Belonging

Belonging

Je geaccepteerd voelen, affiniteit ervaren, je graag willen associëren met, verbonden zijn en je verbonden  voelen, erbij horen, loyaal zijn ten aanzien van, een relatie aangaan met, het prettig vinden dat, zichtbaar maken dat je erbij hoort, kortom deel uitmaken van een organisatie, een club, een verband, een geheel, een land, een volksdeel, een stam, een familie, een religie, daarop slaat het Engelse begrip ‘belonging’. Voor veel onderzoekers die de teruggang van de religieuze betrokkenheid in West Europa hebben onderzocht is dit een sleutelbegrip geworden omdat het iets zegt over de wijze waarop mensen hun religiositeit beleven en er over spreken. Deze teruggang is trouwens relatief. Het is maar in welk land je onderzoek doet en wat de parameters zijn van je onderzoek. Ook het begrip ‘westerse samenleving’ is niet coherent. Europa is anders dan de Verenigde Staten. De seculiere samenleving waar de religieuze invloeden zijn teruggedrongen mag dan in bijvoorbeeld Nederland een feit zijn, in veel andere landen geldt dit zeker niet. Peter Watson begint er zijn boeiend verhaal mee als hij spreekt over het huidige tijdperk van ‘het Niets’. Een verzameling van teksten en inzichten die reflecteren op de vraag naar zin en zingeving in een samenleving waar men afscheid genomen heeft van God. Wat is ervoor in de plaats gekomen en werkt dat afdoende?

Ik wil stil staan bij het feit dat wij mensen behoefte hebben aan een gevoel van ergens bij horen, dat wij zin ontlenen aan het feit dat wij ergens bij horen, bij iets dat ons als individuen overstijgt. Begrippen als in de oppositie zitten, je in de contramine bevinden, dingen verafschuwen, zaken of groepen niet goed vinden, ze zelfs haten, een antipathie voelen, je onveilig voelen, wijzen op het tegendeel van ‘belonging’. “De boze burger” die geregeld geciteerd wordt en die van zich doet horen via de sociale media zou je een exemplaar kunnen noemen dat niet is aangesloten, dat zich voelt afgesloten van de privileges van anderen. Deze burger laat luidkeels van zich horen dat hij of zij het daar niet mee eens is en dat er iets moet veranderen. Populisten in de politiek varen er wel bij. Ze kunnen gouden bergen beloven zonder ook maar een greintje realiteitszin. Politieke partijen hebben een tijd lang burgers aan zich kunnen binden, zij vormden dus als het ware een systeem waar burgers zin aan ontleenden omdat ze het eens waren met het partijprogramma en met de werkwijze van de partij. Maar dat hebben we eigenlijk (in Nederland) al weer achter ons. Democratie, meedenken en meebeslissen, is grotendeels uitgekleed, want onze vertegenwoordigers worden geacht het (vuile) werk te doen en de wensen van de kiezers om te zetten in daden en in werkelijkheid. Politici zouden eigenlijk visie moeten ontwikkelen, moedige stappen durven zetten, visionair durven handelen, maar niets van dit alles. Als ze er al zijn, zijn het uitzonderingen. Het zijn vaak ambtenaren die goed betaald hun zegje mogen doen en bang zijn voor de volgende verkiezing, die dan ook eerder lijkt op een afrekening. Burgers voelen zich dus niet of veel te weinig vertegenwoordigd door deze ‘beroepspolitici’. Al heb je als individuele politicus een eigen partijachterban en een achterban van kiezers, dat is niet genoeg. Het land is groter dan je stad, je dorp, je provincie waar je vandaan komt. De problemen zijn dat ook. Als politicus dien je het landsbelang en het belang van het hele volk op het oog te hebben en niet je clientèle. Maar de lobbykantoren hebben een ongekende macht gekregen in het politieke landschap. De NRA in de Verenigde Staten is een heel negatief voorbeeld in deze. De NRA, de (bijna al)machtige wapenlobby koopt haar politici gewoon en wil dan ook dat dit stemvee instemt met het wapenbeleid van deze club. In het Europees parlement worden zelfs bepaalde lobbygroepen de toegang ontzegd omdat hun gedrag niet past binnen de normen van een rechtsstaat / democratie want in hun (zogenaamde objectieve) onderzoeken naar de schadelijkheid van hun producten hebben ze de wetenschappelijke normen met voeten overtreden. Zoals Monsato, een bedrijf dat verdelgingsmiddelen tegen onkruid op de markt brengt.

