Overweging Studentenkerk 13 juni 2021

Welkom

Mijn God – hoeveel blauw verspil je – opdat we je niet zien!

Beste mensen, welkom in deze viering.  Ik kan me helemaal vinden in de woorden van de dichter Odysseas Elytis, die deze woorden over het hemelsblauw opschreef om zijn verwondering uit te drukken. Zeker omdat ik ook een schilder ben van het landschap. En ook omdat ik blauw een van de meest fascinerende kleuren vind.  Maar verstopt God zich achter het blauw, achter het hemelsblauw? Heeft Hij het nodig om zich te verstoppen?  Of is Hij sowieso onkenbaar omdat Hij niet Iets is, een Niets met hoofdletter: dat wil zeggen dat hij buiten onze kennis, buiten ons waarnemen,  buiten ons ervaren valt. En alles wat we over Hem beweren is in feite grootspraak.

We slaan de plank voortdurend mis omdat God zich niet aanpast aan onze situatie. Hij is de Deus Absconditus – de God die afwezig is, zodra we Hem willen vastleggen. Toch zou je zo denken dat de bijbel hier heel anders over denkt.  God wordt te pas en onpas opgevoerd – om het maar oneerbiedig te zeggen – om bepaalde situaties te verklaren – bijvoorbeeld de ballingschap,  zoals in onze lezing uit Ezechiël. Een fragment uit een langere tekst die eraan  vooraf gaat en die helemaal niet zo optimistisch klinkt….lees het thuis maar eens na.

In het evangelie, de blijde boodschap van Markus wordt het koningschap van God  vergeleken met zaad dat ontkiemt en groeit en dan wordt geoogst;  of met mosterdzaad – dat uitgroeit tot bomen. Heel veel Bijbelse voorbeelden komen uit de rurale samenleving.  Een samenleving van boeren, landarbeiders, ploeteraars…

Je kunt je dan ook terecht afvragen of ze nog bij ons binnenkomen. Of we nog de antennes hebben om door te dringen in de inhoud ervan? Maar al deze voorbeelden laten zien dat God op de een of andere wijze zichtbaar en ervaarbaar wordt in het concrete leven van mensen. En dat brengt ons meteen bij de actuele vraag voor ons: hoe zit dat bij ons? Maar voordat we hier onze tanden inzetten, willen we eerst stil worden, inkeren en bidden….

Barmhartige, Eeuwige achter het blauw, 

Liefdevolle in ons hart, licht in onze ziel, 

Luister naar ons bidden: als wij met overgave onze ziel blootleggen…

Als onze diepste hartenkreten opstijgen naar de hemel.

Gij bergt al onze verlangens – geeft hen een bodem, 

toont ons een weg, een richting om te wandelen in uw licht. 

Als wij onszelf vinden, vinden wij U – als wij U vinden, vinden wij onszelf.

Zo zijn wij voor eeuwig met U verbonden en Gij met ons.

Laat uw woord in ons ontkiemen, vrucht dragen – voor het heil van alle mensen.

Zoals Jezus ons voordeed en zichtbaar maakte in zijn woorden en zijn daden. Amen

Stilte

L’abbaye de Mondaye (Ron Elshout)

Bij Psalm 131


Ga over de aarde, draag het zaad

en later de schoven, laat het hart

aards en sla geen oog naar de hemel,

neem haar waar om het heden,

de regen.


Bedaren laat men, verstillen zijn ziel

binnen de muren verzinkt het leven

in gebeden; waar de geest zou zweven

klimt stem over stem in het smeken

om zegen.


Op de hof staart een albasten vrouw

naar lege bladzijden van een boek, haar

handen gevouwen, haar oog een open

graf, zichtbaar zichzelf slechts is zij

toegenegen.

De uitweg een poort; draag daar

het zaad en later de kolven in

zonlicht van bladgoud en vind er

de wegen.


Eerste lezing: Ezechiël 17,22-24 (Naardense bijbel)

Zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene:
zelf zal ik uit de kruin van de meest verheven ceder nemen en geven,-
uit de top van zijn loten een teer twijgje plukken  en zelf zal ik dat poten op een hoge maar heuvelachtige berg; op de meest verheven berg van Israël zal ik het poten,  het zal takken dragen en vrucht oortbrengen
en een geweldige ceder worden;  onder hem zullen wonen allerlei vogels van allerlei vleugel,  in de schaduw van zijn bladeren zullen die wonen; weten zullen alle bomen op het veld dat ík, de Ene, een hoge boom vernederd heb en een laagstam-boom verhoogd heb;  een sappige boom liet ik verdrogen en een dorre boom bracht ik tot bloei;  ík, de Ene, heb dit gesproken en zal het doen!


