Zelf en taal

“Waarom ben je ongelukkig? Omdat 99,9 % van alles wat je denkt en van alles wat je doet, voor jezelf is, en er is geen zelf!”

Wie Wu Wei

Taal is volgens Carnap een semantisch kader, ze is niet de orde der dingen. Als semantisch kader schept ze een structuur waarbinnen wij ons denken met behulp van woorden en zinsconstructies kunnen orden en vorm geven. Zo communiceren we met elkaar zonder dat er een wezenskenmerk verstopt moet zitten in de woorden die we gebruiken. Als we ‘tafel’ zeggen, zeggen we iets over een voorwerp met een bepaalde nuttige functie maar niets over het zogenaamde wezen tafel. En een ieder denkt daarbij misschien aan een tafel die gekend is en die misschien we thuis in de huiskamer staat. Dat zijn dan allemaal andere tafels. De chirurg denkt misschien aan een operatietafel en de anatoom aan een snijtafel met gootje voor het bloed. De wiskundige denkt aan tafels van getallen en de kok aan tafels in zijn restaurant: allemaal aan tafel, we gaan beginnen.

Het probleem met woorden en begrippen is dat ze ook niet hoeven te verwijzen naar een soort van wezen of idee zoals Plato dat nog in gedachten had. Dat is een probleem als je woorden vast wilt leggen op hun betekenissen, terwijl we weten dat veel betekenissen meestal vloeiend zijn. Het probleem speelt alleen als je vast overtuigd ben van een vorm van waarheid van je woorden, bijvoorbeeld bij het woordje God. Als je God zegt, wat zeg je dan? Waarnaar verwijst dit woord? Niet voor niets bestaat het gebod God niet vast te leggen, niet in woorden en niet in gegoten beelden en ook niet in gesproken beelden. Is ook het woordje God niet meer en niet minder dan een vingerwijzing, een aanwijzing, een onderdeel in een semantische structuur waarmee wij de wereld ordenen? En verwijst God dan naar de religieuze dimensie van die wereld, een dimensie die wij door taal en ritueel gestalte geven? Maar zegt het niets maar dan ook helemaal niets over God zelf? Ik denk dat dit klopt. God zegt niets over de inhoud God. Die inhoud voegen we later toe met andere woorden, beelden, betekenissen. God voor mij, en God voor jou. Telkens weer anders, telkens andere stappen in een proces van betekenisgeving. Dat proces noem ik semiose, de betekenissen liggen niet vast maar schuiven, verschuiven. Telkens als iemand anders deze begrippen gebruikt kun je niet zeker zijn dat hetzelfde bedoeld wordt en ook je eigen gebruik verschuift in de tijd. Dus je hebt geen houvast, alleen schuivende inhouden voor je begrippen.

Het woordje zelf, of het begrip zelf, het woord zegt het al, we proberen te begrijpen via begrip, greep krijgen op, blijft een vaag woord. Wat is zelf, wat is mijn zelf, kan ik het aanwijzen, vastpakken zoals ik mijn arm vastpak? Ik noem mezelf een zelf maar wat zeg ik dan? Is zelf niet toch maar een psychologisch construct dat goed uitpakt in de conversatie maar dat wetenschappelijk gezien geen poot heeft om op te staan. Met wetenschappelijk bedoel ik het vastgelegd en objectief ervaar zijn van het zelf in het individu of het subject. Ik kom steeds meer op glad ijs: subject, ook al zo’n moeilijk begrip, en individu. Als ik ‘zelf’ moet omschrijven, beschrijven  bedien ik me automatisch, zo lijkt het wel van andere vaagheden. Woorden die veronderstellen dat ik er op de een of andere wijze mee verbonden ben, maar vager in ieder geval als mijn lichaam ik is, en ik deel uitmaak van mijn lichaam. Mijn denken vindt tenslotte plaats in mijn hoofd, duidelijk localiseerbaar. Dus ik kan theoretisch gezien niet zonder mijn lichaam zolang ik tenminste niet aan het uittreden ben of aan ontsnappen aan mijn lichaam. Definitief ontsnap ik als ik sterf, maar ontsnapt er dan iets, is er nog iets over om te ontsnappen? We weten het niet. Begrippen als ziel en bewustzijn helpen ons niet echt verder.

Een paar citaten waar ik de bron niet meer van ken luiden in dit licht:

“Als je jezelf eens zuiver bekijkt zie je niets anders dan herinneringen. In de vereenzelviging daarmee zit het probleem.  Het verleden als herinnering, de toekomst als verwachting, zo zijn we gebonden met de ketens van de tijd.”