Het vaderland, het volkslied, de eigen culturele historie, het cultureel erfgoed, de verworvenheden in het verleden voor volk en vaderland, de offers die zijn gebracht in oorlogen, in moeilijke tijden, het zijn allemaal thema’s die vaderlandsliefde kunnen bevorderen en die de burgers een idee geven van het feit om ergens bij te horen dat groter is dan het individu of het burgerbestaan. Maar is het genoeg? Geeft dit zin genoeg aan je leven en kun je er door worden gedragen? Nog los van de negatieve effecten waartoe nationalisme heeft geleid in de geschiedenis. Waar het ook aan de wortels van lag: zoals beide wereldoorlogen, de uitroeiing van andere volken (Birma is een hedendaags voorbeeld dat nu speelt – en hoe lang is het Hutsi-Tutsti drama geleden?), etc. etc. Zelf geloof ik niet zo in het vaderland of moederland want we leven in een globale wereld waar iedereen en alles steeds meer met elkaar verbonden raakt. Dat is een gevolg van de wetenschappelijke en technische ontwikkelingen die de laatste 200 jaar hebben ingezet. Peter-Paul Verbeek, wetenschapsfilosoof aan de Universiteit van Twente, pleit in de zaterdageditie van de NRC (7 oktober j.l.) voor een open houding ten aanzien van de techniek. Niet de vraag ‘willen we dat wel of willen we dat niet’ moet centraal staan bij nieuwe technische ontwikkelingen met vergaande gevolgen, maar de vraag hoe wij de negatieve effecten kunnen voorkomen (of uitbannen) en de techniek zo inrichten dat kwaliteit van leven wordt bevorderd. Angst voor technische ontwikkelingen en voor nieuwe ongekende mogelijkheden omdat met bang is voor de effecten, werkt contraproductief omdat die techniek er toch komt. Het is niet meer een kwestie van wel of niet willen, graag of niet graag hebben, maar van hoe ga je er mee om. Wat betekenen ze en wat gaan ze met ons doen en wat gaan wij ermee doen? Een andere attitude dan angst is gevraagd. Verbeek stelt dat de techniek ons pas tot mens maakt. De techniek geeft vorm aan hoe wij mens zijn en hoe wij ons manifesteren. Techniek hoort dus volgens hem wezenlijk bij het menszijn, een vorm van ‘belonging’ dus. Hier is het niet de mens die ergens toe wil behoren om zin te ervaren maar is het de techniek die bij ons hoort waardoor wij ons leven zinvol gestalte kunnen geven zonder al te veel tijd te verliezen aan bijzaken en aan tijd slurpende activiteiten. Denk aan de voedselverbouwing, de distributie ervan en het consumptieproces. Zonder techniek zouden we bijvoorbeeld ons eigen tuintje moeten onderhouden en zien dat we elk jaar genoeg opbrengst zouden hebben. Als bewoners van massasteden een onmogelijke opdracht.

Maar hoe gaat dit ‘belonging’ eruit zien en welke mechanismen, systemen, welke vormen krijgen de overhand de komende generaties? Vooral met het oog op de digitale revolutie en de virtuele mogelijkheden die steeds meer ons leven gaan bepalen. Worden er technische hulpmiddelen ingezet om ons het gevoel van ‘belonging’ te geven – om zo op die wijze zin te ervaren in ons leven? Denk aan medicijngebruik via ons voedsel? En wie gaat dat dan doen, wie beslist hierover? Of gebeurt het stiekem? Orwelliaanse werelden staan ons dan te wachten, zou je denken. Dat zou een optie kunnen zijn, maar wel eentje die het (abstracte) begrip vrijheid meteen de das zou omdoen. Ook de menselijke autonomie die op deze vrijheid rust is dan voorbij. Nu is die menselijke (individuele) autonomie nooit echt een feit geweest,  niet tenminste in concrete zin. Want zolang als de mens bestaat is de persoonlijke autonomie bijna altijd ondergeschikt geweest aan iets wat hoger werd aangeslagen. In een clan- of stamverband, een familie, in een traditionele samenleving was niet het individu de kern waar omheen alles draaide maar de groep, en daarmee samenhangend de gebruiken, de overleveringen en rituelen die daarbij hoorden. Alles met een op het oog individu-overstijgende relevantie die het individu een kader bood om zo ervaringen van zin op te doen. Ook in de religies stond en staat het individu niet op de eerste plaats. Maar een theologische bril werkt soms vertekenend en religieuze leiders zijn meestal geen pleitbezorgers voor een autonoom individu. Dat mensen echter zich thuis voelen bij een religie heeft ook een maatschappelijke component, die misschien nog wel dwingender is dan de theologische of filosofische die autonomie afweegt tegenover heteronomie. Peter Watson betoogt dat sociologische onderzoeken laten zien dat een sterk verband bestaat tussen armoede / rijkdom enerzijds en religieuze betrokkenheid / secularisatie inclusief atheïsme anderzijds. Hoe armer en hoe minder mogelijkheden om zich maatschappelijk te manifesteren hoe meer men geneigd is om terug te vallen op een religieus zinsysteem, een soort verankering, een vorm van zekerheid die het gewone leven met al zijn misère niet kan bieden. Maar hier gaat het over globale cijfers. Het zegt nog niets over de beleving van het (westerse) individu en de autonomie van dit individu in relatie tot de ervaring van zin en zinvolheid ook als de ‘belonging’ niet zo religieus is ingevuld. En een gepropageerde autonomie is nog niet hetzelfde als een werkelijke autonomie. Wat dit laatste dan ook moge zijn.

