Digitaal zelf

“Onze identiteit verkeert in een crisis, dus moeten we een nieuwe bouwen, meent de Canadese politieke filosoof Charles Taylor.”  Zo luidt een deel van de kop in het Trouwartikel Letter en Geest van zaterdag 17 september 2011. Een nieuwe identiteit bouwen? De kop is wat kort door de bocht want van bouwen is eigenlijk niet echt sprake. Het begrip identiteit blijft in deze tekst ook onopgehelderd. Maar het is wel aanleiding genoeg om in het kielzog van Jean François Lyotard, “La condition Postmoderne” (Paris 1979) stil te staan bij de verworvenheden van de moderne tijd op het gebied van de techniek en het effect daarvan op een persoonlijke identiteit. Lyotard gebruikt een werkhypothese waarin hij stelt dat de kennis mede verandert onder invloed van de moderne ontwikkelingen. Onze kennis van de wereld is ingrijpend gewijzigd sinds de zogenaamde middeleeuwen. Wetenschap en techniek zetten de kaders uit, en niet meer de religieuze verbanden of de culturele conglomeraties. De wetenschappelijke vorm van kennen leidt en zet de toon. Of we het nu willen of niet we kunnen ons bijvoorbeeld niet meer onttrekken aan de invloed van de digitale samenleving. Maar wat betekent dit voor de vorming van een persoonlijke identiteit? Welke effecten heeft dit op het zelf-verstaan als persoon, als individu? En wat zijn de effecten op de beleving van ons lichaam ( deze zelfplaats/autotopie)  als drager/woonplaats van het  “zelf”?

Giorgo Agamben beschijft in “Identiteit zonder persoon”, in de bundel “Naaktheden” (Amsterdam 2011) hoe de beleving van de persoonlijke identiteit losraakt van de “persoon”. Ik citeer hem wat uitgebreider. Hij schrijft: “Het verlangen door anderen erkend te worden is onlosmakelijk verbonden met het menselijk bestaan. Deze erkenning is zo essentieel dat volgens Hegel een ieder bereid is het eigen leven op het spel te zetten om haar te krijgen. Het gaat niet simpelweg om genoegdoening of eigenliefde: eerder is het zo dat de mens pas door middel van erkenning door anderen zelf in staat is zich als persoon te constitueren. Persona betekent oorspronkelijk ‘masker’. Het is door middel van een masker dat het individu zich een rol en sociale identiteit verwerft. Zo werd in Rome elk individu geïdentificeerd door een naam die zijn behoren tot een gens of geslacht uitdrukte. Dit op zijn beurt werd echter bepaald door het voorvaderlijke wassen masker dat elke patricische familie bewaarde in het atrium van het eigen huis. Het is een kleine stap om persona tot de ‘persoonlijkheid’ te maken die de plaats van het individu definieert in de drama’s en riten van het sociale leven. Uiteindelijk krijgt persona de betekenis van de rechtspersoonlijkheid en politieke waardigheid van de vrije man. Wat de slaaf betreft daar hij noch voorvaderen, noch masker, noch naam had, kon hij net zozeer geen ‘persoon’ hebben, geen rechtspersoonlijkheid (servus non habet personam). De strijd om erkenning is de strijd om een masker; dit masker evenwel valt samen met de ‘persoonlijkheid’ die de maatschappij aan elk individu toekent (of met het ‘personage’ dat de maatschappij met haar eigen,soms schoorvoetende, medeplichtigheid van hem’ maakt). Het is niet verbazingwekkend dat de erkenning van de eigen persoon millennialang het meest benijde en betekenisvolle bezit is geweest. Andere menselijke wezens zijn bovenal belangrijk en noodzakelijk omdat zij mij kunnen erkennen. Ook macht, roem, rijkdom, waarvoor de ‘anderen’ zo gevoelig lijken te zijn, hebben uiteindelijk slechts betekenis vanuit het oogpunt van deze erkenning van persoonlijke identiteit.”(pag. 77-78)

Agamben schetst vervolgens hoe in de 2e helft van de 19e eeuw politietechnieken ertoe leiden dat er een andere vorm van identiteitsherkenning plaatsvindt, namelijk via de vingerafdruk en later de pasfoto en het identiteitsdocument.  De  persoonlijke identiteit die eerst afhankelijk was van erkenning door de gemeenschap wordt nu een herkenbare identiteit  op basis  van gezichtsherkenning en binnenkort op basis van DNA-profiel, of genetische code. Dat laatste is een digitaal profiel want de code wordt digitaal verwerkt in de taal van de computer.

Is het een wetenschappelijke opzet om de wereld  en de kennis in digitale codes te vangen? Om zo greep op de werkelijkheid te krijgen? Misschien zijn wetenschappers niet bewust bezig om alles wat zij kennen te digitaliseren, maar  praktisch doen ze het wel. Dat alleen al omwille van de onderlinge communicatie en de transparantie van hun handelen. De “digitaal” is het nieuwe bindmiddel in een maatschappij waarin de computer het voornaamste gereedschap is geworden om de gegevens te verzamelen, te verwerken, te lezen en te duiden. Digitaal is een taal die het vooral van tellen moet hebben, van statistiek, van formules. De wiskunde vormt het frame. Maar dat zien wij niet aan de buitenkant, het gebeurt achter de schermen. Als alle woorden, alle tekens vervat zijn in een code, en als ook uiteindelijk het hele profiel van een individu in deze code zichtbaar kan worden dan betekent dit dat de “digitaal” de voornaamste de taal van het kennen is geworden. Met deze “digitaal” krijgt het individu een nieuw soort ‘masker’, een “persona”. Maar het is een masker waarmee hij zich in diverse contexten anders kan presenteren zoals de “aliassen”die je kunt aannemen in de digitale wereld.

