Excursie 3: het lichaam van Jezus

 

 

“Traum der Erlösung

 

Dessen Wunden bluteten in meinen Traum

ganz graues Blut verstossner Strassen, Gänge,

ihn rief ich umsonst, doch hat ärmliche Enge

sein verlangt wie nach dem Brot hungriger Gaum.

 

Seines Todes Schuld mussten sie auf sich nehmen,

dazu sandte man sie hin, ihm das Kreuz aufzubauen.

Sie wurden auch verurteilt, arm zu sein, sich zu schämen,

und sollten allem Blendwerk blind vertrauen.

 

Er nun, glücklicher und drum auch stärker als sie,

wollt durch den Tod nicht ihre Schuld, nein Leiden

von ihren erdgebundnen schweren Seelen scheiden,

doch so hartes Werk glückte selbst Gott noch nie.

 

Er war allein, geplündert, nackt und irre,

sein Fleisch ans Kreuz geheftet. Das Gelächter

des missgeführten schwemmte um ihn, die elend, kirre,

mürb verliessen ihren göttlich-grossen Fechter.

 

Doch wirst du, Herr, noch mehr allein sein müssen,

so sehr allein, dass du dich selber hasst,

dass Steine deinen Hunger füttern, nur von Küssen

Judas begnadet, deine Liebe wird zur Last.

 

Und du wirst, o Herr, völlig verscholln, vergessen

dich schmücken mit der Fäulnis. Falbe Milben

solln deine heiligen Träume, leuchtenden Freuden zerfressen,

wird all dein glühend Gold verjähren und vergilben.

 

Und du wirst , O Herr, mit der hellerlichteten Seele

die Gottheit aufgeben müssen, den Heiligenschein,

so wortlos und so sonnenlos wirkend, Scheibe der Pfähle.

Und du sollst auch Satans geringster Diener sein.

 

Und es wird der Tod von allen auf dich fallen,

Siechtums und der Entartung ekelste Verbösung.

Du aber wirst gemordet ganz ungehört verhallen

in dem Lärm ohne Rückkehr, Genesung und Erlösung.

 

Und ich sehe dich, Herr, gebückt, verzerrt und Flau

und bar der Sehnsucht, aller Tode krank,

und Mangel steinigt dich und Fron und Hass und Zank,

nur noch deine Seele ist unsagbar blau.

 

Doch es wird ein Tag sein, da das letzte Knickern

zerbrechend du sie auch preisgibst und verlierst,

und wird dem Neumond gleich dein stilles Licht versickern,

Licht, mit dem du deine Leiden strahlend zierst.

 

Und an solchem Tag hast du das Leid verbracht

von dieser Welt. Die Verbannten und Verscheuchten,

sie dürfen kriechen aus den Schächten tiefster Nacht

und alle werden selig sein und leuchten.

 

Deine Wunden bluteten in meinen Traum

ganz graues Blut verstossner Strassen, Gänge.

Ich seh dich, Herr, verschollen im Gedränge.

Ich seh dich, Herr, verloren ganz im Raum.”

Albert Drach[i]

 

In de “Laatste Verzoeking” van Nikos Kazantzakis sterft Jezus niet meteen aan de dood aan het kruis, het is geen kruisdood, maar een kruisdroom die hem overkomt en waarin hij al dromend de wereld ziet als hij niet zou zijn gestorven. Pas op de laatste pagina van de roman laat Kazantzakis Jezus sterven want hij is geen lafaard.[ii] Dit “heldenepos” geschreven door een auteur die geprobeerd heeft na te voelen wat Jezus doormaakte en die worstelt met schijn en werkelijkheid, waarheid en bedrog, hetzelfde waarmee hij zijn held Jezus laat worstelen, komt op een andere wijze terug bij José Saramago in “Het Evangelie volgens Jezus Christus”. Ook daar sterft Jezus op de laatste bladzijde, overtuigd van het feit dat ze hem als een lam hebben misleid dat naar de slachtbank wordt gevoerd. Nadat hij op de berg tegen het volk heeft gesproken zegt hij als hij in een tent zit met Maria Magdalena: “Ich bin der Hirte, der mit selbigen Stock die Schuldlosen und die Schuldigen zum Opferaltar treibt, die Erlösten und die Verlorenen, die Geborenen und die noch zu Gebärenden, wer aber erlöst denn mich von dieser Gewissenspein, der ich mich heute in der gleichen Verfassung sehe wie mein Vater einst, er hat zwanzig Leben zu verantworten, ich allerdings zwanzig Millionen.”[iii]

 

