Pluraliteit en ontologie van de differentie

“De Irakese jongen Nemr (8) bracht voor de camera een reeks politici in het nauw met zijn vragen over het asielbeleid”, zo een kop boven een artikel afgelopen week. Hij vroeg waarom hij weg uit Nederland moest hoewel hij hier was geboren. De politici stonden met hun mond vol tanden. Opeens is de vluchteling, is de asielzoeker, geen anomieme grootheid meer, maar een kleine jongen die vragen stelt. Vragen over zijn leven en vragen over zijn gedwongen vertrek uit Nederland omdat het kinderpardon door de regeringscoalitie wordt verworpen. 

Wat zeg je tegen een kind als hij deze vraag stelt? Als de samenleving bij monde van politici besluit deze kinderen het land uit te zetten? Van veilig naar onveilig, van een redelijk ‘zekere’ naar een onzekere toekomst in een ‘vreemd’ land omdat het kind daar nog nooit is geweest. 

We generaliseren in onze taal, we spreken over wij en zij, over de mens, de tijd, de wereld. We spreken over het klimaat, de buitenlanders en over mannen en vrouwen. Maar wat zeggen we dan? Hoeveel waarheid schuilt er in zo’n uitspraak en zegt hij iets over mij, over jou? We zijn plurale wezens: existenties met talloze kanten, rollen en ik-posities (H. Hermans). We zijn niet vast te pinnen op een beroep, of afkomst, nationaliteit, genetisch paspoort of uitspraak die we doen. We zijn meervoudig, different, pluriform, veelzijdig en misschien wel in zekere mate ‘onbeperkt’, met een hang naar ‘oneindigheid’. Nelly Sachs drukt dit gevoel van geworpen zijn in onze tijd, onze levenstijd, onze wereldtijd, onze persoonlijke tijd, met een knipoog naar de diepte die ons draagt en waaruit we stammen, uit met een gedicht.

Immer ist die leere Zeit

hungrig

auf die Inschrift der Vergänglichkeit –

In der Fahne der Nacht

mit allen Wundern eingerollt

wissen wir nichts

als dass deine Einsamkeit

nicht die meine ist –

Vielleicht dass ein Traum-verwirklichtes Grün

oder

ein Sang

aus der Vorgeburt schimmern kann

und von den Seufzerbrücken unserer Sprache

hören wir das heimliche Rauschen der Tiefe –

Nelly Sachs

Waar komen we vandaan en waar gaan we naar toe? We komen als het ware uit het ‘niets’, een tijd ver voor onze tijd en we vallen weer terug in het niets. Maar de tussentijd, de tijd daartussen is rijk en vol, en gedifferentieerd. Toch spreken we in politiek, in religie, in filosofie over grootheden los van dit persoonlijke, dit bijzondere, dit genunanceerde en gedifferentieerde bestaan van mij en van jou. De mens, die bestaat niet. De wereld al evenmin, net als de tijd. Het is mijn tijd, mijn levenstijd, mijn levensinvulling, mijn gevoel, mijn gedachten en het zijn mijn woorden. En die verschillen met die van jou. Zeker, er is overeenkomst, anders zouden we elkaar niet kunnen verstaan. Er is taal, er is communicatie en er zijn afspraken hieromtrent. Maar toch, wie je ten diepste bent, hoe je jezelf ten diepte laat zien, ook aan jezelf is eenmalig, bezit uniciteit, en valt met een ander niet glad te strijken. Martin Heidegger die inzette in Sein und Zeit om ons bestaan diepgaand te beschrijven ontsnapt niet aan dit denken van het algemene. In een biografie over hem schrijft Rüdiger Safranski het volgende:

“Hoewel Heidegger incidenteel van het medezijn een thema maakte, was zijn denken toch altijd uitsluitend gericht op dè ene mens in het enkelvoud: dè mens, hèt bestaan; ook datgene waarmee de mens wordt geconfronteerd of waarin hij zich bevindt, is op het enkelvoudige toegesneden: dè wereld, hèt zijnde, hèt zijn. 

