij die kust weervinden
waar zij in lust en wrok elkaar
eens kwelden en beminden;
want ook haar sterven kon die bond
van oud zeer niet ontbinden.
Naar haar terug te leve’ in àl
bedwelmder toebehooren
onder dat dak van hun weleer;
haar prooi als nooit tevoren
toen zij nog leefde: wanhoop gaf
die hoop nog niet verloren.
Terug naar dat oud dorp, naar dat
leeg huis teruggezogen:
bezetene, zoo liep hij snel
en met het hoofd gebogen,
en keek pas op toen boven hem
de eerste zeemeeuwen vlogen.
En daar – in zijn verleden voor
het laatst nog zichtbaar – lagen
duinrand en dorp, toen plotseling
zijn oogen niets meer zagen
dan nacht, en in het wilde weg
van overal sneeuwvlagen…
Zachte verwarrende overval
vanuit het alvergeten
van den doodslaap, waardoor hij nu
van geen droom meer bezeten,
geen weg meer wetend – zich verloor
in die nacht ongemeten:
weedoms domein, waar dooden wel
bij de grensovergangen
nablijven, door hun oude lust
en leed nog zoo bevangen,
dat zij hun hier nog levenden
bedwelmen met verlangen,
en hen betooveren tot zij
hun aardsche banden slaken
en, uitgetreden, doof en blind
dat grensgebied genaken
waar zij dan, nergens op bedacht,
bij hun dooden ontwaken.
Hij kwam er bij een open deur,
aan het eind van zijn krachten –
slaapzwaar leunde hij binnen, half
nog blind van die sneeuwjachten:
daar zag hij, levend, bij een schouw,
zijn doode, die hem wachtte.
Zij sloeg haar oogen op – en aan
haar blik was geen ontkomen –
en fluisterde, toen zij hem in
haar armen had genomen:
‘nu zijn wij samen ingesneeuwd –
wie had dat kunnen droomen…’
*
Heeft zij uit haar betoovering
hem toch weer prijsgegeven?
Hij weet wel beter: wat hem hier
nog rest om te beleven
aan lief en leed, waar of met wie,
het werd hem om het even.
Want wie in Weedomsland al bij
zijn dood lief heeft gelegen,
vindt hier geen wellust meer die ooit
bedwelmt tot zulk een zegen –
geen lief meer, en geen dak meer, in
geen velden meer of wegen.
1945.
A. Roland Holst
Deirdre’s doodsklacht
Blind als de storm die neerspringt op de waatren,
wreed als de kust die ’t rots aan rots beschouwt,
norsch als het zwerk waar de onheilen vergaadren –
blindlings, en norsch, en koud…
Leeg als de zee naar alle verten heenligt,
weerloos en leeg als de getroffen zee,
wild als het schuim dat eenzaam naar de kim vliegt –
weerloos, en wild van wee…
Zoo gij en ik – o, Lot. Niets meer bestaat er.
Liefde verging, door uw geweld bespot.
Blind als de storm en ledig als het water,
Zoo gij en ik, mijn Lot.
1938.
Roland Holst
Vraag
O, Vleuglen, niet aan bovenwolksche vuren,
maar in de rookende hitte der spelonken
verzengd… en, Stem, niet in een licht vervoeren
tot zwijgen zaliger dan zang gebracht,
maar heesch en beedlend nu… wordt dit de nacht?
en dit het graf: asch, en àl minder vonken?
1928.
A. Roland Holst
Of Wonders beyond My Understanding
Humans who dwell in darkness and the shadow of death,
imprisoned in poverty and iron.
Perhaps in the dullness of my eye
I fail to see the difference
between an eagle in the sky
and a scapegoat in the wilderness.
My thoughts keep getting tangled back in themselves.
How easy it is
to go awry.
What I mean to say is:
Even a wing is no certainty.
Humans who dwell in darkness and the shadow of death,
imprisoned in poverty and iron-
if their souls be vexed unto death,
then shall their voices ring out
and shatter stone.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
Finally I’m Talking
Yona, shalom, this time I’m the one who’s talking and
you won’t interrupt anymore.
Now, God help us, you’re in the ranks of the holy and pure.
Who would’ve believed you’d come to this,
that you’d finally calm down.
And what a riot you stirred up when you took your leave,
each man suddenly at his brother’s throat. Hitting, spitting,
and instead of you, they hung on the wall
two drawings, that’s all,
to help us recall.
And they called you holy and their faces grew pale,
and they called you defiled and oh how they sighed,
and they cried Holy Holy, whore whore,
and lots of sharp teeth torethecorps limb for limb.
A sign you teally were dead this time,
A quiet cadaver,
And now they’re talking you up with feigned praise,
All those heirs you left behind,
You gave them free rein
But no restraint.