“Dood is de toestand van geen toekomst hebben. De mens weigert de dood. De mens weigert te leven zonder een toekomst. In feite eist de mens een toekomst als een soort van belofte dat hij geen spoortje van de dood zal merken in dit huidige moment. Zijn angst voor de dood wekt in hem een intens gevoel van tijd. Tijd als illusie die de illusie van de dood voortdrijft. We beleven elk moment in het voorbijgaan.”

Misschien is dat wel de reden dat daarom ook onze woorden vloeiend zijn. De inhoud gaat met ons mee op onze levensreis maar we kunnen niks vastpakken. De betekenissen begeleiden ons ons hele leven en als we tussen gisteren en morgen leven maar vergeten dat het om hier en nu gaat blijven die betekenissen gekleurd door gisteren en morgen en komen we nooit in het nu aan. Waarschijnlijk zal dat ook nooit echt lukken: echt nu, is dood nu, dan zijn we overleden en doet ons denken niet meer mee. We zijn als het ware altijd te laat. We komen achter de woorden aan, als we ze uitspreken, als we ze denken beseffen we ons verlies. We halen het niet, we halen het nu nooit in, we hikken er tegen aan. Dus storten we ons maar op zonet en op zo dadelijk. En doen alsof we helemaal van het moment genieten en in het hier en nu aanwezig zijn. Misschien is pijn, en wel stekende pijn, het signaal van het hier en nu. Dat ondergaan is hier en nu pijn lijden. Maar zo gauw we erover spreken, denken, communiceren zijn we al weer te laat.

Th. C.W. OUDEMANS stelt in ‘Echte Filosofie’ (2008): “Een beeld is geen afbeelding, maar een concentratiepunt dat de aandacht van omstanders manipuleert.” Misschien zijn daarom onze woorden ook aanzetten tot beelden, begrippen vormgeving van beeldtaal. Door te spreken vestigen we aandacht op ons gezegde en roepen we beelden op die dan weer met de toehoorder iets anders kunnen doen dan met de spreker zelf. Deze toehoorder heeft zijn eigen associaties. Wat is het toch moeilijk om te geloven dat de ander precies dezelfde betekenis hecht en geeft aan de begrippen die jij uitspreekt. Zou dat echt kunnen plaatsvinden? Ik weet het niet. Als woorden en begrippen werken, invloed uitoefenen omdat ze betekenissen bemiddelen die dan weer schuiven en verschuiven, zijn ze als het ware dingen met invloed. Ze werken. Ze hebben een zekere macht. Oudemans stelt over dingen als zodanig: “Een ding is de werking ervan. De horizon waarbinnen dit plaatsvindt heet werkelijkheid, de omgeving werking. De zin van deze horizon is zelf werking. Er is geen onderscheid tussen ding en horizon dan een verschil in functie.” Als woorden ding zijn, ding in een taal, in een gesprek, onderdelen van een semantisch kader, dan werken zij binnen dit kader en hebben zij effect. Misschien is dat het zogenaamde echte wezen van het woord: het effect ervan. De functie staat dan centraal, niet de orde der dingen, of hoe de werkelijkheid als zodanig in elkaar zou zitten. Het woord is ding en de horizon waarbinnen het ding werkt, de taal, de omgeving is werking. Effect en werking zijn hetzelfde, ding en horizon idem, woord en werkelijkheid ook. Zo lopen we vast in onze eigen taal, onze eigen taalspelen, onze eigen begrippen. We zeggen, we spreken uit, we benoemen, en wat we bedoelen is een poging om effect te sorteren in het betekenisveld, de velden van onszelf en de toehoorders. Zo praten we ook tegen ons zelf in een innerlijke dialoog om onszelf ervan te overtuigen dat de dingen zijn zoals ze zijn, dat wil zeggen zoals wij ze waarnemen, opvatten en verwoorden. Een constante vorm van illusie, van zelfbedrog, van manipulatie.

Maar als er geen zelf is, dan valt er toch niets te bedriegen? Dan is de illusie toch verdubbeld? Dan leven we in een dubbele wereld van dromen, taaldromen, taalgedrochten, taalkaders die schijnzekerheid geven? Dubbel: ik ben er niet, er is geen zelf, en er is geen werkelijkheid. Help, waar is mijn houvast dan nog? Taal als functionele grootheid, taal als poging om effect te bereiken, taal als kader om die effecten te sorteren en te ordenen, daar moeten we het dan maar mee doen. De rest is romantiek. Maar hoe zal dat worden als we eenmaal digitaal zijn? Als al onze taal niet meer is dan de (bijna oneindige) combinatie van 0 en 1. Elke betekenis is dan ook een verzameling van 0 en 1. En elke uitkomst, elke verschuiving, elk effect niet meer dan 0 en 1. Dan wordt het wel erg saai. Of houden we liever vast aan onze dromen?

John Hacking

24 juni 2013