Maar tussen dè mens en het grote geheel – hèt zijn, dè geest, dè geschiedenis – is er nog een ander domein, namelijk het ‘daartussen’ waar de mensen in hun pluraliteit bestaan, de velen die van elkaar verschillen, verschillende belangen najagen, elkaar in hun bezigheden ontmoeten en daarbij pas creëren wat ‘politieke werkelijkheid’ kan worden genoemd. Die hele sfeer, waaraan de ontologische betekenis is gelegen in de veelheid en de diversiteit van de afzonderlijke individuen, verdwijnt in Heideggers panorama van het bestaan uit het zicht. Er zijn maar twee vormen van bestaan, het eigenlijke en het oneigenlijke, het zelf en het Men. Natuurlijk zal Heidegger niet loochenen dat de bestaansontwerpen van de afzonderlijke individuen verschillen, maar dat verschil vormt in zijn ogen geen positieve uitdaging, hij schaart het niet onder de fundamentele bepalingen van de existentie. Dat we met het factum moeten leven omringt te zijn door mensen die anders zijn, die we niet begrijpen of maar al te goed begrijpen, die we beminnen of haten, die ons onverschillig laten of raadselachtig voor ons zijn, van wie we door een afgrond of juist door niets zijn gescheiden, aan dat hele universum van relationele mogelijkheden heeft Heidegger geen aandacht geschonken, en hij heeft het niet onder zijn existentialen geschaard. Heidegger, de uitvinder van de ontologische differentie, is nooit op het idee gekomen een ontologie van de differentie te ontwikkelen. De ontologische differentie betekent: het zijn van het zijnde onderscheiden. Een ontologie van de differentie zou betekenen: de filosofische uitdaging aannemen die besloten ligt in de onderlinge verschillen tussen mensen en de moeilijkheden en kansen die daaruit voor de samenleving voortvloeien.”  

Bron: Safranski, Rüdiger, Heidegger en zijn tijd, 2017 (Olympus, Uitgeverij Atlas Contact), p. 328-329

Kansen voor de samenleving ontdekken, zichtbaar maken in de verschillen die bestaan tussen mensen. Veel politici durven hier niet aan. Daarvoor zijn ze veel te bang. Te bang dat hun boodschap dan niet meer aanslaat en dat de angst die hierop is gebouwd niet meer werkt. Al die populisten die claimen te spreken met de stem van het volk spreken eigenlijk met de stem van het gepeupel dat te beroerd is om na te denken over het eigen gelijk en het eigen ongelijk. Het zijn de raddraaiers, het tuig van de richel, dat zodra er een kans is, zich ontplooit als massamoordenaar en aan het plunderen slaat. Waarom deze harde woorden: omdat de geschiedenis dat telkens weer laat zien. Het Romeinse plebs greep elke kans aan om zich uit te leven en onschuldigen van het leven te beroven tijdens politieke en maatschappelijke onrusten. Zeker als er geen gezag was dat deze gecreëerde chaos kon beheersen. Progroms in de middeleeuwen tijdens de eerste kruistochten tegen de Joodse bevolking, maar ook na Wereld Oorlog Een in Oost-Europa, en zelfs na de Tweede Wereldoorlog op sommige plekken in de wereld. Opstanden in Nederland, Hoekse en Kabeljauwse twisten, de moordpartijen tijdens de Derigjarige Oorlog, de lijst is eindeloos. Als het volk eenmaal de macht kan grijpen, als zich er kansen voordoen om je haat te uiten en bot te vieren op ongewapende burgers, onschuldige slachtoffers, dan is er geen kracht die hen tegen kan houden en worden ze door de politici aangevuurd om vooral niemand over te slaan. Als een president van Brazilië opmerkt dat tijdens het dictatoriale bewind in de vorige eeuw te weinig tegenstanders zijn vermoord, weet je hoe de man in elkaar steekt. Als een man die zich president waant van een land als Amerika telkens weer oproept om de stromen vluchtelingen die richting VS trekken te beschouwen als moordenaars en verkrachters, dan is het niet vreemd als sommige rechts-extreme groepen dit als aanmoediging beschouwen en de daad bij het woord voegen. Ik heb geen hoge pet op van het volk. Het volk bestaat niet. Er bestaan wel heethoofdige extreme types die alles in het werk willen stellen om hun gelijk te halen, macht te verkrijgen en tegenstanders uit te schakelen. Ophitsers, kleine potentaten, facistoïde ‘Strebers’, ze roepen allemaal dat ze het doen voor volk en vaderland. Maar wie is zo gek deze kortzichtigen te geloven en te volgen. Het is een regelrechte weg naar de hel. Een directe route naar de ondergang van velen en tenslotte ook van henzelf. Nazi-Duitsland geldt in mijn ogen nog altijd als een van de meest sprekende en duidelijke voorbeelden.

