Overleven met hart

Overleven met hart

 

„Fast gleichzeitig mit Descartes entdeckt Pascal gegenüber der Logik der rechnenden Vernunft die Logik des Herzens.

M. Heidegger

 

In „Wozu Dichter?“  bespreekt de Duitse filosoof Martin Heidegger het gegeven dat de dichter de rol van een soort van ‘visionair’ kan spelen door zijn gedichten. Visionair, niet met het oog op een toekomst die zal aanbreken alsof het gedicht een voorspellende kracht heeft, maar meer als een intuïtie die vormgegeven in taal het denken bij de hand kan nemen. Heidegger laat zich dan ook graag gezeggen door gedichten van bijvoorbeeld Hölderlin. Via een aantal gedichten van Rainer Maria Rilke probeert hij de intuïtie van Hölderlin, geformuleerd in een vraag » … und wozu Dichter in dürftiger Zeit?«  te onderzoeken en verder te brengen. Wat kan de dichter de filosoof leren en wat draagt de dichter bij aan onze tijd. Een tijd die kampt met grote vragen en grote problemen. Heidegger zoomt in op ervaringen en gevoelens van Rilke zoals die in een paar gedichten naar voren komen en gebruikt deze om zijn eigen filosofie verder te ontwikkelen. Heidegger zou je in deze zin een filosoof kunnen noemen die niet alleen poëtisch is ingesteld maar die zelf ook door zijn taalgebruik filosofeert als een dichter. Omdat hij de taal ‘dicht op de huid’ zit ontdekt hij door zijn formuleringen dimensies in de begrippen en te gebruikte omschrijvingen die weer een opstap vormen om zijn filosofie verder uit te bouwen. Natuurlijk kijkt hij ook naar de gedichten vanuit zijn filosofische bril en gebruikt hij zijn filosofische begrippen om de gedichten te analyseren en te ontleden. Het werkt dus naar twee kanten: poëzie en filosofie. Beiden hebben elkaar nodig, zo Heidegger. Daar zal niet elke filosoof overtuigd van zijn, maar ik kan me hier helemaal in vinden. Uitsluiten van de poëtische waarheid als een vorm van waarheid naast andere lijkt me dan ook erg kortzichtig en bekrompen. Dan houd je over wat je denkt in handen te hebben: berekeningen, logica en wiskunde. Ten aanzien van het persoonlijk leven en de zinvraag kun je daar niet zo heel veel mee lijkt me op het individuele vlak.

Heidegger zet met Rilke in op het hart: de logica van het hart (Blaise Pascal) – het hart heeft zijn redenen die het verstand niet kent (en ook nooit zal leren kennen – vermoed ik). Nu is het natuurlijk de vraag of de veronderstelde tegenstelling tussen verstand en hart wel werkelijk zo bestaat. Het beamen van de intuïtie van Pascal wil nog niet zeggen dat in werkelijkheid deze tegenstelling ook zo hard is als wordt aangenomen. Het menselijk verstand is door en door lichamelijk bepaald. Als je het verstand een vorm van ratio gaat noemen, die los staat van de lichamelijke context, doe je volgens mij aan ideologievorming, creëer je een grootheid die in werkelijkheid niet echt bestaat. Ratio als een fictie. Leuk voor de filosofen maar in werkelijkheid niet echt voorkomend. Net als de Griekse Logos – daar kun je ook van alles onder verstaan – het begrip is heel erg breed – maar waar staat het in werkelijkheid voor en kunnen we het echt aanwijzen? Maar dit terzijde. Laten we Heidegger eens volgen in zijn voorkeur voor het hart tegenover het verstand of beter het ‘rekende voorstellen’, dat is de menselijke ratio die rekent, die via de techniek tot stand brengt en die inzet op het gebruik van goederen, dingen, kortom op het immanente en op kwantiteiten.

Heidegger schrijft:

