Overgave

“Het enige dat telt is dat we onafhankelijk zijn in onze harten van thuis, familie, vrienden, thuisland, onderwijs. Om op die wijze de geest van de Boeddha te volgen met een vastberaden, niet-aflatend hart. Het is prima als we bijvoorbeeld trouwen, vis eten, rijk zijn en een reputatie hebben of kennis. Het is ook prima als we dit niet allemaal bezitten. Het is prima om gewoon thuis of elders in een huis in de bergen te wonen. Het enige dat telt is dat een persoon door zulke dingen niet mag worden afgeleid in zijn zoektocht naar religie (en religieuze zekerheid). Hij moet alleen vertrouwen op de geest van de Boeddha. Wanneer het barmhartige licht van de Boeddha ons verlicht, realiseren we ons dat er niets walgelijks of verachtelijks is in de wereld. Alle dingen zijn beminnelijk en aanbiddingswaardig. Alles ter wereld straalt zijn eigen licht uit.” (pag. 34)

Dit citaat uit het werk van de Japanse filosoof en monnik Manshi Kiyozawa maakt duidelijk dat in de zoektocht naar een houvast in het leven overgave de kern is. Houvast vinden door je over te geven. Over te geven waaraan? Kiyozawa vindt religieuze zekerheid in zijn overgave aan en het in praktijk brengen van de leer van de Boeddha. Zo verstaat hij religieuze zekerheid. Het is voor hem niet het aannemen van een pakket dogmatische regels. Het is een doen, een leven naar het voorbeeld van de Boeddha. Dat is geen leven zonder hindernissen, zonder pijn en lijden. En natuurlijk is dat niet voor iedereen weggelegd. Ook de keuze voor de weg van de Boeddha is niet vanzelfsprekend. Maar de kern van dit handelen is de overgave aan een werkelijkheid die groter is dan jezelf, een werkelijkheid die de immanentie van ons bestaan overstijgt en die het transcendente alle krediet geeft. Kiyozawa groeit op in Japan maar hij neemt ook kennis van de Westerse filosofie. Hij is van vele markten thuis.

Al zijn wij misschien geen boeddhisten, kennen we nauwelijks iets van het boeddhisme, toch kunnen zijn gedachten ons helpen om ons te oriënteren in dit leven. Als we alles uit onszelf moeten halen, als we de voedingsbron van onszelf moeten zijn gaat dat meestal niet lukken. Hoe houd je het vol als er pijnlijke dingen in je leven gebeuren, als je werkelijk op de proef wordt gesteld, als je leven onder druk komt te staan? Je kunt jezelf niet aan je eigen haren uit het moeras trekken. Waar vind je en waar heb je houvast? Dat is toch meestal buiten je zelf. Iets of iemand waar je op kunt bouwen en die je volledig kunt vertrouwen. Maar vertrouwen vraagt overgave en je overgeven doe je pas als je vertrouwt. Manshi Kiyozawa schrijft in zijn dagboek:

“24 oktober 1898
Ons ware zelf is niet anders dan dit: dat we ons bestaan ​​volledig toevertrouwen aan de wonderbaarlijke werking van het oneindige in welke situatie wij ons ook bevinden. Als we ons eenmaal aan het oneindige hebben toevertrouwd, zijn leven en dood niet langer van belang. Als leven en dood niet langer van belang zijn, hoef je je ook zich geen zorgen meer te maken over minder belangrijke dingen. Verbanning is acceptabel, gevangen is dan draaglijk. Is er dan laster, afwijzing of vernedering die ons zouden kunnen storen? Nee, dat bestaat niet. Zelfs als zulke dingen ons storen en kwellen, kunnen we ze niet veranderen. Daarom moeten we ons eenvoudig verheugen in wat de Oneindige ons heeft gegeven.” (pag. 37)