And whenever your name comes up there’s a scandal,
Fact or fiction, a tale to tell.
If you could only look, you would love it all,
But now, Yona, you’re in an entirely condition,
you are one dead girl
You’re fading and coming closer, shape-shifting,
finally you’re colorless, dove white.
An involuntary nobility oozes out of you.
All of a sudden you’ve got manners,
you’ve got inhibitions.
A good little girl from a proper home
knows to keep her mouth shut.
Doesn’t utter a peep.
Yona, with all your antics and peculiar disposition,
your grand masquerades
and the show with its lifelong run,
you had a death that was beautiful, human, physical
and full of grace.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
Do or Die
Nights he would get roaring drunk,
spilling his glass, spattering the table;
sometimes he’d yell: Enough of this babble!
Flailing his arms around, searching for words
(now I’ve forgotten what it was all about,
whatever it was that got stuck in my mind).
It seems he specialized in death as a subject,
he saw his years lined up in orderly columns,
twenty years, twenty-five years,
he knew that story was exhausting itself,
would break no records, would reach no heights,
he’d slough off his years like rotten teeth.
He would bang on the table, shatter some plate,
whatever stood in his way he would smash—
twenty years, twenty-five years,
he couldn’t pull himself out of despair.
He was a man of little faith.
Heroic epics were not his forte,
he wouldn’t even pick up the Bible.
His pittance of insight came via negation.
This is no tale of the hope for redemption.
He saw his shuffling life for what it was,
laid out before him, dwindling away,
plain as a jar of pickled turnips,
till death by natural causes, sudden or protracted
But suddenly he was struck by a pang of empathy
and that was his profit for all his toil.
In the end he was buried in a potter’s field
and that was his portion for all his toil.
Thus in his beginning he foresaw his end,
a life no worse than any other,
a common death and a hasty funeral.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
Marina Haddad
Marina Haddad
lay alone on the bed,
on her eyes a wreath,
cinnamon on her mouth.
The field reporters and the TV corps
walked in the wrong door
and that was her only bit of luck
that night.
All the makings were there: bereavement, sorrow,
the mother a single parent,
the state of the nation as metonymy
for the fate of the individual (especially vice versa),
and no one could say for sure
if they got a sound bite of crying or not,
and Marina Haddad was quite calm
since the initial stage of death has its serenity.
She was one of a kind.
call it the luck of a goy that she alone
was not exploited
to diagnose the state of the nation
and forecast the inescapable ramifications.
Thus she lay nice and quiet
with a wreath or without
-sometimes a sheet can be an entire world.
And her mother, the single parent,
got there at four or five o’clock,
and what she endured
I’m at a loss to express
or even to fathom.
It’s best not to pry into a matter
that cannot be fathomed
Heartrending suffering is suffering that rends
the heart of the sufferer
alone.
Marina Haddad lay alone on the bed,
and you could say she was one lucky girl
at least for that hour, that hour and a half.
And as to what transpired next
I have no desire to tell.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
Six Hundred Thirteen
Commandments Plus One
Six hundred thirteen commandments were given to Israel
and seven to the Sons of Noah.
Even the dead are bound by one.
And the dead man came home again
To tell his sons about his death
Lest they shudder to hear another tell
That horrifying tale.
Never was there among the dead
Any who did as much
Go forth and behold the graves of the dead:
Has anyone done as much?
He sat with us, he didn’t stir,
All seven mourning days.
For how could he alone find peace
And leave us to our grief?
And so he told the tale of his death,
Expounding word by word,
For he believed that if we heard
We too might be consoled
Albeit peace befits him now,
He will return if we entreat,
Never will he pass us by
Nor close his eyes to our pain;
He will shoulder an equal share
Of that horrifying tale.
Seven days and years without end,
Whene’er we demand it of him,
When we are overcome by grief,
He cannot help but come.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
What’s Happening
Reuven Malka
got hold of an assault rifle.
What’s happening to us?
At the first rain they handed out medals of honor
to the incredible untrainable dead.
At the first rain, another army patrol
stepped on a Czech-made mine
and guerillas trained in North Vietnam
hid out in the thicket.
What’s happening to us?
Tales of heroism that rack up the medals
wreck our imagination.
What’s happening?
Men who fell last spring
now seem a thousand years old.
In the desert close to Rafah,
a palm tree grew.
Strange but true.
From the legendary body of Avshalom Feinberg
Strange but true:
A state funeral awaits him.
A purple heart too.
A handshake, courtesy of the Commander in Chief.
And today the wind growls on the Golan Heights
like a rabid bitch.
What’s happening to us?
In a landslide of color the world is a-whirling,
the times are a-changing
and off he goes to guard duty again, Private Malka
with his standard-issue rifle and two hand grenades.