“Das Innen und das Unsichtbare des Herzraumes ist nicht nur innerlicher als das Innen des rechnenden Vorstellens und darum unsichtbarer, sondern es reicht zugleich weiter als der Bereich der nur herstellbaren Gegenstände. lm unsichtbaren Innersten des Herzens ist der Mensch erst dem zugeneigt, was das zu Liebende ist: die Ahnen, die Toten, die Kindheit, die Kommenden. Dies gehört in den weitesten Umkreis, der sich jetzt als die Sphäre der Präsenz des ganzen heilen Bezuges erweist. Zwar ist auch diese Präsenz wie diejenige des gebräuchlichen Bewusstseins des rechnenden Herstellens eine solche der Immanenz. Aber das Innen des ungebräuchlichen Bewusstseins bleibt der Innenraum, in dem für uns jegliches über das Zahlhafte der Rechnung hinaus ist und, frei von solcher Schranke, überfließen kann in das entschränkte Ganze des Offenen. Dieses überzählige überflüssige entspringt hinsichtlich seiner Präsenz im Innern und Unsichtbaren des Herzens. Das letzte Wort der IX. Elegie, die das menschliche Zugehören ins Offene singt, lautet: » Überzähliges Dasein entspringt mir im Herzen. «“
De ruimte van het hart waarmee wij de wereld tegemoet treden en de wereld in ons ervaren – beiden gelden – is een andere dan de ruimte van ons denken waarmee wij de wereld vormgeven, berekenen, kortom proberen naar onze hand te zetten. Volgens Heidegger is de mens in de ruimte van zijn hart vooral als eerste toegewend naar wat hem ter harte gaat, waar hij van houdt: de voorouders, de doden, de kindertijd, zij die komen. Wat hij bedoelt met de komenden, wordt hier niet meteen duidelijk gemaakt. Heeft het te maken met de tijd die aan zal breken, de wereld die zich zal manifesteren, de dag van morgen, het sterfelijk zijn van de stervelingen, het waagstuk dat leven heet en dat erop wijst dat je eraan overgeven een betere strategie is dan alles in de hand willen houden, alles willen beheersen? Heidegger noemt Hölderlin een voor-ganger, iemand die zijn tijd vooruit is en die duidt wat gaat komen en die zelf eerste stappen zet in zijn gedichten. Hij betreedt de wereld op een nieuwe wijze en legt daarvan getuigenis af. Heel kort door de bocht zou je kunnen zeggen dat deze dichter denkt met zijn hart en in zijn taal vooral zijn hart laat spreken. Deze toegang tot de wereld via het hart zou misschien beperkt of subjectief kunnen lijken omdat het slechts een persoon betreft. Maar Heidegger bevestigt met klem dat het hart dat open staat voor de wereld ook de hele wereld kan omvatten – niet letterlijk – maar op een intuïtieve wijze ermee verbonden zijn. Hij schrijft dan ook:

„Der weiteste Umkreis des Seienden wird im Innenraum des Herzens präsent. Das Ganze der Welt gelangt hier nach allen Bezügen in die gleichwesentliche Präsenz. Rilke sagt dafür in der Sprache der Metaphysik »Dasein«. Die ganze Präsenz der Welt ist das im weitesten Begriff »weltische Dasein«. Das ist ein anderer Name für das Offene, anders aus dem anderen Nennen, das jetzt das Offene denkt, insofern die vorstellendherstellende Abkehr gegen das Offene sich umgekehrt hat aus der Immanenz des rechnenden Bewusstseins in den Innenraum des Herzens.“

Heidegger vindt hier zijn begrip “Dasein” op een wijze terug die hem alleen maar kan bevestigen in zijn eigen intuïtie. Ik spreek met opzet over intuïties omdat de begrippen die worden gehanteerd vooral een poëtische strekking hebben, een verwijzend karakter, een teken-karakter dat zich niet in een omschrijving of definitie laat vangen. Ze openen een ‘zinhorizon’ waartegen andere begrippen zich kunnen afzetten en waarmee ze zich kunnen verhouden. Dat is het kenmerk van de taal: het ene roept het andere op en beiden versterken elkaar en vormen zo zin, geven zo betekenis aan de ‘betekenaar’, de mens die deze taal inzet om zijn werkelijkheid te beschrijven, te duiden en in een zinvol geheel te plaatsen. Heidegger wandelt als het ware in het taalkundig landschap van de dichter, voegt zijn eigen begrippen in, laat hen meewandelen, gebruikt ze als een soort van bril en laat hen een relatie aangaan met wat de dichter naar voren brengt. Filosofie lijkt hier op poëzie. Gaat er bijna in op. Rilke legt zelf uit hoe hij het bewustzijn van de mens ervaart – en hoe de relatie buiten – binnen in deze gestalte kan krijgen. Heidegger schrijft, Rilke citerend het volgende:

„Der herzhafte Innenraum für das weltische Dasein heißt daher auch der »Weltinnenraum«. »Weltisch« bedeutet das Ganze des Seienden. Rilke schreibt in einem Brief aus Muzot vom 11. August 1924:
»So ausgedehnt das >Außen< ist, es verträgt mit allen seinen siderischen Distanzen kaum einen Vergleich mit den Dimensionen, mit der Tiefendimension unseres Inneren, das nicht einmal die Geräumigkeit des Weltalls nötig hat, um in sich fast unabsehlich zu sein. Wenn also Tote, wenn also Künftige einen Aufenthalt nötig haben, welche Zuflucht sollte ihnen angenehmer und angebotener sein, als dieser imaginäre Raum? Mir stellt es sich immer mehr so dar, als ob unser gebräuchliches Bewusstsein die Spitze einer Pyramide bewohne, deren Basis in uns (und gewissermaßen unter uns) so völlig in die Breite geht, dass wir, je weiter wir in sie niederzulassen uns befähigt sehen, desto allgemeiner einbezogen erscheinen in die von Zeit und Raum unabhängigen Gegebenheiten des irdischen, des, im weitesten Begriffe, weltischen Daseins.«“