Saramago verwijst naar alle doden die gevallen zijn tijdens de verspreiding van het christendom over de aarde – en hij verwijst naar de doden die gevallen zijn toen Herodes omwille van het kind dat hij zocht talloze kinderen liet vermoorden. Het eerste bloed dat werd vergoten omwille van de Messias. Onschuldig bloed. Ook al kon Maria hier niets aan doen, gebeurde het buiten haar om, het blijft gruwelijk. Jozef draagt wel schuld want hij had de mensen kunnen waarschuwen zodat zij hun kinderen hadden kunnen verstoppen. Hij had daaraan niet gedacht maar dat pleit hem niet vrij, laat Saramago een engel tegen Maria zeggen: “Ich bin kein verzeihender Engel. Maria sagte, Vergib ihm, Ich sagte dir schon, dieses Verbrechen kennt keine Vergebung, sagte der Engel, eher würde Herodes verziehen denn deinem Mann, ein Verräter findet eher Vergebung als der Abtrünnige, Maria sagte, Was wollen wir tun. Der Engel sagte, Leben und leiden werdet ihr wie alle Menschen. Maria sagte, Und das Kind. Der Engel sagte, Die Schuld der Väter fällt stets den Kindern auf das Haupt, schon umdüstert der Schatten von Jozefs Schuld den Stirn deines Kindes,  Ach wir unglücklichen, sagte Maria, So ist es, sagte der Engel, und ihr werde keine Abhilfe haben.”[iv]

Daarmee is voor Saramago het pad van Jezus uitgestippeld – als offer voor zijn vader’s falen. Waarom moesten er al zovelen sterven opdat deze ene bleef leven? Saramago verwijst ook naar de kruisdood van zovelen – slechts deze ene werd heel bekend  – van de talloze andere gekruisigden werd geen woord meer vernomen. Maria Magdalena houdt Jezus later voor dat heel zijn leven is uitgestippeld, het is voorbestemd, alle daden die hij doet liggen al vast. Als Jezus tenslotte aan het kruis hangt en sterft begrijpt hij dat hij is bedrogen als hij nog illusies mocht hebben gehad: leven en dood lagen vast en hij realiseert zich: “…ihm fiel ein, welch ein Strom an Blut und an Erleiden von ihm ausgehen und die ganze Welt schwemmen werde, und in den offenen Himmel auf, wo Gott lächelte, schrie er, Menschen vergebt ihm, denn er weiss nicht, was er getan hat. Dann starb er hin, mitten in einem Traum, er sah sich in Nazareth, den Vater , der die Schulter hob und ebenfalls lächtelte, hörte er sagen, Ich kann dir nicht alle Fragen stellen und du mir nicht alle Antworten geben.”[v] Zo laat Saramago Jezus sterven terwijl in de verte de man wegloopt met de spons in azijn gedrenkt. Het bloed van Jezus druppelt in een zwarte beker.

 

Over deze variant in de interpretatie van de kruisdood van Jezus door Saramago is veel te zeggen en er is veel kritiek op gekomen maar daar wil ik het niet over hebben want het blijft een roman die ontsproten is aan de geest van de auteur zelf. Wat Saramago wel met zijn verhaal aanraakt is het feit hoe wij ons moeten verhouden tot de talloze doden – het gruwelijke lijden – de miljoenen slachtoffers van menselijk geweld in naam van religie, ideologie en machtspolitiek. Daarmee heeft hij een belangrijk thema te pakken waar ook Giorigio Agamben naar verwijst als hij spreekt over de muzelmannen in het concentratiekamp. Mogen wij het lichaam van Jezus aan het kruis vergelijken met de muzelman in het kamp? Met andere woorden, als Jezus helemaal mens was en als mens een spoor droeg van goddelijk ingrijpen, wat in de geloofsbelijdenis vertaald wordt met “God heeft zijn eniggeboren zoon naar de wereld gezonden”, dan kunnen wij vragen in hoeverre het goddelijke ook zichtbaar kan worden in de muzelman. Of is deze het absolute eindstadium van de mens – ook de mens als lichaam – en helemaal van God verlaten als in een diepte nacht? Dus de muzelman als hoogtepunt van de ‘verberging van God’ die zijn gelaat heeft toegedekt en waarvan wij mensen in deze wereld geen spoor van kunnen vinden? En niet alleen de muzelman, ook al die mensen die naakt in de gaskamer bijeengedreven een gruwelijke verstikkingsdood moeten sterven omdat “christenen” – gedoopte nazi’s zoals Hitler, Himmler en vele anderen dit hebben gepland? De kruisdood van Jezus opvatten als “Hij is gestorven voor onze zonden” wordt hiermee op een radicale wijze geproblematiseerd. Er bestaat geen goedkope genade – hoe graag ook sommige evangelische christenen ons dat zouden willen doen geloven als zij spreken over hun redding door Christus: de redding van de talloze slachtoffers die onmogelijk gered konden worden – worden voor het gemak dan maar even buiten beschouwing gelaten.

 