Long may he live, Private Malka!
No more purple hearts.
No more heroic tales.
Let them get a little satisfaction,
Private Malka and his seven brothers.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
A Pure Whole Memory
Only when the face is erased
can anything here be remembered whole,
only when the face is erased
Then the lights go wild,
the colors start from their frames.
Stars plunge from their height like epileptics.
Grasses groan up out of the earth
(their growing pains greater than withering-pangs):
All those things that blind our eyes
draw back to the shadows.
So too the face.
Something stirs in the depths.
How many days
how many years, wind and weather,
have we waited for it to erupt
from the depths of the earth,
one pure whole memory
like a lily,
pale red
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
Day unto Day Uttereth Speech
As in the forests of Carmel
where my soul went out in yearning
with the wind of day,
the pines dropped their needles,
pinecones kept falling to the ground.
My house was sealed with drapes
I sewed of Cathay silk
but light kept piercing the portals,
light kept flooding the sills.
There we passed our lives
unawares,
I never set eyes on the Book of Days.
King David joined me
after he rose to return from the dead.
Day after day he would sit by my side,
when his heart was glad
he would play hymns of praise:
The heavens declare the glory of God.
As in the forests of Carmel
pinecones without measure kept falling, falling.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
For the Ascent of His Soul
He’s dead and buried.
Dead and buried, that’s that.
Dead. That’s a fact.
I had a kind of story with him
once upon a time,
not really a story,
just some thing that happened.
The pupils of his eyes were translucent,
his back was bent,
even without me he had enough trouble.
I came to him on a Shabbat,
which Shabbat?
a seething hot Shabbat.
Jasmine in bloom,
wolf’s milk growing wild,
you name it, dearie,
all blooming in that garden.
(The garden wasn’t his.)
He had a roommate,
no assets to his name.
Flat broke, to boot.
So I came that Shabbat afternoon,
everything was set
for the chiming of the spheres.
I said I was on my way,
couldn’t stick around,
had some other plans for the day.
He got desperate.
Didn’t hide his despair.
Said, What will I do now?
And I thought: What will he do?
Let him do whatever he wants.
Anyway, what did I ever do to him?
In time, I saw what I did to him.
Love spurned was the very worst
of whatever befell me.
All that in good time.
Meanwhile, he got himself a wife,
sired sons,
put down roots.
The years passed over us all,
flying in low formation;
people were shot in the back, in the head.
He wasn’t hit.
And now he’s buried and dead,
dug under and covered up,
and there’s no end
but that end.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld

The Central Pillar
Among the four winds stands the central pillar,
The central pillar for all living souls,
Every soul bound in the bond of life
And the bond of life in the central pillar.
Every soul shall praise the Lord,
Shall have no end in the central pillar,
The central pillar of the rising sun,
The central pillar of the setting sun.
And every soul shall have no end
Father’s soul too in the central pillar,
And Father’s soul like a flower that opens
From rising sun unto setting sun.
Every soul shall praise the Lord
Praise ye the Lord in his faithful flock,
Praise ye the Lord in the bond of life,
Praise ye the Lord in the central pillar.
Every soul shall praise the Lord.
Indeed the dead praise not the Lord
Father’s soul in the central pillar
And its voice goes out to the end of the world.
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
Fronleichnam
Von Glockenschall, von Weihrauchduft umflossen,
Durchwogt die Straßen festliches Gepränge
Und lockt ringsum ein froh bewegt Gedränge
An alle Fenster, – deines bleibt geschlossen.
So hab auch ich der Träume bunte Menge,
Der Seele Inhalt, vor dir ausgegossen:
Du merktests kaum, da schwieg ich scheu-verdrossen,
Und leis verweht der Wind die leisen Klänge.
Nimm dich in acht: ein Tag ist schnell entschwunden,
Und leer und öde liegt die Straße wieder;
Nimm dich in acht: mir ahnt, es kommen Stunden,
Da du ersehnest die verschmähten Lieder:
Heut tönt dir, unbegehrt, vielstimmiger Reigen,
Wenn einst du sein begehrst, wird er dir schweigen.
Hugo von Hofmannsthal
Leben, Traum und Tod
Leben, Traum und Tod …
Wie die Fackel loht!
Wie die Erzquadrigen
Über Brücken fliegen,
Wie es drunten saust,
An die Bäume braust,
Die an steilen Ufern hängen,
Schwarze Riesenwipfel aufwärts drängen …
Leben, Traum und Tod …
Leise treibt das Boot …
Grüne Uferbänke
Feucht im Abendrot,
Stiller Pferde Tränke,
Herrenloser Pferde …
Leise treibt das Boot …
Treibt am Park vorbei,
Rote Blumen, Mai …
In der Laube wer?