Met de concrete berekenbare ruimte en de tijd heeft deze visie weinig van doen. Dat is ook niet de inzet. Het gaat om een innerlijke ruimte waar de wereld binnenkomt en waar de relatie tot de wereld gestalte krijgt. Zingeving wil in deze zeggen ‘ervaren dat het leven, jouw leven, in deze wereld, als deel van de wereld die ook in jou woont, huist, zinvol is, de moeite waard, de moeite waard om geleefd te worden en om offers voor te brengen, dat wil zeggen, dat het niet zonder pijn en moeite kan.” Jouw inzet, jouw overgave, jouw verdriet, jouw macht en jouw onmacht horen daar wezenlijk bij en vormen pas het geheel van ‘Dasein’ dat jouw leven uitmaakt, jouw hart misschien wel ‘overweldigt’. Heidegger pleit daarom voor een vorm van openheid die exact deze dimensie van de werkelijkheid recht doet. Een openheid die een waagstuk is omdat we sterfelijke wezens zijn die weet hebben van onze sterfelijkheid. Die net daarom alles op alles willen zetten en niet willen blijven verwijlen bij de buitenkant, de berekeningen, het verstand dat enkel bezig is met technische oplossingen en berekenbare grootheden. Nogmaals, het blijft een vraag in hoeverre het onderscheid tussen hart en verstand hard is en of de tegenstelling niet zo groot is als wordt voorgesteld. Ik vermoed dat ook onder elke technisch denken en rekenen een hart schuil gaat, een verlangend hart dat een zekere openheid naar de wereld in stand wil blijven houden. Het zijn niet de robots die rekenen maar mensen van vlees en bloed. Pas als de computer, als de techniek het helemaal overneemt zal Heidegger in deze gelijk krijgen. Maar zover is het nog niet.

Heidegger ziet bij Rilke dat het kwetsbare, het niet beschut zijn, de weg is om het diepste innerlijk van het hart te ontdekken, daar waar de wereld samenkomt, de immanentie van de dingen hun ware aard tonen en er mogen zijn zoals ze zijn, zonder manipulatie, zonder wil tot beheersing, zonder inzet om de wereld naar je hand te zetten omdat er andere doelen zijn, zoals gewin, macht, geld, invloed, etc. Dat zijn ook allemaal werkelijkheden die spelen in ons leven, maar het ‘echte zijn’ – je zou het ook een heimwee naar dit zijn kunnen noemen bij Heidegger, de ervaring van de natuur, het landschap, het bos, het huis, het water, de put, het meer, de hemel, en daarin de ‘goden’ of de ‘goddelijkheid’, het heil en het heilvolle, komt er niet echt tot uitdrukking volgens hem. In die zin kun je Heidegger ook een romanticus noemen die met Rilke dit leven mist waar de snelheid nog ontbreekt en de drang tot productie. De tijd van de grootouders en overgrootouders van voor de industriële revolutie, de tijd op het ‘ongerepte’ platteland waar de cyclische tijd de overhand heeft en niet het jagen naar de toekomst. Heidegger drukt dit wat moeilijker uit in het volgende citaat:
“Dagegen bleibt das Gegenständige der Welt verrechnet im Vorstellen, das mit Zeit und Raum als Quanten der Rechnung umgeht und vom Wesen der Zeit so wenig wissen kann wie vom Wesen des Raumes. Auch Rilke bedenkt weder die Räumlichkeit des Weltinnenraumes näher, noch fragt er gar, ob nicht der Weltinnenraum, da er doch der weltischen Präsenz Aufenthalt gibt, mit dieser Präsenz in einer Zeitlichkeit gründet, deren wesenhafte Zeit mit dem wesenhaften Raum die ursprüngliche Einheit desjenigen Zeit-Raumes bildet, als welcher gar das Sein selbst west.
Indessen versucht Rilke innerhalb des Sphärischen der neuzeitlichen Metaphysik, d.h. innerhalb der Sphäre der Subjektität als derjenigen der inneren und unsichtbaren Präsenz das mit dem sichdurchsetzenden Wesen des Menschen gesetzte Schutzlossein so zu verstehen, dass dieses selbst als umgewendetes uns in das Innerste und Unsichtbarste des weitesten Weltinnenraumes birgt. Das Schutzlossein als solches birgt. Denn es gibt seinem Wesen als Inneres und Unsichtbares den Wink für eine Umkehrung der Abkehr gegen das Offene. Die Umkehrung weist in das Innere des Innen. Die Umkehrung des Bewusstseins ist deshalb eine Er-innerung der Immanenz der Gegenstände des Vorstellens in die Präsenz innerhalb des Herzraumes.“

