Geloofsbelijdenis

Bidden is eigenlijk een wijze van handelen die niet vanzelfsprekend is. Niet vanzelf ga je bidden. Er moet eerst iets aan de hand zijn en er moet een richting zijn, een gericht zijn op iets, iemand buiten jou om je gebed te adresseren. Bidden kent een zekere noodzaak, maar ook een zekere vanzelfsprekendheid als de adressant bekend is en als je ervan overtuigd bent dat het je goed doet. Bidden als vragen om iets, of smeken om een uitkomst, een oplossing, een uitweg uit een situatie die machteloos maakt is anders als bidden uit dankbaarheid voor meegemaakte ervaringen. Dat klinkt op het eerste gezicht logisch vanuit de positie van de bidder, maar vanuit de positie van de adressant is het dat niet want waarom zou deze adressant, de een wel en de ander niet verhoren. Met andere woorden als we de adressant eigenschappen toekennen om aan onze wensen en dankbaarheid tegemoet te komen zijn we eigenlijk verkeerd bezig. Mozes Mainonides noemde dat al het toekennen van menselijke eigenschappen aan God die daar niet op zit te wachten. Of anders uitgedrukt, we mogen onze menselijke ervaringen niet uitstrekken tot en met het domein van het goddelijke. God beantwoordt niet aan onze verwachtingen omdat hij geheel anders is. Hij valt buiten onze waarneming en buiten onze reflectie. Alles wat we over God zeggen als adressant van ons gebed is mensentaal, mensenduiding, menselijke betekenis. Dat zegt niets over God en alles over de mens zelf. Dat klinkt misschien radicaal maar het is wel in de lijn met de bijbelse verhalen waarin opgeroepen wordt geen beeld (ook geen idee) van God te maken. Dat kun je eigenlijk alleen maar heel radicaal verstaan omdat anders altijd het gevaar dreigt van het gouden kalf.

Maar kun je hiermee leven, kun je accepteren dat jouw verwachting botst aan de grens van het onvoorstelbare, het onnoembare, het onkenbare? En kun je bidden tot het onkenbare onverwachte onnoembare? Of heb je meer houvast, meer zekerheid en meer vaste bodem in de vorm van vertrouwen nodig waardoor je als het ware als vanzelf gaat bidden? Wij staan met onze voeten op de aarde, ons hoofd wijst richting hemel, de horizon wenkt ons om verder te kijken dan onze neus lang is. De letterlijke hemel is een metafoor voor de hemelse werkelijkheid van het goddelijke. Zo zou je het vanuit je lichamelijke existentie kunnen ervaren en benaderen. Dat is eeuwen zo gebeurd en dat is nog niet afgelopen hoeveel agnosticisme, hoeveel secularisatie ook heeft plaatsgevonden, hoe hard de religiebestrijders ook roepen dat het allemaal onzin en hersenspinsels zijn. Je lichaam weet de weg ook op het terrein van het sacrale want je kunt overweldigd worden door een natuurervaring. Ware dit niet zo, dan is er ook geen relatie tussen de natuurervaring en het sacrale. Kunst en religie getuigen sinds het ontstaan van de mensheid van deze relatie. Dat wij in het geseculariseerde westen onze blik hebben verlegd en vaak niet meer open staan voor de sacrale dimensie in de natuur, in het landschap, is geen argument om het atheïsme te staven. Het zegt alleen dat we er niet voor open staan en dat ons hoofd vol zit met andere dingen, andere ervaringen, andere zorgen. Als je gaat wandelen en oog hebt voor de natuur om je heen kun je niet anders dan je verbazen. Van verbazing komt verwondering en dan is het wonder al een mogelijkheid, of met andere woorden, de sacraliteit van het landschap kan bij je binnen komen.