Tweede lezing: Marcus 4,26-34 (Naardense Bijbel)

Ook heeft hij gezegd:

zó is het koningschap van God,- als een mens die het zaad uitwerpt over het aardland; hij gaat slapen en hij wordt wakker, een nacht en een dag… het zaad kiemt en wordt groot,  en hóe, dat weet hij niet; vanzelf draagt het aardland vrucht, eerst een grasje, dan een aar, en dan volop koren in de aar; wanneer de vrucht zich prijsgeeft, zendt hij meteen de sikkel uit,  omdat de zomeroogst is aangetreden’ (Joël 4,13).

Ook heeft hij gezegd:

hoe moeten we het koningschap van God vergelijken, of in welk zinnebeeld moeten we het voorstellen?- als met een mosterdzaadje, dat, wanneer het op het aardland wordt gezaaid, kleiner is dan alle zaden op het aardland, en wanneer het is gezaaid, schiet het op en wordt het groter dan alle tuingewassen en maakt het takken, zó groot dat ‘onder zijn schaduw de vogels van de hemel vermogen te schuilen’ (Ps. 104,12)!  En in tal van zulke zinnebeelden heeft hij tot hen het Woord gesproken, naar dat zij bij machte zijn geweest het te horen; behalve in zinnebeelden heeft hij niet tot hen gesproken, maar alleen heeft hij voor de eigen leerlingen alles opgelost.

Overweging

Een collega zei, toen ik nog werkzaam was in Badhoevedorp, dat Jezus  niet veel van het boerenbestaan – als timmerman – had begrepen.  Als voorbeeld haalde hij de uitspraak aan het koren samen met de distels te laten groeien – daar zal geen enkele boer blij mee zijn.  Maar ook vandaag komen we zo’n voorbeeld tegen: het mosterdzaad.

Het is niet het allerkleinste zaad, er zijn nog kleinere.  Ik heb eens even op internet gekeken of er toch geen mosterdbomen zijn maar ik heb ze niet gevonden. Mosterdzaad zal nooit uitgroeien tot bomen.

Jezus maakt er eigenlijk een potje van in het selectief gebruik van zinnebeelden. De spreuk uit de profeet Joël 4,13 over het uitzenden van de sikkel omdat de zomeroogst is aangetreden slaat in de oorspronkelijke tekst  op een bloedbad, een afrekening.  Heel wat anders dan je zou verwachten in deze parabel over het zaad.

Kortom als je denkt het wel te weten word je opeens op het andere been gezet. Wat deze verhalen wel laten zien, het gebruik van parabels, zinnebeelden,  is de poging om God zichtbaar te maken in ons leven – maar als je denkt het  te kunnen pakken – weten hoe het zit, of als je er theologie van maakt,  op zoek naar een houvast, dan kom je bedrogen uit. 

Persoonlijk vind ik deze meerduidigheid en meerdere lagen in deze teksten fascinerend. God is niet verkrijgbaar via definities en dogmatische omschrijvingen, maar hij wordt geduid vanuit het leven zelf,  met voorbeelden die uit het dagelijks leven stammen.   Het koninkrijk van God valt samen met een handvol zaad die wordt uitgestrooid.  Van Gogh schildert de zaaier op het akkerland en  aan de horizon wuift het graan, klaar om geoogst te worden.  Ik heb dit schilderij altijd al vreemd gevonden als het een natuurlijke weergave  zou moeten zijn van een realistisch gebeuren.  Zaaien en rijp koren bij elkaar, dat kan toch eigenlijk niet in de natuur.  Daarom is dit schilderij in mijn ogen eerder een soort van geloofsgetuigenis, dan een realistische weergave van het boerenleven. Hoe langer ik hier over nadenk, hoe meer ik ervan overtuigd raak dat het een verbeelding is van deze parabel uit Markus 4.  Hier wordt het koninkrijk van God verbeeld. 