Eberhard Jüngel citeert met instemming kardinaal Martini: “Die Kirche befriedigt nicht Erwartungen, sie feiert Geheimnisse” en Jüngel ziet als grootste geheim: “Das grösste aller Geheimnisse ist dass den Gottlosen rechtfertigende Mysterium Paschale.”[vi] Hij werkt dat idee uit in zijn theologie en laat zien dat veel op het spel staat met dit mysterie en de omgang met dit geheim van de opstanding van Jezus na zijn dood aan het kruis. “Das Evangelium, das die Geschichte Jesu Christi als Enstehungsgeschichte einer grossen, allem Volk widerfahrenden Freude erzählt (Lk 2,10), ist in seiner pointiertesten Form eine ebenso einfache wie revolutionäre Botschaft: es ist das Wort vom Kreuz (I Kor 1,18), das aufgrund des Todes einer einzigen Person allen Menschen Leben verheisst. Dieses Wort bringt, was in den Evangelien erzählt wird, auf den Punkt. Im Wort vom Kreuz, das den Tod Jesu Christi als das über Leben und Tod der Menschheit und ihrer Lebenswelt entscheidende Ereignis verkündigt, vollzieht sich eine kerygmatische Konzentration, wie sie konzentrierter, wie sie aber auch kerygmatischer nicht gedacht werden kann: Gott für die Gottlosen! Leben für vom Tode Bedrohte und dem Tode Verfallene! Heil für eine heillos verfahrene und in selbstverschuldetem Unheil festgefahrene Menschheit! Befreiende Wahrheit für Menschen, die die Wahrheit unterdrücken (Rom 1,18) und mit der Wahrheit zugleich sich selber und ihre Mitmenschen in lebensfeindlicher Lebenslügen verstricken! Der Apostel Paulus hat dieses konzentrierte Kerygma, das nach Friedrich Nietzsches Urteil eine “Umwerthung aller antiken Werthe” bedeutete, in Röm 4,5 als Rechtfertigung des Gottlosen bezeichnet.”[vii]

 

Deze boodschap van de “rechtvaardiging van de goddelozen” wordt door Jüngel een kernleer bij Paulus genoemd omdat deze argumenteert en theologisch hierop reflecteert – het overstijgt het niveau van een briefcitaat. Het “woord van het kruis” namelijk dat de dood van een persoon verlossing brengt voor allen en dat de dood niet meer het laatste woord heeft – maar in Jezus is overwonnen – komt dus volgens Jüngel het meest geconcentreerd terug in de uitspraak: de rechtvaardiging van de goddelozen. Deze verlossing geldt dus ook expliciet voor allen die Jezus afwijzen en allen die er nooit van hebben gehoord en allen die verstrikt zijn in eigen leugens en zelfbedrog en daarmee ook anderen gevangen houden: dus zowel de nazi’s als hun slachtoffers, de schuldigen en de onschuldigen. Saramago liet Jezus zien als herder die schuldigen en onschuldigen naar het offeraltaar dreef – zij werden geofferd omwille van Godsplan of wil: omdat het nu eenmaal vaststaat. Jüngel noemt het geen offer van allen maar een offer van Jezus dat allen zal bevrijden uit de klauwen van de dood en dat verlossing belooft voor allen.  Er staat nogmaals veel op het spel zegt Jüngel: het gaat om leven en dood, exacter om “das Entweder-Oder von Leben und Tod. Und da Leben im theologischen Urteil immer Zusammenleben bedeutet, geht es genauerhin darum, ob ich jetzt und in Ewigkeit mit Gott zusammenleben das Recht habe oder aber im Grunde mit niemandem zusammenzuleben vermag und also dem Tod verfallen bin. Denn im Tod zerfällt mit dem Zusammenleben auch das Leben.”[viii] Daarnaast gaat het ook om mijn persoon, om mijn persoon-zijn als zelf, als ik, en wie maakt mij tot persoon, waarvan de waardigheid onaantastbaar is? Het gaat ook volgens Jüngel om God en om de vraag wat in waarheid goddelijk is en met welk soort van menselijkheid de mens tegenover de goddelijkheid van God staat – de mens als evenbeeld Gods. Met andere woorden wat of wie is een werkelijk goddelijk God en wie of wat een werkelijk menselijke mens?

 

Jüngel noemt nog een aantal zaken die hier op het spel staan zoals de vraag naar onze betrokkenheid in deze geschiedenis via het leven van Jezus – was zijn woord aan het kruis een grafrede of een hoopvol teken voor ons allen? Wij zijn wel in deze geschiedenis als christenen ingeschreven – we participeren eraan – maar het verlossende feit zal zich nog moeten voordoen: dat vormt in feite ook de kern van alle  eschatologie. Jüngel vraagt ernaar hoe wij deelnemen, hoe wij deel hebben aan en hoe Jezus deel-gevende is door zijn leven voor ons te geven. Doet de rest van de wet – de Tora – ook mee of is het kruiswoord genoeg? Tenslotte staat de gerechtigheid op het spel, gerechtigheid door God verschaft om de scheve verhoudingen en het onrecht in de wereld recht te zetten – en tenslotte ons geweten dat in een leer over de rechtvaardiging niet buiten spel kan blijven.

Jüngel is reformatorisch theoloog genoeg om deze vragen in een heel boekwerk aan de orde te stellen en te beantwoorden maar deze exercitie valt buiten ons project hoe boeiend ze ook is om te lezen en na te voltrekken.[ix] Waar ik wel nog naar wil verwijzen is zijn tekst over de dood “Der Tod als Geheimnis des Lebens” omdat hier op een andere manier weer dezelfde vragen terugkeren vanuit het standpunt dat wij mensen sterfelijk zijn en dat de dood ons allen wacht.[x]

 

Bestaan er woorden die de dood aankunnen of moeten we blijven zwijgen in het aangezicht van de dood vraagt Jüngel zich af. Is met andere woorden de dood ook een taalprobleem – als de liefde zoals het Hooglied zegt, sterk is als de dood, is er dan ook een woord sterk als de dood? In zijn opstel bespreekt hij waarom het zo moeilijk is om zakelijk over de dood te spreken, waarom men de dood eigenlijk alleen maar haten kan en tenslotte wat God met de dood van doen heeft en wat dat voor onze instelling ten aanzien van de dood betekent.[xi]

Jezus sprak in zijn droefheid over het feit dat hij ten dode bedroefd was vlak voordat hij in de tuin zal worden gearresteerd om voorgeleid te worden. (Mk 14,34). Hij is doodsbang en het naderende einde doet hem vrezen voor het ergste. De tekst luidt in Markus 14, 33-36 terugkijkend op het gebeuren:

“Hij neemt Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee,- en begint verbaasd en angstig te worden; hij zegt tot hen: mijn ziel is diepbedroefd, ten dode toe; blijft hier en blijft wakker!