Nou heb ik het vermoeden dat de gepropageerde autonomie als westerse uitvinding (vooral gepromoot na de Verlichting) wel eens onder grote druk zou kunnen komen te staan als de digitale revolutie is voltrokken en als wij letterlijk allemaal met elkaar verbonden zijn via digitale middelen. We zijn nu al knooppunten in de digitale snelwegen. We zijn auto-nodussen en hetero-nodussen: zelfknooppunten – waar ik mij zelf manifesteer en zichtbaar maak voor de wereld door mijn activiteiten. Voor anderen zijn wij als zelfknooppunt een ‘ander’ (hetero)- knooppunt waar we mee verbonden zijn. We zijn tegelijk zelf- en ander-knooppunt afhankelijk van de positie van waaruit je wilt kijken. We zijn dus bij onszelf en niet meer bij onszelf. We geven door wat we ontvangen van anderen en wat we zelf produceren. Een voortdurend creatief proces. Een betekenisgeving, een proces van semiose, zonder einde.

Dit beeld van een knooppunt is meer dan een metafoor. In het Word Wide Web zijn we letterlijk een verzameling, een code, een optelsom van digitale tekens waar aan toegevoegd en waar van afgenomen wordt, een voortdurend schommelend geheel. Wat is een algoritme? Een formule die deze schommelingen in kaart brengt en verzamelt en uiteindelijk kunnen daar conclusies uit worden getrokken. Door onze digitale manifestatie, door onze digitale en virtuele verbondenheid met elkaar en de wereld zijn wij of we het willen of niet opgenomen in een grote wereld van ‘belonging’ die onze stoutste dromen overstijgt. Het komt misschien nog zover dat wij onze lichamelijke existentie niet kunnen bevestigen omdat wij digitaal niet bestaan. Als je digitaal niet bestaat kun je in principe alles en iedereen zijn want je ligt nergens vast en iemand die niet vastligt bestaat niet of is onbekend. Ik vermoed dat er in de naaste toekomst steeds meer niet geregistreerde en digitaal onbekenden zullen opduiken waar wij in onze digitale wereld geen plaats voor willen inruimen omdat het te veel consequenties met zich meebrengt. Iemand die er niet was en die er nu opeens is – lichamelijk valt het dan niet te ontkennen – maar wat moeten we dan er mee en wie en wat wil hem/haar opnemen? Dit zou wel eens een bijeffect kunnen zijn van de digitalisering die de hele wereld wil bestrijken. Er zullen altijd randen zijn waar de som niet opgaat en waar mensen buiten de boot vallen. Digitaal besta je dan niet en in werkelijkheid doe je niet mee.

Nu hoeven we niet te wachten tot het zover is met deze digitale revolutie. In feite kennen wij tijdens de lange geschiedenis van de mensheid altijd al mensen die niet mee doen, die buiten de boot, de welvaart, de mogelijkheden vallen. De kloof tussen arm en rijk die zich schijnt te verdiepen is hier het meest concrete voorbeeld van. Materieel bestaat die kloof al heel lang maar binnenkort ook schrijnend op virtueel, digitaal vlak: zij die nog meedoen en zij die niet meer mee kunnen doen omdat ze te oud en te afhankelijk zijn geworden. Wat gaat dat in de toekomst betekenen als de ontwikkelingen steeds sneller gaan en steeds complexer worden? Wordt de techniek ingezet om de digibeten een handje te helpen met eenvoudige programma’s? Of houden ze het gevoel dat ze er (voorgoed) niet meer bij horen? Ik vermoed dat hier de echte uitdagingen voor de toekomst liggen: hoe kun je niet alleen mensen het gevoel geven dat er erbij horen en dat ze ertoe doen, maar ook dat ze ook werkelijk erbij horen. Dat de kloof tussen arm en rijk, tussen kennis en onkunde, tussen producent van kennis, van waardes, van zaken die er toe doen en consument van dit alles, niet breder wordt maar met behulp van toegepaste techniek smaller kan worden. Welke ‘smart guys/grils’ gaan die uitdaging oppakken? En hoeveel verantwoordelijkheid tonen de grote spelers op dit veld van de techniek en de computertechnologie?

John Hacking

9 oktober 2017

Genoemde bronnen:

  • Omschrijvingen en associaties m.b.t. belonging: http://www.thesaurus.com/browse/belonging
  • Watson, Peter, Das Zeitalter des Nichts. Eine Ideen- und Kulturgeschichte von Friedrich Nietzsche bis Richard Dawkins, München 2016, (C. Bertelsmann)
  • Wij hebben geen klauwen en dus hebben we ’n iPhone – interview met Peter-Paul Verbeek, NRC 7 oktober 2017 Wetenschap p. 4-5