Aan de oever van het meer

Het water is een dankbare metafoor voor veel ervaringen. Lao Tze schrijft erover en gebruikt water als metafoor voor de zachte krachten, niet te verwarren met zwakte. René Ransdorp schrijft hierover in het tijdschrift Filosofie:

Dat de zwakheid die hier wordt bedoeld niets van doen heeft met ‘slapte, wordt duidelijk wanneer we zien hoe Lao Zi de term ‘zwak’ hanteert. Het woord voor ‘zwak’ (ruo) in het Chinees vormt een gebruikelijke tegenstelling met het woord voor ‘sterk’ (qiang). Wanneer Lao Zi het woord voor ‘sterk’ gebruikt, klinkt daar bijna altijd ook de betekenis van ‘star en ‘stijf in door. ‘Zwak’ als het tegendeel daarvan krijgt bij hem dan de positieve betekenis van ‘buigzaam en veerkrachtig. Hetzelfde geldt ten aanzien van Lao Zi’s gebruik van het woord ‘zacht’ (rou) dat bij hem niets met ‘softheid’ te maken heeft. ‘Zacht’ staat tegenover ‘hard; dat door Lao Zi geassocieerd wordt met de hardheid van bruut geweld. Als tegendeel daarvan staat ‘zachtheid’ voor ‘soepelheid’, vloeibaarheid’.

Tegen deze achtergrond is het te begrijpen dat Lao Zi ‘water’ als metafoor kiest om de kracht van het zachte en zwakke tot uitdrukking te brengen. Zie bijvoorbeeld de volgende passage uit de Lao Zi: ‘In de hele wereld is er niets zachter en zwakker dan water, maar in het aanvallen van het harde en sterke kan het door niets overtroffen warden omdat het daarin onvervangbaar is. Het zwakke overwint het sterke, het zachte overwint het horde. Er is niemand in de hele wereld die dat niet weet, maar ook niemand die ernaar kan handelen. (… ) Ware woorden lijken het omgekeerde te zeggen.’ (Lao Zi, hst. 78)

In zijn uitleg van de eerste zinnen van deze passage schrijft een Chinese commentator: ‘Wanneer twee harde dingen elkaar aanvallen, lijden beide schade. Harde steen kan door water uitgehold worden. De steen lijdt daarbij schade, maar het water helemaal niet.’

Een andere commentator merkt in dezelfde lijn op: ‘In de hele wereld is er niets zachter dan water, maar messen kunnen het niet doorsnijden, stenen kunnen het niet verwonden, het kan bergenhoog opstijgen, afdalen naar ravijnen, en er is geen spleet waarin het niet binnendringt. Bovendien hollen waterdruppels stenen uit, en er is niets zo hard of water kan het vergruizen. Villa’s in de bergen kan het in een oogwenk met de grand gelijkmaken. Waar ’t het overwinnen van het horde en sterke betreft, kan dan ook niets zijn plaats innemen.’

René Ransdorp, Lezen in de Loazi,  Pag. 43-44

rouw

Als je in je handelen en in je denken kunt zijn als het water heb je veel te winnen want de zachte kracht is sterker dan de harde (onbuigzame) kracht, sterker dan het willen beheersen en willen manipuleren. Dat ontdek je zelf in je eigen leven als je merkt dat beheersing en alles in de hand willen houden niet werken. Veel ontglipt je, op veel dingen en op veel mensen kun je geen invloed uitoefenen. Dat moet je dan ook niet willen. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Haaks op ons beheersings-denken staat het niets-doen, het laten gebeuren. Ik vermoed dat velen zo hun leven volstoppen met ervaringen dat er geen tijd meer overblijft voor hen zelf. Jonge mensen laten dit zien: ze worden overspoeld en laten zich overspoelen door evenementen, indrukken, acties, willen niks missen, alles meemaken en beleven. Ook dat is een vorm van willen beheersen die tot mislukking gedoemd is omdat je niet alles kunt meemaken en omdat niet alles evengoed de moeite waard is. Veel is verspilde tijd en verspilde moeite. Paul Valéry schrijft over de ervaring van niets-doen, verveling, zich vervelen, het volgende:

Die Kunst und die Langeweile.

Ein leerer Ort und leere Zeit sind unerträglich.