Een klein stukje verdergegaan is hij ter aarde gevallen en heeft gebeden dat, als het mogelijk was, die ure aan hem voorbij mocht gaan, en hij heeft gezegd: Abba, Vader, alles is mogelijk voor u; draag deze drinkbeker van mij weg!- maar niet wat ík wil maar wat gíj!..”

Dezelfde tekst bij Lucas 22,40-45 luidt in een retrospectief:

“Op de plek aangekomen zegt hij tot hen: bidt dat ge niet in beproeving komt! Zelf zondert hij zich van hen af, op ongeveer een steenworp; op de knieën neergevallen heeft hij gebeden, zeggend: Vader, als ge wilt, draag deze drinkbeker van mij weg; maar niet míjn wil maar de uwe moet geschieden!

Dan laat zich aan hem een engel uit de hemel zien die hem sterkt.

Hij wordt doodsbang en heeft nog dringender gebeden; zijn zweet wordt als druppels bloed die neerdalen op de aarde; als hij opstaat van zijn gebed, en bij de leerlingen komt, vindt hij hen slapend, van verdriet.”[xii]

 

Jezus doorleeft zijn doodsangst alleen. Een engel sterkt hem in de versie van Lukas maar daarna wordt hij nog banger. De dood heerst onverbiddelijk als een bitter medicijn en daarom is de heerschappij van de dood ook om te haten volgens Jüngel. Het hoort zelfs tot de menselijke waardigheid om deze dood te haten – maar het moet geen blinde haat zijn – dat komt het leven niet ten goede want het is dan als een onverwerkte emotie – een woede-uitbarsting. Het christelijk geloof schaft doods-haat en angst voor de dood niet af, maar ontneemt hen beiden de blindheid. Jüngel zegt dat het christendom het heidense karakter uit de haat op de dood verwijdert en doet dat door de dood te zien in het licht van het evangelie waardoor er ook licht valt in de duisternis van de dood.[xiii] Naast de negatieve beelden van de dood, de dood als vloek en als hel, “een sterven moeten – zonder te kunnen sterven”, als verdiende straf, bestaat er ook een beeld van de dood als belofte, zoals het zaad dat in de aarde wordt gelegd om te sterven en te ontkiemen. Jüngel hierover: “Man hat in Nachbarschaft zu dieser Utopie dem Tod nun doch noch eine versöhnliche Dimension abgewonnen und ein Verständnis des Todes entwickelt, das diesen geradezu als letzten und eigentlichen Akt menschlicher Selbstverwirklichung begreift. Der alte Schelling hat den Tod in seiner Wirkung “mit jenem Process” verglichen, “in welchem der Geist oder die Essenz einer Pflanze ausgezogen wird” (Schelling denkt an Wein und “Kampher”!), und dementsprechend behauptet, der Tod des Menschen sei “eine Essentification”…, worin nur zufälliges untergeht, aber das Wesen, das was eigentlich Mensch ist, bewahrt wird. Denn kein Mensch erscheint in seinem Leben, ganz als der er Ist. Nach dem Tode ist er bloss noch Er selbst…Dahin gehört, dass man ein abgeschiedenes Wesen, inwiefern man es erscheinen lässt, einen Geist nennt, nicht etwa eine Seele, man denkt sich also dabei den ganzen Menschen, nur vergeistigt, essentificirt” – In anderer Wendung desselben Gedanken hat E. Bloch vom Tod als einer “Verwesentlichung” gesprochen – im Sinne einer “Verneinung, dessen was in der Welt nicht zur Utopie gehört; er schlägt es weg, so wie er sich selber… wegschlägt: im Todesinhalt selber ist dann kein Tod mehr, sondern Freilegung von gewonnenem Lebensinhalt, Kern-Inhalt.” Der Tod kann nach Bloch zwar jede Schale knacken, aber er hat “nur die Macht, die Schalen um den Subjekt-Inhalt aufzuknacken…Wo immer Existieren seinem Kern nahekommt, beginnt Dauer, keine erstarrte, sondern eine, die Novum ohne Vergänglichkeit…enthält.” Und “in diesem glühend-dunklen Kern” geht es nach Bloch “Letzhin…vor allem” um “das potentiell Adlerhafte der menschlichen Materie” als Empor zum Alles.” – In wieder anderer Wendung desselben Gedankens haben Theologen wie Rahner und Boros den Tod als die das eigene Leben vollendende Tat des Menschen, ja als “die Tat des Wollens schlechthin” behauptet.”[xiv]

 