Daarom is er meer dan een filosofie die over de hoofden heengaat en die grossiert in algemeenheden een ontologie van de differentie nodig. Onderscheiding, acceptatie van verschillen, tolerantie tegenover anderen, tegenover andersdenkenden, anders levenden, andere culturen en gewoontes. Waarom zou het ‘blanke’ volk het meest belangrijke zijn, zoals veel rechts-extreme groepen beweren? Waarom ‘ik eerst’ en dan pas de rest?  Wat is dat voor kortzichtigheid en gruwelijke domheid? Voor je het kunt beseffen is er al een graf voor je gegraven en lig je onder de zoden. Waarom dan die drukte om ‘niets’, waarom niet meer tolerantie en verkennen van de verscheidenheid? Nelly Sachs drukt op onnavolgbare wijze uit wat we zijn, een gedicht dat heenreikt over de nietigheid van ons bestaan maar dat ook niet de ogen sluit voor wie we zijn en wat ons verleden is. Troost is nodig, troost is gevraagd, oog in oog met de vruchten van het menselijk geweld. Geweld dat ook kan groeien in ons hart als we vergeten dat we niet singulier maar pluraal zijn, niet een verzameling van algemeenheden, maar bijzonder in tal van aspecten. 

John W Hac

7-11-2018

 

Chor der Tröster

Gärtner sind wir, blumenlos gewordene

Kein Heilkraut lässt sich pflanzen

Von Gestern nach Morgen.

Der Salbei hat abgeblüht in den Wiegen –

Rosmarin seinen Duft im Angesicht der

   neuen Toten verloren –

Selbst der Wermut war bitter nur für gestem.

Die Blüten des Trostes sind zu kurz

   entsprossen

Reichen nicht für die Qual einer

   Kinderträne.

Neuer Same wird vielleicht

Im Herzen eines nächtlichen Sängers

   gezogen.

Wer von uns darf trösten?

In der Tiefe des Hohlwegs

Zwischen Gestern und Morgen

Steht der Cherub

Mahlt mit seinen Flügeln die Blitze

   der Trauer

Seine Hände aber halten die Felsen

   auseinander

Von Gestern und Morgen

Wie die Ränder einer Wunde

Die offenbleiben soll

Die noch nicht heilen darf.

Nicht einschlafen lassen die Blitze der Trauer

Das Feld des Vergessens.

Wer von uns darf trösten?

Gärtner sind wir, blumenlos gewordene

Und stehn auf einem Stern, der strahlt 

Und Weinen.

Nelly Sachs

 

Koor van troosters

TUINDERS ZIJN WE, zonder bloemen nu

Geen heelkruid laat zich planten

Van Gisteren naar Morgen.

De salie in de bakerrnat is uitgebloeid –

Rosemarijn heeft haar geur in het aanschijn

   van de nieuwe doden verloren –

Zelfs de alsem was alleen gisteren bitter

De bloemen van de troost zijn te kort

   ontsproten

Zijn ontoereikend voor de pijn van een

   kindertraan.

Nieuw zaad wordt misschien

In het hart van een nachtelijke

   zanger gekweekt.

Wie van ons mag troosten?

In de diepte van de holle weg

Tussen Gisteren en Morgen

Staat de cherub

Draait met zijn vleugels de schichten

   van rouw

Zijn handen echter houden de rotsen

   uiteen

Van Gisteren en Morgen

Zoals de randen van een wond

Die open blijven moet

Die nog niet helen mag.

Niet inslapen laten de schichten van rouw

Het veld van het vergeten.

Wie van ons mag troosten?

Tuinders zijn we, zonder bloemen nu

En staan op een ster, die straalt

En wenen.