Sag, wer schläft im Gras?
Gelb Haar, Lippen rot?
Leben, Traum und Tod.
Hugo von Hofmannsthal
Moeder
Zo lang zij rustig leeft kunnen wij haar vergeten,
ze kost ons zorg noch geld, ze doet ons nimmer zeer;
tweemaal in ’t jaar, misschien, gaan wij nog bij haar eten
en lachen als ze zegt: Het is de laatste keer.
Maar één kort spoedbericht maakt ons opnieuw tot zonen,
wat ons gewichtig werd valt plots en dwaas uiteen,
wij dachten in onze eeuw en in ons werk te wonen
tot wij beschaamd en leeg haar kleine huis betreên.
Ze heeft op ons gewacht. Tenzij ze is gestorven.
Daar ligt wie onze moeder was, het arm gezicht
waarin veel eenzaamheid berusting heeft gekorven
beschenen voor het laatst in reeds vervreemdend licht.
Dat wij voorgoed alleen zijn thans, dat alle bronnen
vervloeien in de tijd, bedroeft ons hart zo niet.
Maar dat onze overmoed zich nimmer heeft bezonnen
over haar eenzaamheid, dit wordt ons taaist verdriet.
Karel Jonckheere
Der Schatten eines Toten …
Der Schatten eines Toten fiel auf uns
Und einer Künstlerseele letzter Kampf,
Der Seele, die sich sterben zugesehn
Und die noch malen wollte ihren Krampf.
Und uns durchzitterte die böse Gier,
Nachzuempfinden dieses Toten Graun,
Als könnten wir durch sein gebrochnes Aug
Die tiefgeheimen Lebensgründe schaun.
Und wie ein Sterbender sich stöhnend wälzt
Und seine Decken zuckend von sich stößt,
So hatte der rings um uns, in uns selbst
Verhüllte Qual, betäubte Qual entblößt.
Unsagbar widerwärtig quoll es auf,
Wie Wellen, Ekelwellen brachs herein,
So sinnlos leer und frierend kalt und öd,
Ein Atemzug der überreichsten Pein:
Als wär des Lebens Inhalt ausgelöscht,
Das Heiligste gelöst in Qualm und Dunst …
Verstehn, Gestalten, Künstler sein, wozu?
Wozu denn Leben? und wozu die Kunst?
Erlognes an Erlognes, Wort an Wort
Wie bunte Steinchen aneinanderreihn!
Was wissen wir, wodurchs zusammenhält;
Und muß es so, und kann nicht anders sein?!
Und wär der Blick, mit dem wir es erschaun,
Nur unser, unser der erträumte Schein!
Er ist es nicht, und was ich denke, ist,
Ja, dieser Schrei ist Nachhall, ist nicht mein!
Nur eins ist mein, wie’s auch dem Tier gehört,
Ist nicht gespenstisch, keinem nachgefühlt;
Daß mich bei deiner trostverschloßnen Angst
Ein seltsam dumpfes Mitleid hat durchwühlt.
Und daß ich, selber ohne Trost und Rat,
Dich trösten wollte, wie ein Kind ein Kind,
Das nichts von unverstandnem Kummer weiß,
Von Dingen, die unfaßbar in uns sind.
Das ist vielleicht das Letzte was uns bleibt,
Wenn der Gedanke ungedacht schon lügt:
Daß auf ein zitternd Herz das andre lauscht
Und leisen Drucks zur Hand die Hand sich fügt …
Hugo von Hofmannsthal
The Coming of the Messiah
I
People stood at their doorstep all night long,
Waiting for their Messiah all night long.
They’d sold their houses to strangers with full assent:
Messiah is not like everyman that he should repent.
The Faithful:
If you do not come to us,
Who shall come?
Can we have trusted: Come thou!
And he not come?
If we’ve sold the household goods we owned
And all our possessions have we pawned
And all our silver bound, in hand,
As those who uproot themselves from this land—
And here we stand at the door of our home
That nevermore shall be our home
To await the coming of the guest divine,
Shall he not come?
If you do not come to us,
Who shall come?
Can we have entreated: Come thou!
And he not come?
Il
At their doorstep they waited all that night
But Messiah came not to guide them aright.
Is Messiah indeed like everyman who has erred?
For did he not rue and repent of his word?
The Faithful:
Doth a dead men’s field
Entrap the living?
Doth a dead men’s field
Swallow up the living?
Lo, our houses now are sold,
And unto others falls our gold,
And our land like a field of the dead, ‘tis true.
They are the many, and we the few.
Doth a dead men’s field
Entrap the living?
Doth a dead men’s field
Swallow up the living?
Dahlia Ravikovitch.
Translated from the Hebrew by Chana Bloch and Chana Kronfeld