Hoe ziet dat leven in een “digitaal” er verder uit? Of hoe gaat het eruit zien als we een paar jaar verder denken? Lyotard schrijft dat de samenleving een groei is van steeds meer complexere systemen. Dat is niet tegen te houden. Hoe meer ruimte techniek en wetenschap krijgen hoe complexer de samenleving wordt. In de invloed van de cybernetica zal zich pas echt doen gelden als “mainframe- computers” waken over al ons handelen. Wij zijn als individu vastgemaakt aan de digitale werkelijkheid door de digitale codes die wij moeten gebruiken omwille van de diensten die wij nodig hebben. Zonder identiteitskaars, credit- of bankkaart, reiskaart, klantenkaart, museumjaarkaart, ziekenhuiskaart en verzekeringskaart is je handelen zeer beperkt. Een korte blik op je portemonee (een ouderwets woord dat binnenkort niemand meer kent omdat draagbaar geld afgeschaft zal worden) leert al hoeveel kaarten je mee moet zeulen om aan alle behoeftes te kunnen voldoen. Dat is onhandig dus binnenkort zal iedereen wel een vorm van chip krijgen geïmplanteerd  waarop alle gegevens leesbaar voor de machines zijn te vinden. Je huis is dan al helemaal digitaal en je koelkast weet dat het bier en de melk op zijn. Je hoeft alleen nog maar af ten toe te controleren of de geldstromen in de juiste sporen lopen en of je niet door je voorkeur voor downloadbare digitale muziek of kansspelen aan de bedelstaf raakt (ook een term uit een ver verleden).

Is er ontsnappen mogelijk? Of met andere woorden heb je een keuze, of met nog andere woorden, bestaat vrijheid nog? Nee dus. Vrijheid is een illusie want je bent digitaal vastgelegd. Er is een netwerk dat als een ”net van de vogelvanger” over je is uitgespreid en onder en binnen dit net kun je “je ding” doen als je binnen de marges van de geboden mogelijkheden blijft. Wil je de boel saboteren, krijg je een levenslang merkteken mee en wordt je misschien buiten het systeem geplaatst in een instelling voor weigeraars. Wil je niet meedoen omdat je niet digitaal afhankelijk wilt zijn en hecht aan je eigen keuzevrijheid, dan ben je in het verkeerde tijdperk geboren. Te laat dus. Wie is de vogelvanger, als er al sprake van een vogelvanger is? Waarschijnlijk niemand. Niet de overheid, niet de wetenschap en techniek, niet een enkel individu. Het is de structuur van onze digitale complexer wordende samenleving zelf waarin wij verstrikt zijn geraakt en waaraan geen ontsnappen meer is. Vogel zijn in de lucht is een illusie. Eens zul je moeten landen in de hand. En eenmaal in de hand kom je er nooit meer uit. Is dat een pessimistische kijk op de werkelijkheid? Op het digitale zelf? Dat valt te bezien. Voordelen en nadelen van digitaal vastgelegd zijn zullen verder moeten blijken. We hebben geen andere keuze dan aanpassen en binnen de gegeven mogelijkheden het beste ervan maken. Je realiseren dat de computer niet het antwoord is op alle vragen, dat hoeveel “apps” er ook momenteel worden aangeboden, het een gebruiksvoorwerp, een (levens)tijdverslinder, een noodzakelijk maar niet onoverkomelijk gegeven betreft. Je kunt zelf de nodige ruimte scheppen in je leven zonder dat je de misschien dringende behoefte moet volgen om er uit te stappen – om de digitale samenleving vaarwel te zeggen en deel te nemen aan een of andere commune in het achterland van een  Afrikaans of  Aziatisch land of bijvoorbeeld de VS. Want deze vlucht zal uiteindelijk ook een illusie blijken omdat we in een globale samenleving leven. In feite, en dat is eigenlijk wel het meest ironische aan de zaak, zijn we niet verder gekomen dan de ervaring van de middeleeuwer. Deze leefde toen in een gesloten kosmos waarin het boven het beneden, de hemel de aarde, aanstuurde en waarvan je maar moest hopen dat het goed kwam. Wij worden niet meer aangestuurd door de hemel maar nu door de “digitaal” en wij zijn net zo machteloos en afhankelijk – hopend dat bugs in het systeem ons niet tot “outcast” maken. Zo zij het: eens vastgelegd – altijd vastgelegd. Dat is nog steeds niet veranderd. We transformeren van de ene gevangenis in de andere, maar het ligt aan je zelf hoe je deze ruimte wilt inrichten en of je ramen en deuren inbouwt met uitzicht op een mooi landschap en af en toe vakantie.

vrijdag 30 september 2011

John Hacking