Het is een spel van betekenissen, van toegekende, van bekende en misschien onbekende betekenissen. Religie, kunst, ervaring, reflectie, sacraliteit, God, adressant, bidden, mens zijn, dood, leven, liefde het zijn even zovele momenten van betekenisgeving. Niet alleen als taalspel, maar als existentieel houvast op deze aarde waarvan we weten dat het tijdelijk is, dat we allen zullen sterven. In de beschrijving van een tv-serie waarin doden terugkeren op aarde wordt gezegd dat wij allen, de levenden, eigenlijk doden met verlof zijn. Uiteindelijk eindigen we daar waar we allen uitkomen: als dode. Als lijk, als corpus, als stoffelijk overschot. Dat is niet alleen biologie, effect van onze lichamelijkheid, het is ook theologie, filosofie ineen. God schept de mens als sterfelijk wezen. Het bewijs ontvangen we elke dag. De mens is een leven ten dode zegt de filosoof Martin Heidegger. Even waar.  Dat God dan ook aan het begin staat van de mens is een theologie die niet door iedereen wordt gedeeld, maar het is ook een manier van spreken om te zeggen dat het toch wel zeer wonderbaarlijk blijft hoe je als mens het levenslicht ziet als eindproduct van een lange, lange keten van voorouders. Dat gaat ons verstand te boven, net als de dood, en alles wat ons te boven gaat zou wel eens een goddelijke oorsprong kunnen hebben. Ik persoonlijk vind dat een mooi beeld, een mooie wijze van betekenisgeving.

Leven en dood, geboorte en sterven blijven mysterieus omdat wij niet over de randen ervan heen kunnen kijken. Daarom zeggen we (maar) dat ze in Gods handen liggen. Een manier van uitdrukken die meer is dan taal, meer dan onvermogen. Het is ook een wijze van overgeven. Van vertrouwen dat het uiteindelijk goed komt en goed is, hoeveel lijden je ook in de tijd tussen geboorte en dood hebt moeten ondergaan. Toch blijft die God aan de randen even abstract als de God boven beschreven als onnoembaar en onkenbaar.  Uit mijn persoonlijk leven weet ik dat toen mijn moeder onverwacht stierf omdat ze uit het leven stapte ik niet bad tot God of Jezus om kracht maar tot Maria, de moeder van Jezus. Dat is eigenlijk opmerkelijk en ook weer niet. Als christen zou God en Jezus adressant van gebed moeten zijn maar het was Maria. Is zij toch als figuur dichterbij en minder abstract? En omdat ze moeder is ook meer tegenwoordig? De verering van Maria kent een lange traditie en in de niet christelijke religies zijn de vrouwelijke evenbeelden van de godheid altijd belangrijk. Als vruchtbaarheidsgodin, als moeder, als schepster. Anna, de moeder van Maria heeft oude wortels in de Keltische religie en ook daarom vind ik haar een interessante figuur. Ik heb wat met dat aardse, dat verworteld zijn met leven en dood dat zijn oorsprong vindt in de lichamelijkheid en de materiële aardse gesteldheid van het lichaam. Als kind gingen wij telkens als wij in Maastricht kwamen, en dat was vaak 2x per maand, eerst naar de Sterre der Zee om daar een kaarsje aan te steken. Mijn moeder was een vurig Maria-vereerster. Vandaar ook de beeltenis van dit Mariabeeld op het afscheidsprentje van mijn moeder. De keuze hiervoor was volslagen vanzelfsprekend. Ook nu nog is Maria voor mij een toegang tot het sacrale, een poort naar de hemel. Het gebed tot haar via het Wees gegroet, het gezongen Salve Regina in de abdij bij de completen, ik kan het lettergreep voor lettergreep, noot voor noot meebeleven. En ik snap volledig waarom voor veel monniken dit lied op het eind van de dag het geestelijk hoogtepunt is. Het is trouwens geen kwestie van begrijpen, niet een gedachte in het hoofd, maar een doorleven, een ervaring, een diep en warm gevoel. Een gevoel dat je uittilt boven het alledaagse. Een gevoel ook dat je kan dragen als het leven tegenzit. Zo voelen is voor mij eerst en vooral bidden, nog voor alle woorden. Het is bijna direct contact. Al komt de verwoording, zoals in deze tekst, altijd achteraf, het doet er niets aan af.

John Hacking

25 oktober 2013