Taal en ziel

Taal en ziel

De taal structureert ons leven en geeft er als het ware een ‘bodem’ (‘zingrond’) aan. De taal zelf maakt ons leven tot een leven waarin wij zin kunnen ervaren zodat wij ons leven in een vorm van eindperspectief als zinvol of zinloos kunnen ervaren. Terecht kan dit eigenlijk pas echt op het einde van het leven omdat de krachten die ons leven hebben bepaald dan als het ware zijn uitgespeeld. Vlak voor de dood valt het leven op zijn plaats en wordt in de duiding zichtbaar welk leven dit was en hoe het is te beoordelen. Dat verwoorden wij en taal is daarbij onontbeerlijk. Doen alsof de taal enkel (oppervlakkig) communicatie instrument is, een (losse) verzameling van woorden in complexe samenstellingen, gaat aan het feit voorbij dat elke vorm van betekenisverlening niet zonder taal kan. Ook elk symbool, elk teken leeft van de betekenisgeving anders valt het niet op en is het die naam niet waard. En betekenis verlenen wij via de taal, door de taal en met de taal die wij spreken en schrijven en die het basisinstrument vormt voor ons denken.
Ik ben daarom geneigd om in navolging van Eugen Rosenstock-Huessy, die diverse teksten over de taal heeft geschreven, ervan uit te gaan dat de grammatica van onze taal een licht kan werpen op ons psychisch zelfverstaan en in de woorden van Rosenstock-Huessy ook op onze ziel. Nou is dat laatste begrip ziel in de psychologie een soort van atavisme, zeker als het opeens weer in de belangstelling staat. Rosenstock-Huessy verwijst naar de volkse benaming van de psychologie als zielkunde (Seelenkunde) terwijl de psychologie daar zelf niets van wil weten omdat de ziel buiten spel is gezet. Maar het volk heeft gelijk ondanks de tegenwerpingen van de psychologen die hun bouwwerk graag wetenschappelijk gefundeerd willen zien. Vandaar hun hang naar statistiek alsof de verzameling cohorten licht kunnen werpen op het psychisch functioneren van het individu en zijn niet onderkende zielenleven. Rosenstock-Huessy verwijt de psychologen geen oog te hebben voor de vraag ‘waartoe’ wij leven en blind te zijn voor de lotsbestemming van de mens. Ook in de gedragspsychologie denkt men vanuit de verzameling van statistische gegevens, verkregen door vragenlijsten, vat te krijgen op de mechanismen die spelen in een mensenleven zonder de vraag te stellen waardoor mensen gemotiveerd worden op de langere termijn, of met andere woorden wat zij als de zin van hun leven beschouwen. Deze vraag is natuurlijk groot en complex maar hem uit de weg gaan getuigt van weinig psychologisch inzicht. Misschien zijn alle psychische ziektes wel een gevolg van het feit dat de ziekte óók een vorm van antwoord is op deze moeilijke en gedifferentieerde vraag naar de zin van een mensenleven.Maar als niet-psycholoog durf ik hier niet zo snel uitspraken over te doen.
In de opvatting van Rosenstock-Huessy werpt de taal licht op onze wijze van zelfverstaan door middel van de grammatica die wij gebruiken. De voornaamwoorden en de werkwoordsvormen geven een indicatie. Ik zal me in deze tekst grotendeels beperken tot het samenspel tussen de voornaamwoorden omdat dit de eerste stap is in het begrijpen van de mechanismen die Rosenstock-Huessy schetst. Ik, jij, het zijn de drie voornaamwoorden waarmee onszelf aanduiden en waarmee wij positie innemen als wij spreken over onszelf. Ik, het deel van ons dat autonoom is, en dat zich zo presenteert. Jij, het deel van ons dat door de ander wordt aangesproken als een jij en waarop wij kunnen antwoorden. In de imperatief, het bevel of gebod aan ons wordt dit zichtbaar. Wij kunnen antwoorden op dit bevel en het risico lopen te veranderen want we gaan een situatie aan die we nog niet kennen, of we kunnen weigeren hierop in te gaan en ons terug te trekken op ons (koppige) ik, met (on)gepaste zelftrots. Dan verandert er niets, komen wij niet in beweging en ontstaat er niets nieuws. De weigering kan echter ook een antwoord zijn die plaatsvindt op basis van het oordeel dat de uitvoering van een bepaald bevel onacceptabel is voor het individu omdat de consequenties te groot zijn: bijvoorbeeld de dood van een medemens als je het bevel ‘schiet’ krijgt. Er zitten dus meer kanten aan dit antwoord van het jij. Maar wat ik wil benadrukken is het feit dat je als mens aangesproken wilt worden op jouw menszijn, jouw ‘wezen’, jouw ‘diepere’ persoon, datgene wat je werkelijk bent en niet wat je als automaat – ambtenaar (soldaat) of middel bent in een groter systeem waarbij jouw persoon geen rol speelt.