Met dit idee van de mens en zijn lichaam als omhulsel zin wij terug bij Peter Sloterdijk die het aarden maaksel liet vullen met geestkracht, bezieling. De dood heeft dus in deze overwegingen geen effect op het binnenste, de ziel, maar slechts alleen op het lichaam. De dood is dus als bij de graankorrel de noodzakelijke fase waardoor heen gegaan moet worden om opnieuw te kunnen ontkiemen/leven. Jüngel vraagt zichzelf af wat hij hiervan moet denken en zeggen. Als positief aspect ervan kan hij onderschrijven dat de dood als het ware om zichzelf bedrogen wordt, omdat hij alleen maar instrument is in een afbraakproces. Dood als geboortehandeling. Maar ook een beeld van Schelling waarin de dood begrepen wordt als “essentificatie” miskent het feit, zo Jüngel, dat de mens de dood ondergaat en niets te willen heeft, ook op dat moment dus geen nieuwe geboorte. Ook de zelfmoord, zelfdoding, “Freitod”, is het effect van een dwang en de reactie op een onhoudbare situatie volgens Jüngel. In de dood wordt de mens vernietigd en geen enkele filosofische gedachte kan dat verzachten.[xv] Voor de gelovige is de God die spreekt, ook in de dood (zo Luther), de garantie dat de dood niet absoluut is. Jüngel laat God dan ook optreden in de middeleeuwse dodendans om de gedoemden toe te spreken en zij die het horen, weten dat de dood niet de laatste gang is – niet de laatste dans. Jüngel pleit voor een menselijk omgaan met dood en met het sterven opdat ook hierin deze hoop zichtbaar kan worden.[xvi] Maar het blijft de taal van een theoloog – op afstand. Daarom nu de schrijver en de dichter aan het woord om hun kijk op sterven en dood te ervaren.

 

Harold Brodkey, gestorven aan aids, beschrijft in “Die Geschichte meines Todes” de angst voor het sterven zelf en aan het slot van zijn boek de overgave aan de dood. Over de angst schrijft hij:

“Die Furcht bewegt sich in mir und ist ohne scharfe Kontur. Sie umgibt mich mit seltsam elektrisierendem Geflüster und dem Gefühl, ich würde verbrannt, ins Licht geschossen – oder ins Dunkel. Frucht sollte man sich nicht als unphysisch vorstellen. Man sollte sie nicht in ein Wort packen. Ich bin nicht gar so unmittelbar in der Hand des Todes, und doch gerate ich ihm näher und näher.

Manchmal kann ich sie mir noch aus der Seele schlafen, meine Furcht. Meine Träume sind nun sanft, selbst wenn es ihnen darum geht, dass ich überfallen, ausgeraubt und zu Boden geschlagen werde, selbst wenn ich meinen Autoschlüssel in ein Stück nachgebender Erde stecke. Oft aber wache ich von einem Nachmittagsschlaf in dem grauenhaften Gefühlt auf, dass es vorbei ist und niemals viel bedeutet hat; ich hätte niemals ein Leben gehabt. Die kostbare Zärtlichkeit und die harte Arbeit sind infiziert mit dem Faktum Tod: nun scheint es, als wären sie so wundervoll nicht gewesen, doch sonst hab ich nichts gehabt. Und dann möchte ich getröstet werden. Ich will meine Stille in ihren alten, unbedrohlichen Formen wiederhaben und die Feigheit des Possenreissers. Ich will atmen können, ich will Geschichten und die Welt.”[xvii] Het is voorjaar 1994 als Brodkey deze woorden schrijft. Er komt een moment dat de medicijnen tegen aids niet meer werken, alle alternatieven zijn uitgeprobeerd en de artsen kunnen niets meer voor hem doen. Het is winter 1995. Dit zijn de laatste woorden uit zijn boek, voordat hij in januari 1996, een korte tijd na deze periode sterft:

“Mann kann die Welt satt haben – die Gebete-Macher, die Gedichte-Macher satt haben, deren Rituale zerstreuen und die menschlich und angenehm sind, aber noch ärger als ärgerlich, weil sie nichts Reales enthalten -, während einem die Realität selbst sehr lieb bleibt. Man möchte das Wirkliche noch hie und da erspähen. Gott ist etwas Unermessliches, während diese Krankheit, dieser Tod, der in mir steckt, dieses kleine, banale Ereignis, lediglich real ist, restlos, ohne ein Wunder zu bergen – oder eine Lehre. Ich stehe auf einem frei dahintreibenden Floss, einem Kahn, der sich auf der biegsamen, fliessenden Oberfläche eines Stroms bewegt. Eine unsichere Situation. Ich weiss nicht, was ich da tue. Die Unwissenheit, die angespannte Balance, die abrupten Stösse und die Instabilität breiten sich in kleinen, immer weitere Kreise schlagenden Wellen über all meine Gedanken aus. Frieden? Den hat es auf der Welt niemals gegeben. Doch auf dem geschmeidigen Wasser, unter dem Himmel, unverankert, reise ich nun dahin und höre mich lachen, zuerst vor Nervosität und dann vor echtem Staunen. Ich bin davon umgeben.”[xviii]

Het is een slotakkoord dat ook doet denken aan de reis over de Styx – de zielen die naar de onderwereld worden getransporteerd. Maar ook aan de beelden van de zee die door Juan Ramón Jiménez, bekend van het verhaal over zijn ezel Platero[xix], en als dichter een van mijn grote favorieten, herhaalde malen terugkeren. Zoals in (Duitse vertaling):

 

“Traum-Nocturno

 

Die Erde führt über die Erde;

doch du, Meer,

führst durch den Himmel.