Die Ausschmückung dieser Leere entsteht aus der Langeweile – wie das Bild des Essbaren von der Leere des Magens herrührt – Wie die Handlung aus der Untätigkeit kommt und das Pferd stampft und die Erinnerung entsteht im Intervall zwischen den Handlungen, und der Traum.

Die Müdigkeit der Sinne ist schöpferisch. – Die Leere ist schöpferisch. Die Finsternis … Die Stille … Der Zwischenfall … Alles ist schöpferisch, außer dem, der das Werk signiert und auf sich nimmt.

Das Kunstwerk, kostbares Exkrement, wie es so viele Exkremente und Abfälle sind: Weihrauch, Myrrhe, grauer Amber…

*

Zur Kenntnisnahme.

Wir sind alle dazu bestimmt, langweilig zu werden.

Paul Valéry, Pag. 63-64

In niets-doen en in verveling zit dus meer potentie dan je misschien op het eerste gezicht zou verwachten: het kan een bron, een basis zijn om uit te putten, om op een creatieve wijze jezelf te ontplooien. Het kan een zelfde gevoel zijn als de dichter beschrijft aan de rand van een meer, kijkend, ervarend, wachtend, laten gebeuren. Het water bepaalt de sfeer, het water kan je leren. Je hoeft er alleen voor open te staan. Zoals aan de oever van het meer….

WIE AM UFER DES MEERS . . .

Wie am Ufer des Meers

An der trennenden Front,

An der Grenze des Pendelschlags

Die Zeit gewahrt und entzieht,

Anstößt, ausbreitet,

Auswirft und verschluckt,

Ausliefert, beklagt,

Anrührt, fällt, küsst und stöhnt

Und wieder zur Masse,

Wieder zur Mutter kehrt,

Und immer neu sich besinnt!

An der gepeitschten Front des Meers

Verliere ich mich im Tal zwischen zwei Wellen

Diese Zeit, ach, begrenzt

Und unendlich . . .

Was umschließt diese Zeit?

Was verengt, was brüstet sich?


Was bemisst und verweigert und entzieht mir diese Zeit?

O Welle, wuchtige,

Zu überfluten machtlos!

Der Verlauf deines Gangs: immer neu dich gewinnen,

Noch einmal hinabrollen, nicht zu zerschellen

Den unversehrten Leib des Wassers!

Das Meer bleiben, niemals verlieren

Die Macht der Bewegung!

Hinabrollen,

Knirschend, wider Willen,

Sich begrenzen, sich sammeln,

Sich vereinen mit unveränderlicher Zahl,

Also kehrt die Idee in den Körper,

Also sinkt der Gedanke zurück

Von dem Punkt, wohin wagend sein Grund

Ihn heimlich erhoben hat,

Er kann nicht anders, er muss zuweilen

Zurück zur reinen, einfachen Gegenwart,

Zu allen Dingen außer ihm selber,

Obwohl er’s nicht selber ist,

Nie lange Zeit er selbst,

Nie Zeit genug,

Mit den Dingen allen zu Ende zu kommen,

Und nicht, eine neue Zeit zu beginnen …

Nur immer ein anderes Mal,

Das nächste und wieder das folgende Mal,

Unendliche Male!

Unübersehbare Male!


Unendlich vernimm und horche

Auf das Leid der Erwartung, den Ruck der Zeit,

Das ständige Wiegen der Zahlen,

Die Einheit, die Größe,

Vergeblich und heftig die Schattenstimme,

Die wuchtige Stimme des Meers,

Sie wiederholt nur immer:

Mein Gewinn und Verlust, mein Verlust und Gewinn.

Oh! Wirf eine Zeit aus der Zeit!’


Mehr als einsam am Ufer des Meers

Wie die Welle geb’ ich mich hin

Eintöniger Verwandlung

Von Wasser in Wasser

Von mir in mich.

Paul Valéry,  Pag. 59-60

John Hacking

7 februari 2020

Bron:

René Ransdorp, Lezen in de Loazi. De kracht van het zwakke, in: in Filosofie, Jrg 22, nr. 2 (maart/april 2012), Pag. 43-44

Valery, Paul, Windstriche. Aufzeichnungen und Aphorismen. Aus dem Französischen von Bernhard Bösenstein, Hans Staub und Peter Szondi, Frankfurt am Main 2017, (Suhrkamp)

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.