Drie weken geleden kreeg ik van Joris, een ex-student die hier in ons tuintje werkt een boek met een persoonlijk getuigenis van een pelgrimstocht naar Ierland.  Ulrich Libbrecht over wie het gaat, auteur van talrijke boeken waarin  hij de religieuze en filosofische systemen met elkaar vergelijkt –  comparatieve filosofie, ontdekt daar Johannes Scotus Eriugena,  een Ierse/Keltische Theoloog uit de tijd van Karel de Grote. Dus rond 800-850. Deze theoloog is een van de weinigen die Grieks spreekt in een wereld die door het latijn wordt bepaald.  Dit heeft invloed op zijn geloofs-verstaan. Maar ook zijn Keltische wortels drukken een stempel op zijn denken. Door de kerk is hij naderhand verketterd als pantheïst.  Ik ben gaan zoeken naar teksten van zijn hand en vond toen zijn preek over het begin van het Johannesevangelie.  Een van de kerngedachte van de theologie van deze Scotus Eriugena is dat Gods immanentie en Gods transcendentie bij elkaar horen. God wordt zichtbaar in de wereld – het rijk Gods is geen abstractum. Hier in dit leven en op deze aarde wordt het zichtbaar. Het woord is de brug.

Ik citeer uit het commentaar op deze preek: “Geloof is een nieuw zaadje, een mosterdzaadje, een eerste beginnende beweging van het weten in de ziel; een manier van denken van het hart,  de morgenster die opstijgt en dag laat aanbreken.”  Voor Johannes Scotus Eriugena komt het weten van de schepper aan het licht in onze rationele natuur. God werkt in ons, zijn woord werkt in ons.  Uit het geloof ontvouwt zich, zoals uit een zaadkorrel,  werkelijk kennen door metamorfose. Zoals het zaadje uitgroeit.  En werkelijk weten ontspringt uit het geloof wanneer dit een bodem vindt.  Als het zaadje op vruchtbare grond valt. En ontkiemt.  Geloof is eerder een vorm van mystiek weten, een stevig staan in wat men hoopt. Door geloof ga je anders naar de wereld en de werkelijkheid kijken. Ik citeer vrij in vertaling het commentaar van Bamford:

“Geloof is waarachtig zaad, wiens vrucht het woord is. Maar zaad en vrucht  zijn op een manier één (zoals op het schilderij van Van Gogh). En daarmee is het woord zowel het begin als het einde van het geloof.  In het woord ligt het begin van de genade van de zelfontdekking  als ook het doel, dat hierin bestaat, zichzelf te verliezen in het geloof, het woord te vinden – zichzelf in het woord te vinden.  Geloof, de bron van alle menselijke bestemming, haar bodem en haar wortel, is noodzakelijk de deugd van de ziel of anima.  Door het geloof vervolmaakt, wordt de menselijke ziel, dit menselijk wezen tot maagdelijke drager van de incarnatie van het woord.” Zoals in Maria het Woord Gods incarneerde…. Kunt u het nog volgen?

Als het geloof een zaadje is dat ontkiemt – als dit zaadje tot de ontdekking leidt dat God ervaarbaar is in jouw leven, in deze wereld, dan ontdek je je ware zelf. Je vindt je zelf terug in het woord – in je gebed – in je smachten naar – je verlangen. Daardoor vind je houvast – word je gedragen door het woord.  Een simpel voorbeeld: je bent verliefd en degene die het betreft zegt opeens tegen jou: ik hou ook van jou… je hart springt op van vreugde,  je ziel kun je bijna aanraken … je staat in het licht – de liefde draagt je. Bamford hierover, heel vrij vertaald:

“Tragiek van onze tijd is dat wij als verstandige wezens van mening zijn dat denken betekent: willen, voorstellen, zich verzetten tegen, ontkennen, kiezen en vergelijken. Zoals Goethe in Faust zegt: onze geest is iemand geworden die steeds ontkent….  We weten niet meer hoe we de wereld kunnen omarmen en hoe ze ons draagt. Ons denken is er een van scheiden en op afstand houden.  Het nieuwe en het heilige kan zo niet bij ons binnen komen omdat we  er niet voor open staan.” Geloven is je durven toe te vertrouwen, open gaan.  De voorbeelden die Jezus gebruikt en die in de bijbel worden ingezet  om mensen te laten ervaren wat het betekent om te leren geloven  komen allemaal uit ons dagelijks bestaan. God kunnen we leren kennen in ons leven: hij is ervaarbaar.  Hij werkt in ons, in onze geest, ons hart, onze ziel. 