 

Mit welcher Sicherheit weisen die silbernen

und goldenen Lichter der Sterne

den Weg! – Man könnte sagen,

dass die Erde die Strasse

des Leibes ist,

dag das Meer der Weg

der Seele ist.

 

Ja, es scheint,

dass die Seele die einzige Reisende

des Meeres ist; dass der Körper alle in

zurückgeblieben ist dort am Ufer,

ohne sie, nachdem er Lebewohl gesagt hat,

plump, seelenlos, wie tot.

 

Wie sehr gleicht

die Seereise der Reise in den Tod,

in das ewige Leben!”[xx]

 

De zee, en de reis op zee is een reis in de dood. Maar het is niet het lichaam dat op reis gaat maar de ziel. Het lichaam blijft achter op het strand, of in het graf. In stilte, in zwijgen, zonder dat er nog een woord gesproken wordt. Dat komt ook in het gedicht ‘Oever’ tot uiting:

 

“Ufer

 

Mit welcher Wonne, Dunkel, gleiten wir

In deine Höhle, Nacht für Nacht

– wie in einen willkommenen

Tod – ,

Überdrüssig der traurigen Gedanken

An das, was wir nicht können, Tag für Tag!

 

– Die Augen, die uns in die Augen schauen,

mehr als in andre Augen,

Augen, in die die unsren mehr schauen als in andre

(diese Sehnsüchte, flammend,

wie Kohlen, nach Zärtlichkeit),

auch sie schliessen sich nun in uns,

fast wie im eignen Dunkel. –

 

Stille. Allein

Die toten Körper, schwarze Ballen,

Bleiben auf der verlassenen

Mole liegen, vereint, unter den Sternen,

Nur durch das Grauen ihrer Niederlage.”[xxi]

 

 

Jiménez is gefascineerd door de dood, het sterven en de ziel. Beelden wisselen elkaar af: het licht, de hemel, de sterren en de nacht. Bestaan er woorden die de dood aankunnen, vroeg Jüngel boven, ik stel de vraag nog een keer. Ik geloof van wel, maar het zijn de woorden van de dichter, die én de geliefde persoon én de overleden persoon in de ogen durft te kijken. Daarmee maakt hij op een poëtische manier concreet wat Levinas met zijn filosofie van het gelaat op het oog heeft. Het gelaat dat je aankijkt, beter de mens die je aankijkt en die jou aankijkt met ogen, ogen die de wereld verkennen. Ogen ook die, zo Jiménez, als ze definitief gesloten worden, naar binnen kijken, zoals in het volgende gedicht:

 

“Der Tod

 

Du schautest dir,

gegen das Sonntagslicht gewandt,

in einem hohlen Guckkasten farbige Bildchen an,

mit deinem schwarzen, grossen, hingerissenen Augen.

 

Später schlossen sich deine Augen traurig…

 

Und nunmehr bist du selbst der Guckkasten;

nun sind in deiner Seele die buntfarbigen Bildchen,

und deine schwarzen, grossen, hingerissenen Augen

schauen sie an, nach innen gewandt, für alle Zeit!”[xxii]

 

Deze ogen leggen geen contact meer. Deze ogen zijn gedoofd, het licht van de ziel is uit hen verdwenen achter een donkere horizon. En zij die achterblijven met de herinnering aan dat ogenlicht willen het niet weten, zij zouden liever de schijndood van de slaap verkiezen dan de definitieve dood – het einde zonder weerga. Jiménez heeft dit prachtig uitgedrukt:

 

 

“IK zou GRAAG SLAPEN

Ik zou graag slapen deze nacht

Nu jij dood ligt, slapen,

slapen, slapen terzijde

van jouw volkomen slaap

om te zien of ik je zo

bereiken kan!

 

Slapen, een morgenstond in de avond

bron van de rivier, slapen;

twee dagen die samen opgaan

in het niets, twee stromen

die aan het eind samenvloeien;

twee eenheden alsof het één is

tweemaal niets alsof het niets is.

 

Ik zou zo graag je dood verslapen.”[xxiii]

 

 

Een verlangen om na de dood, te versmelten met de dode geliefde, als een verbeelding van de liefde sterk als de dood, een even sterke kracht die de dood niet ongedaan kan maken maar die wel blijft staan naast de dood. Misschien is dat wel het geheim van het leven na de dood: het gaat niet om het leven, maar het gaat om de liefde.

In het evangelie van Johannes wordt, zo vermoed ik, dit beeld gepresenteerd als basis voor een christelijke hoop. Jezus wordt begraven in een tuin. Als Maria Magdalena arriveert is het graf leeg. Bij de andere evangelisten zijn er drie vrouwen die het graf bezoeken en het leeg aantreffen. Daar geeft een goddelijke bode een duiding. Bij Johannes verloopt het anders. Daarom heeft Johannes er een tuinverhaal van gemaakt, een paradijstuin, waar de dood wordt opgeborgen. Jezus verschijnt;

“Jezus zegt tot haar: Maria! Zij keert om en zegt tot hem in het Hebreeuws: rabbóeni!- dat wil zeggen: meester!” (Joh 20,16) Rabbóeni betekent herkenning, doorbraak, de leraar leeft in de leerling, dat is ook een opstanding. Via de liefde van Maria voor Jezus, die eerst blind van tranen nog niet ziet, maar dan wakker geroepen en gezien door de ogen van de opgestane Jezus, veert Maria op: haar geliefde staat voor haar. De liefde die er was blijkt ook na de dood even krachtig. De slaap van dood heeft haar niet kunnen doden, en in de apostelen, de leerlingen zal deze liefde wakker blijven, een opstanding!