Het hart biedt dus de mogelijkheid om de wereld tegemoet te treden op een wijze die de hele mens kan aangrijpen omdat in het hart die wereld al ligt opgesloten en omdat in het hart de dingen zijn die er werkelijk toe doen, dat wil zeggen, waar het hart vol van is. Heidegger noemde boven al de ‘komenden’, de doden, de voorouders en de kindertijd. Hoe je als kind was, je ervaringen tijdens je kindertijd en je jeugd, zijn dus hartzaken. Ze vormen de bron voor je eerste kennismaking met de wereld om je heen en in jou. Het kind in je zelf dat nooit verloren gaat en dat je hoe dan ook met je meedraagt. Wie weet hoe belangrijk deze ervaringen zijn voor je huidige zin-verstaan, je huidige wijze waarop je zin ervaart in je leven. Voorouders en doden zijn de elementen in je hart die op een onvermoede en onbeheersbare wijze je zelf-verstaan kunnen kleuren – genetisch al heb je van alles meegekregen, maar emotioneel en door je karakter ben je ook een voortzetting van hen. Zij leven in jou verder en komen misschien zo weer aan het licht. Een hartzaak voor Heidegger en Rilke.

Afgelopen week schoot een Amerikaans staatsburger meer dan 50 mensen dood in Las Vegas tijdens een festival. Hij deed dat met een half-automatisch wapen vanuit een hotelvenster. In het Amerikaanse congres is er weer een discussie opgelaaid over de uitgebreide wapenverkoop in de VS. In de meeste staten is die niet aan banden gelegd. Daarnaast is men hevig verontrust als er inwoners van ‘verdachte landen’ via het luchtverkeer de VS binnen komen omdat men bang is voor aanslagen. De Amerikaanse overheid wil haar burgers hier tegen beschermen maar veronachtzaamt haar plicht tot bescherming van de burgers voor aanslagen van die burgers zelf. De verkoop van wapens aan banden leggen, ongeacht de machtige wapenlobby die veel senatoren in haar zak heeft, zou een stap in de goede richting zijn. In tien jaar tijd zijn er meer dan 500.000 doden gevallen in de VS door wapengeweld. In een vraag aan een geïnterviewde burger die tien jaar geleden fungeerde in een fotoboek met dochtertje op de arm en pistool in de hand hoe hij nu hier tegen over stond zei hij dat hij voor wapens was omdat deze bescherming boden. Zelfbescherming. Bij elke aanslag stijgt de verkoop van wapens en munitie. Maar wie beschermt de burgers tegen ‘de psychopaten’ (ook jongeren) die wild schietend zoveel mogelijk slachtoffers willen maken? Hoort dat er nu eenmaal bij? Waar het hart van vol is, loopt de mond van over. In deze de wens om te blijven en te kunnen blijven schieten? De illusie van een “wilde westen” in stand houden waar het ieder voor zich was? Waar geen vertrouwen heerst in een overheid die bescherming biedt en dus moet je het recht maar in eigen hand nemen en het recht om jezelf te verdedigen? Een grondrecht volgens de fervente voorstanders van wapens?

Verbijsterend en veelzeggend vond ik tenslotte de laatste opmerking van deze geïnterviewde. Hij gaf te kennen dat hij vond dat de natuurlijke selectie maar haar werk moest doen als antwoord op het probleem met het wapenbezit en het ongecontroleerde geweld van burgers tegen burgers. Hier komt de aap uit de mouw: een vorm van sociaal Darwinisme, het recht van de sterkte, de “winner takes it all”- mentaliteit, een vorm van modern fascisme, die de ware kern vormt van het hart van deze burgers. “Ik eerst, mijn soort eerst, en de rest kan stikken”- mentaliteit. Het hart wat hier spreekt is een berekend hart, een hart dat mijlenver afstaat van het hart zoals Rilke dat voor zich ziet. Betekent dit nu dat het hart van deze Amerikaanse burgers een ander hart is dan het hart van Rilke? Hebben we het niet over dezelfde hart-ruimtes? Dit laatste voorbeeld laat zien dat het spreken over het hart tegenover het verstand ook zo zijn beperkingen heeft, hoe mooi het ook moge klinken. Overleven met hart tegen de prijs van wat? Misschien een idee om het huiswerk van Heidegger en Rilke over het hart toch nog maar een keer over te doen en een goede balans te vinden tussen hart en verstand, tussen offer en beloning, tussen liefde en lijden en tussen wereld en zelf.

John Hacking

6 oktober 2017

 

Citaten uit: M. Heidegger, Wozu Dichter? In Holzwege, Frankfurt am Main 2015 (Klostermann) p. 248-320

plasmolen 30 jan 2012 (15)