Tenslotte is er nog het ‘het’, de derde persoon waarin wij ons zelf kunnen beschouwen. In die persoon komt naar voren dat we deel van de wereld zijn, deel uitmaken van de tijd en de ruimte, delen van een groter ons overstijgend geheel.
Met ons ik komt ook ons denken aan het licht: ik denk, ik ontwerp, ik handel. Met het jij komt onze verantwoordelijkheid aan het licht, ethisch handelen, betrokkenheid. Met het ‘het’ komt onze afhankelijkheid aan het licht, dat we deel uitmaken van de wereld en dat we lichamelijk zijn. Als de persoonlijke voornaamwoorden en ons gebruik ervan in onze taal licht werpen op wie we zijn en hoe we ons zelf beschouwen kan er vanuit dat licht ook iets over ons ‘zelf’ en ons ‘zelfbeeld’ worden gezegd. Ik beschouw het ‘zelf’ als een soort van transitioneel fenomeen in het taalspel tussen ik, jij en het. Als ik, jij en het kunnen worden voorgesteld als drie elkaar overlappende cirkels dan is het midden van deze drie cirkels het ‘zelf’. Ik heb het hier niet over existentiële grootheden die duidelijk aanwijsbaar zijn maar over het taalspel waarmee wij onze eigen subjectiviteit tot uitdrukking brengen. Subject, onderwerp, bevat het begrip onderwerpen. Wij beschouwen onszelf als subject, onderworpen. En wij zijn in en door ons spreken onderwerp van ons denken en spreken (dus onderworpen) en de taal is hiervoor het instrument. In de persoonsvormen drukken wij die onderworpenheid op verschillende niveaus uit. Als ik willen we en doen we alsof die onderworpenheid geen thema is want onze autonomie staat centraal en gedragen wij ons als een god. In het jij zijn we gericht op de ander die ons aanspreekt en zijn wij onderwerp van zijn aandacht. Maar als deze aandacht oprecht is en tot doel heeft om ten goede te komen aan ons ervaren wij dit als weldadig. Die aandacht hebben we nodig, daardoor leven we, net als door de liefde die wij ontvangen en waardoor we het gevoel hebben dat we niet alleen op de wereld zijn (als autonoom ik). Zonder het jij is het ik maar een schrale bedoening. In het ‘het’ tenslotte zijn we zelf deel van die onderworpenheid, zijn we onderwerp voor onszelf. Zo kunnen we ook naar ons lichaam kijken als deel van onszelf, waar we dan tegenover kunnen gaan staan vanuit ons ik-bewustzijn: ik heb mijn lichaam, ik ben de baas over mijn lichaam etc. Maar ik ben ook een jij als lichaam dat gekoesterd en gestreeld wil worden en niet alleen maar een heerser met een lichaam. In een meditatieve bui kan ik mijn lichaam beschouwen als een ‘het’ dat voorbij gaat, stof tot stof, as tot as.
Rosenstock-Huessy stelt dat de ziel aan het licht komt in de wisselwerking tussen deze persoonlijke voornaamwoorden. Telkens als de grammatica wisselt is het oppassen geblazen want dat is er een sprankje van de ziel zichtbaar, hoorbaar. Tot in je ziel geraakt, zoals het spreekwoord luidt, gaat nooit over de eerste persoon, het ik, maar altijd over het jij. Je laten raken veronderstelt een openheid van het jij waar het ik geen vinger tussen krijgt. Zo spreekt Rosenstock-Huessy ook over de mensen-mens. Dat is wat anders dan de wolf-mens, de vos-mens of de slang-mens. Deze laatsten laten een kant van hun persoonlijkheid zien in het contact die het niet om jou als mens te doen is maar om jou als prooi, als consument, als object van hun manipulaties. Zo kom jij niet tot je recht omdat je geïnstrumentaliseerd wordt. Je wordt object in hun machinaties en dat komt je ziel niet ten goede. Jouw ziel heeft ruimte nodig en (tijds)aandacht, je ziel wil zich kunnen uitleven en serieus genomen worden, je ziel wil werken aan een taak die zin heeft en die je leven draagt. Werkeloos zijn betekent dan ook niet meetellen, niet gevraagd zijn, geen opdracht hebben, geen recht op zin hebben in deze maatschappij want je staat aan de rand. Werkeloze jongeren die hun heil vinden in een terroristische organisatie ontdekken daar dat ze nodig zijn, dat ze gevraagd worden. Dat is de enige verklaring voor hun fanatisme om mee te doen en zich daarbinnen te laten gaan: hun ziel is aangesproken, hun ziel doet opeens weer mee. Hangplekken inrichten, dat wil zeggen, het gevoel van zinloosheid onder controle houden door overheidstoezicht en afgeschermde locaties, als remedie tegen agressie onder jongeren, slaat volledig de plank mis omdat totaal voorbij wordt gegaan aan het feit dat deze jongeren zich als afgeschreven beschouwen: hun ziel doet niet meer mee en mag niet meer mee doen. Dat is het stigma wat ze dragen: ‘lost generation’.
Maar geen enkele mens is verloren, hoeft verloren erbij te lopen. Maar daarvoor is meer nodig dan wat cosmetische maatregelen, wat gelikte reclameboodschappen en wat materiële vormen van getoonde welstand. Jongeren die in de wereld van de criminaliteit vluchten tonen dan ook al snel hun nieuwe aanwinsten: goud (horloge), auto en vriendin. (Dat lijkt een vlucht naar voren, weg uit hun ellende van alledag). Opeens zijn ze weer waardevol in hun eigen ogen en doet hun ziel er weer toe. Maar net als de terrorist in spe zijn ze bezweken voor de verkeerde verleiding en hebben ze wel hun ziel ingezet maar voor de verkeerde doelen. Ook dat gevaar loopt de ziel: te bezwijken voor de verleiding van de zintuigen. ‘Sex, drugs and rock and roll’ is het bekende refrein en velen bezwijken omdat hun lichaam een dergelijke inspanning uiteindelijk niet meer aankan en de ziel wegkwijnt in de verslaving aan een steeds weer nieuw kick.
Ook dat maakt weer duidelijk hoe het zelf hier als een transitioneel fenomeen actief is: het zelfbeeld kleurt met de betekenissen die het ik aan zijn situatie geeft en als die betekenissen niet of nauwelijks beïnvloed worden door het appèl van een ander op de goede eigenschappen van jezelf, je inzet voor humaniteit, je verantwoordelijkheid, dan blijft er een individu over die alles goedpraat en die zich wentelt in zelfvoldaanheid. Dan is het eenzaam aan de top want de corrigerende jij’s ontbreken en feedback wordt opgevat als aanval op de status quo, jouw positie, jouw macht.
Maar er zit nog een andere kant aan dit verhaal. Ook als ik kun je ervoor kiezen de ander te benaderen, niet als een ik, maar als een jij, een jij dat er toe doet. Net zoals je zelf een jij bent.
Als jij voor de ander optreedt als een jij, die een oprechte interesse toont in het welzijn en de noden van de ander kunnen er wonderen gebeuren. Gehoord en gezien worden is de meest fundamentele behoefte van de mens. Rosenstock-Huessy stelt met recht dat de allereerste ervaring er een is van als ‘jij’ aangesproken worden door je ouders. Niet als ik, maar als jij, en in de naam die je hebt ontvangen is als het ware al een programma ontvouwd, een weg in je leven om te gaan. In je naam ben je ingebed in een traditie, sta je ergens voor, kom je ergens vandaan en heb je een opdracht meegekregen. Je naam waar maken. Dat is je taak. Dat is je opdracht die met de ziel te maken heeft. Dat is geen buitenkant, geen gericht zijn op de buitenkant aspecten van je leven maar dat heeft met de kern, met je innerlijk te maken. Een naam is niet een etiket, niet een prijskaartje dat op je huid is geplakt, of een handleiding hoe je moet worden gewassen. Je naam is een afkomst-teken, een symbool dat zaken, dat de tijd bijeen brengt: de tijd voor jou, jouw levenstijd en de tijd die na jou komt. Rosenstock-Huessy spreekt over een tijdskom, een schaal waarin jij de vulling bent maar die omvattender en groter is dan jezelf als individu.
Ook dat is weer een aspect van het zelf, nu als ‘het’, als deel van een groter geheel. Als je jezelf in dit licht kunt zien, zo kunt be-schouwen (toe-schouwen) relativeert dat je temporele moeilijkheden, zijn ze van kortstondige aard want er is meer dan het hier en nu, je staat binnen een groter geheel en ook de moeilijkheden hebben doel en zin. Lijden, crisis, pijn en verdriet noemt Rosenstock-Huessy de pijlers die samen de brug vormen in deze tijdskom en die uiteindelijk je leven zin verlenen in het eindperspectief. Op het einde van je leven zul je merken, zul je ervaren en weten waar het allemaal goed voor was. Dan vallen de puzzelstukjes op hun plaats en kun je je ziel ervaren als een kunstwerk, dat ontstaan, getekend is door een mooi geheel van samengesmede fragmenten en ervaringen. Een getekende ziel, maar ongebroken. Dat wens je toch iedereen toe?

John Hacking
6 augustus 2015

literatuur:
E. Rosenstock-Huessy, De taal van de ziel. Vertaling van Angewandte Seelenkunde (1924) van Eugen Rosenstock-Huessy, Vught 2014 (Skandalon)
Eugen Rosenstock-Huessy, Het wonder van de taal, Vught 2003 (Skandalon)

ziel