Misschien kun je ons leven wel opvatten als een oefening in overgave. Overgave totdat je uiteindelijk een keer je definitief moet overgeven als de dood aan je deur klopt. De oude Grieken en velen na hen noemden het filosoferen ook wel een oefening in sterven, een soort van voorbereiding op het allerlaatste, het einde van je leven. Byung-Chul Han schrijft hierover in zijn “Philosophie des Zen-Buddhismus”, in het hoofdstuk over de dood. Voor Plato en anderen was de dood niet het einde maar een soort overgang naar een vorm van hoger zijn. De dood niet als catastrofe die het leven beëindigt maar een keerpunt. De Duitse filosoof Hegel noemt de dood een overgang van het individuele in het algemene, deze overgang is geen slotakkoord maar een doorgangspunt. Een omkering van het negatieve in het positieve: “er richtet dat Endliche zu Grunde”. In de dood wordt het individuele bevrijdt van zijn eindigheid en bereikt het zijn oneindige Grund. Daarin lijkt Hegel volgens Byung-Chul Han op Plato. (pag. 99)

In het Zenboeddhisme kijkt men anders naar de dood en naar overgave. Het is geen heroïsch omgaan met dit levensfeit, geen oppakken van de uitdaging om de dood in de ogen te kijken, maar eerder een vorm van gelatenheid die de dood zijn laat. Dood en vergankelijkheid zijn feiten, ze verwijzen nergens anders naar. Ze zijn wat ze zijn. Alles is vergankelijk en alles sterft. Alles is voortdurend in verandering. Kiyozawa schrijft ergens in zijn teksten dat hij worstelde met de zin van zijn bestaan. Maar via de ratio, via zijn verstand stootte hij steeds op grenzen. Toen heeft hij de weg van de aanvaarding van het oneindige ontdekt, ‘de stem van de hemel’, het transcendente dat alles draagt en richting geeft. Had hij die uitweg niet gevonden, had hij een einde aan zijn leven gemaakt, zo schrijft hij. Sindsdien gaat hij voort op die weg: de verkenning van het transcendente dat in elke vorm van immanentie, in alles wat bestaat, aanwezig is en spreekt. Alles heeft een taal, alles spreekt, simpelweg omdat het bestaat. En alles hangt met alles samen. Alles is voortdurend in beweging. Jij, als mens, bent daar deel van, onderdeel van. Je staat er niet boven of buiten. Je bent deel van het geheel. Hiermee bezig zijn noemt Kiyozawa een vorm van streven naar perfectie. Je bent zelf niet de meester van je bestaan en je hebt geen invloed op wat er in je leven plaatsvindt. Dus overgave aan het oneindige is voor hem een weg ten leven. Hij schrijft in zijn dagboek:


“25 februari 1899

Wat is het belangrijkste in het streven naar perfectie? Allereerst de zelfreflectie. Door naar de realiteit van jezelf te kijken, krijg je inzicht in de weg van de hemel. Als je inzicht krijgt in de weg van de hemel, zul je geen ontevredenheid voelen
met wat er is. Als je niet ontevreden bent met wat je hebt, ben je niet op zoek naar wat anderen hebben. Als je niet langer zoekt naar wat anderen hebben, zul je anderen niet hinderen. Wat is er beter dan tevreden zijn met wat je hebt en niet vragen om wat anderen hebben, noch in conflict komen met anderen? […] Als er deze kwaliteiten zijn, kunnen externe effecten of andere mensen je geen pijn doen. Als je bang bent dat anderen je kunnen schaden, is het een zelfbedrog dat je moet uitroeien.