Van die opstanding zullen we daarna getuigen worden in de verhalen: Saulus die in Paulus transformeert maakt dat met zijn leven en zijn werken zichtbaar.

 

Jezus als Woord Gods, “Logos”, – brood uit de hemel[xxiv] – liefde geplant in de mensen om hem heen en uitgegroeid tot levensboom in onze tijd, levensbrood, spijs en drank voor onze ziel in het aangezicht van de dood. Liefde sterk als de dood. Niet de taal van het offer spreekt hieruit, een gestorven voor onze zonden – (of is dit lange weg over vele theologische omwegen om hetzelfde te zeggen?), – maar de taal van ik houd van jou – jij mag er zijn zoals je ten diepste bent. Het is de taal van de herkenning en de erkenning van het wezen van de mens die voor je staat. Dat, waar ieder mens behoefte aan heeft: te worden gehoord en gezien, helemaal. Te worden gekend, helemaal. Niet alleen maar omdat je bepaalde eigenschappen hebt of toevallig ergens goed in bent, omdat je tot een volk of ras behoort. Het blijft daarom ook de kracht van de poëtische taal die ons in leven houdt.[xxv] Poëzie die op alle terreinen van de theologie en de religieuze beleving door kan werken en kaders kan leveren om hoop te formuleren en het mysterie te duiden. Zo het begrip “incarnatie” wat een theologisch kernwoord is om het leven van Jezus te duiden zonder te vervallen in een letterlijk aanwijzen of is gelijk stellen aan in het is-teken. “Incarnatio”, wie is de actant, wie handelt hier? Wie is subject van dit handelen? Wie het object? In het vlees zich openbaren: niet het vlees openbaart, maar in het vlees, namelijk in het leven en werken van Jezus wordt de werkzaamheid van God zichtbaar gemaakt. Dat is meer dan een vingerwijzing, meer dan een aanwijzen, een symbolisch duiden. Het overstijgt ook de taal omdat leven en dood en de belofte die hiermee samenhangt in het geding is.

 

God manifesteert zich in elke mens, in elke Adam, in Jezus wordt dat transparant – God wordt in hem zichtbaar, tastbaar in de daden die hij deed. Alles was bij Jezus verwijzing naar zijn “Vader”. Na zijn dood vindt de omgekeerde beweging plaats: Jezus wordt God en dreigt zo zijn transparantie te verliezen want hij is nu één met de Vader (- hij krijgt met andere woorden, dat gevaar dreigt, teveel “dogmatische substantie”). Wij, op aarde, moeten transparant worden voor God die in ons leeft en werkt. Zoals Jezus transparant werd, zo ook wij. Maar het gevaar blijft aanwezig dat wij in plaats van in het spoor van Jezus te wandelen en zelf zo transparant te worden, doorgeefluik van de geest die in ons leeft, dat wij van Jezus een magische “Godheid” maken om te aanbidden en vergeten dat het om daden gaat en niet alleen om woorden. Stolling is dan het resultaat, we roesten vast en ondergaan zoals alle ijzer, een afbraakproces als wij aan de zuurstof van het leven worden blootgesteld. Verfjes in de vorm van dogma’s kunnen ons uiteindelijk niet beschermen, hoe vaak de lagen ook vernieuwd worden.

 

“DE ALLERLAATSTE REIS.

 

En ik zal gaan.

En de vogels zullen blijven en zingen;

en blijven zal mijn tuin, met zijn groene boom

en zijn witte bron.

 

Elke avond zal de hemel blauw en vredig zijn.

en luiden zullen, net als vanavond,

de klokken van de kerktoren.

 

Sterven zullen zij die van mij hielden;

en het dorp wordt elk jaar weer nieuw;

en in elke hoek van mijn tuin met witte bloesems

zal mijn geest dronken van heimwee ronddwalen…

 

En ik zal gaan; en ik zal alleen zijn, zonder thuis,

zonder groene boom, zonder witte bron,

zonder blauwe en vredige hemel…

en de vogels zullen blijven en zingen.”

Juan Ramón Jiménez – El viaje definitivo[xxvi]


[i] Drach, A., Gedichte, Wien 2009 (Paul Zsolnay Verlag) p. 31-32

[ii] Vgl. Kazantzakis, Nikos, Die letzte Versuchung. Roman, Frankfurt am Main Berlin 1995 (Ullstein) p. 457-458; 512

[iii] Saramago, José, Das Evangelium nach Jesus Christus. Roman, Reinbeck bei Hamburg 199 (Rowohlt) p. 464

[iv] Saramago, José, Das Evangelium nach Jesus Christus. Roman, Reinbeck bei Hamburg 199 (Rowohlt) 131

[v] Saramago, José, Das Evangelium nach Jesus Christus. Roman, Reinbeck bei Hamburg 199 (Rowohlt) p. 511

[vi] Jüngel, E., Das Evangelium von der Rechtfertigung des Gottlosen als Zentrum des christlichen Glaubens. Eine theologische Studie in ökomenischer Ansicht, Tübingen 2006 (Mohr Siebeck) p. XXI

[vii] Jüngel, E., Das Evangelium von der Rechtfertigung des Gottlosen als Zentrum des christlichen Glaubens. Eine theologische Studie in ökomenischer Ansicht, Tübingen 2006 (Mohr Siebeck) p. 1

[viii] Jüngel, E., Das Evangelium von der Rechtfertigung des Gottlosen als Zentrum des christlichen Glaubens. Eine theologische Studie in ökomenischer Ansicht, Tübingen 2006 (Mohr Siebeck) p. 3

[ix] Vgl. Jüngel, E., Das Evangelium von der Rechtfertigung des Gottlosen als Zentrum des christlichen Glaubens. Eine theologische Studie in ökomenischer Ansicht, Tübingen 2006 (Mohr Siebeck)  p.3-4

[x] in: Jüngel, E., Entsprechungen: Gott – Wahrheit – Mensch. Theologische Erörtungen II, Tübingen 2002 (Mohr Siebeck) p. 327-354

[xi] Vgl. Jüngel, E., Entsprechungen: Gott – Wahrheit – Mensch. Theologische Erörtungen II, Tübingen 2002 (Mohr Siebeck) p. 327

Vgl. ook: Wils, Jean-Pierre, Ars moriendi. Über das Sterben, Frankfurt am Main. Leipzig 2007  (Insel Verlag) p. 45. e.v. wat het ergste te vrezen valt: de dood of het sterven.

[xiii] Vgl. Vgl. Jüngel, E., Entsprechungen: Gott – Wahrheit – Mensch. Theologische Erörtungen II, Tübingen 2002 (Mohr Siebeck) p. 338

[xiv] Jüngel, E., Entsprechungen: Gott – Wahrheit – Mensch. Theologische Erörtungen II, Tübingen 2002 (Mohr Siebeck) p. 342-343

[xv] Vgl. Jüngel, E., Entsprechungen: Gott – Wahrheit – Mensch. Theologische Erörtungen II, Tübingen 2002 (Mohr Siebeck) p. 343-344

[xvi] Vgl. Jüngel, E., Entsprechungen: Gott – Wahrheit – Mensch. Theologische Erörtungen II, Tübingen 2002 (Mohr Siebeck) p. 352-354

Vgl. voor een samenvatting van bijbelse citaten rond de dood en de opstanding: Heine, Jan, Dood, opstanding en eeuwig leven. Tenach en Jodendom, in: Mulder, Etty, Ester, Hans (red.), De schone verbeelding van de dood. Over verwerking en vormgeving van een levensprobleem, Nijmegen 1999 (University Press) p. 140-160

[xvii] Brodkey, Harold, Die Geschichte meines Todes, Reinbeck bei Hamburg 1996 (Rowohlt) p. 156-157

[xviii] Brodkey, Harold, Die Geschichte meines Todes, Reinbeck bei Hamburg 1996 (Rowohlt) p. 188-189

[xix] Vgl. Jiménez, J.R., Platero en ik. Andaloezische elegie, Amsterdam 1951 (Uitg. C. de Boer Jr.)

Jiménez, J.R., Platero en ik. Een Andalusische Elegie, Utrecht 2005 (Uitgeverij Ijzer)

Jiménez, J.R., Platero und Ich. Andalusische Elegie, Frankfurt am Main 1992 (Insel Verlag)

[xx] Jiménez, J.R., Stein und Himmel. Piedra y Cielo. Gedichte spanisch und deutsch übertragen von Fritz Vogelsang, Stutgart 1988 (Klett-Cotta) p. 131

[xxi] Jiménez, J.R., Stein und Himmel. Piedra y Cielo. Gedichte spanisch und deutsch übertragen von Fritz Vogelsang, Stutgart 1988 (Klett-Cotta) p. 81

[xxii] Jiménez, J.R., Stein und Himmel. Piedra y Cielo. Gedichte spanisch und deutsch übertragen von Fritz Vogelsang, Stutgart 1988 (Klett-Cotta) p. 97

[xxiii] “¡Quiero dormir, esta noche” in: Jiménez, J.R., Libros de Poesía, Madrid 1957 (Aguilar) p. 1142 (vertaling van mijn hand)

[xxiv] Vgl. Beuken, Wim e.a. (red.), Brood uit de hemel. Lijnen van Exodus 16 naar Johannes 6 tegen de achtergrond van de rabbijnse literatuur, Kampen 1985 (Kok)

[xxv] Vgl. Strunk, R., Poetische Theologie. Grundlagen-Bausteine-Perspektiven, Neukirchen-Vluyn 2008 (Neukirchener Verlag)

[xxvi] Jiménez, J.R., Herz stirb oder singe. Gedichte, Zürich 1977 (Diogenes) p. 14 (vertaling van mijn hand)

 

 

complete tekst: http://philosophyofthebody.wordpress.com/wereldbeeld-als-lichaam/