Maar durven we ons over de streep te laten trekken? Ons hart openen? Ook voor de wonderlijke wereld waarin we leven?  Het woord in ons te laten zaaien?  Ik wens ons toe een vruchtbare bodem toe in onze ziel. 

bronnen:

  • Libbrecht, Ulrich, Ierse meditaties. Naar een nieuw pantheïsme, Antwerpen Apeldoorn 2017, (Garant uitgevers)
  • Scotus Eriugena, Johannes, Die Stimme des Adlers. Homilie zum Prolog des Johannesevangeliums. Übertragen und ausführlich kommentiert von Christopher Bamford. Aus dem Englischen übersetzt von Martin Ditzhuyzen, Zürich 2006, (Chalice Verlag)

PSALM (Michel van der Plas)

Een nieuw lied voor de Heer die de vogeltjes schiep

en hun wijzen voor iedere dag,

die de treurwilg tot eindeloos treuren riep

en de vrouw tot haar eeuwige lach,

een nieuw lied voor de Heer die de goudvissen goud

en de roodborstjes rood heeft gemaakt,

die de golven der zee en de blaren van ’t woud

met zijn vingers heeft aangeraakt,

die de kolibrie schiep en de adelaar schiep,

het viooltje en de orchidee,

die de schelpen en zwaardvissen liet in het diep

van dezelfde bedelvende zee,

die zijn adem laat gaan langs het slapende land

tot het wenend van weelde ontwaakt,

die de dauwdroppen droogt met zijn heilige hand

en de zon tot zijn heilgezant maakt;

een nieuw lied voor de Heer die het meer en de lucht

en de straten vol zonnelicht goot,

die de leeuwerik leidt tot zijn duizlende vlucht

en de vlinder tot vlinderdood.

Een nieuw lied voor de Heer die een durend nieuw lied

in de mond van zijn moedertje lei,

die zijn licht in haar zuivere blik achterliet

en haar zei wat zij zeide tot mij,

die het water voor Handel zo ruisen deed

dat de Watermuziek in hem klonk,

die Homerus de nacht liet, opdat hij beleed

welke donkere schoonheid hij dronk,

die de leden der liefste verrukkelijk boog

tot de lijnen der maagdelijkheid,

die zijn hand langs haar lippen en schouders bewoog

tot zij zoet waren, durend bereid,

die haar haren zo zwart en haar borstjes zo zacht

heeft gemaakt en haar ogen zo blauw,

die de laatste saffier uit zijn huis heeft bedacht

voor de fonkelende staart van de pauw,

die de staart van de pauw op haar lachen ontvouwt

en hem sluit als zij schreit van geluk,

en dan worden haar tranen van zuiver goud

voor de Heer van het grote geluk.

Een nieuw lied voor de Heer die van ieder nieuw lied

het ontstaan en de maker is,

die het voorzingt in water en woud en in riet,

in de steeg en de vensternis.

Een nieuw lied voor de Heer, een nieuw lied voor de Heer

die accoorden en woorden ingeeft

aan de dichter, de vrouw en het kind, o en meer

dan aan weerklank en stem in hen leeft.

En zijn naam zij gezegend, de eeuwigheid lang

zij gezegend de naam van de Heer,

van de opgang der zon tot haar ondergang

zij gezegend de naam van de Heer:

die de sneeuwvlokken zendt als de wolkige wol

en de rijm als verdwarrelde as –

als hij spreekt lopen alle de stuwmeren vol

en al smelt wat bevroren was.

O gij wateren, looft, en gij landstreken, looft,

en gij vogeltjes, looft onze Heer,

en gij vuurtongen, looft, en gij dauwdroppen, looft,

alle boomtoppen, looft onze Heer.

Een nieuw lied voor de Heer met pauk en cimbaal

en bij citer en luit en schalmei:

een nieuw lied voor de Heer in uw mond, in uw taal,

want wie geeft u de liederen dan hij?

Zegenbede:  LAATSTE HYMNE (Huub Oosterhuis)

Ere wie ere toekomt,

lichtende levende God.

U komt toe alle stem,

alle veerkracht en zingen.

Die ons verwekt en doet zijn,

ons openbaart en herademt,

één en volstrekt in allen

en boven allen uit,

vader, zoon en geest,

bron, water en stroming,

liefdes eerste begin,

liefdes weg, liefdes volharding.

Gij die doet lichten de zee,

lichten aarde en hemel,

stroom uw mensen vol kracht,

doe opleven hun ogen.

Moge het worden, eindelijk,

wat Gij gewild hebt van meet af:

licht dat niet dooft,

liefde die blijft.