5 april 1899
Het grootste obstakel voor onafhankelijkheid en vrijheid zijn materiële zorgen, vooral zorgen over het fysieke welzijn. Wat moeten we doen? Het antwoord is dat materiële zorgen iets buiten ons ware wezen zijn. We moeten voortdurend bereid zijn om materiële dingen op te geven, inclusief ons fysieke welzijn. Een onafhankelijk persoon moet altijd op de afgrond tussen leven en dood staan. Vanaf het begin moet hij bereid zijn om de dood onder ogen te zien, inclusief een gewelddadige dood of een dood door uithongering.”(pag. 40-41)

Natuurlijk is dit makkelijker gezegd dan gedaan. “Geef je zorgen maar op want ze hebben niet met je ware wezen te maken.” Ook voor Kiyozawa blijft het leven een voortdurende strijd om deze gedachte in zijn leven waar te maken. Het is vooralsnog geen waarheid als een dogma, maar een vorm van levenspraktijk die elke dag weer moet worden beoefend en moet worden bevestigd in het concrete handelen. Dat is geen lichte zaak. Overgave is een kwestie van voortdurende herhaling, van toewijding die nooit stopt. Misschien is dat dan ook wel leven: omgaan met de uitdagingen die deze toewijding en overgave van je vragen.

In de bijbel is een soortgelijk verhaal te vinden in de overgave en toewijding van Abraham. Hij gaat op weg naar een land dat God hem wijst. Hij ondergaat tien beproevingen en pas na zijn dood krijgt hij de titel rechtvaardige, rechtschapene. Niet daarvoor. Het kan altijd nog mis gaan. Hoogtepunt (of dieptepunt) in zijn beproevingen is de Akeda, de opdracht om zijn zoon Izaak te offeren. Het antwoord van Abraham luidt: hineni. Zoals Leonard Cohen zingt op een van zijn laatste liederen. Ik ga er voor, ik sta ter beschikking. Een bewijs van vertrouwen, volledig je durven toe te vertrouwen aan de zender van de boodschap. Als Izaak onderweg aan Abraham vraagt waar het offer is dat moet worden gebracht, niet wetende dat hij zelf het (slacht)offer is, zegt Abraham: God zal voorzien. God zal voorzien, de hemel zal antwoord geven, het oneindige zal erin voorzien. Hier raken voor mij persoonlijk Zenboeddhisme en bijbels jodendom à la Abraham aan elkaar. In het gebaar van overgave, toewijding, er voor de volle 100% voor gaan. Mozes zit op dezelfde weg ook al sputtert hij soms hevig tegen. Jezus idem dito: volgen van de woorden van God, dat is zijn missie, volgen en volbrengen. Zo komt het transcendente tot zijn recht in het immanente.

Hoe wij met alles en allen verbonden zijn in leven en dood wordt ook uitgedrukt in een gedicht van Rilke, een verwijzing die ik vond bij een tekst over de monnik Dôgen. Ontroering en verbijstering, gegrepen worden door de kracht van het leven en de kracht van de dood en de vergankelijkheid ineen, dat wordt door dit gedicht uitgedrukt. In dood en leven zijn wij met elkaar verbonden. Niet tegenover staan, niet zelfbevestiging door jezelf af te zetten van, maar verbondenheid ervaren op het diepste niveau, dat drukt dit gedicht uit. Een paar woorden om te overpeinzen. Een stukje tekst dat misschien overgave kan funderen.  


Aber erweckten sie uns, die unendlich Toten, ein Gleichnis,
siehe, sie zeigten vielleicht auf die Kätzchen der leeren
Hasel, die hängenden, oder
meinten den Regen, der fallt auf dunkles Erdreich im Frühjahr. –

Und wir, die an steigendes Glück
denken, empfänden die Rührung,
die uns beinah bestürzt,
wenn ein Glückliches fällt.

R.M.Rilke slot Duineser Elegien

Maar riepen zij, de eeuwig doden, in ons een gelijkenis op,

zie, zij wezen wellicht op de katjes die hangen

aan de kale hazelaar, of

doelden op regen, die in de lente daalt op de donkere aarde. –

En wij, die denken aan stijgend

geluk, ervoeren misschien de ontroering,

die ons bijna verbijstert,

als iets dat geluk is, valt.

John Hacking (op mijn verjaardag)

14 november 2019

Bronnen: